
Eén van de opvallende kenmerken van het voorbije teeltjaar is de zeer vroege zaai. De eerste bieten gingen reeds op 4 maart de grond in, weliswaar in het kader van een proef om een verlenging van het groeiseizoen uit te testen. Voor het cliënteel van Tienen werden op 14 maart een 100-tal ha bieten ingezaaid. De 50-zaaidatum, datum waarop 50 % van het verwachte areaal is uitgezaaid, werd dit jaar bereikt op 27 maart, d.w.z. bijna drie weken vroeger dan in 2010.
André Wauters: “We hebben dit jaar proeven gedaan met zeer vroege zaai en met rooiing op verschillende data. De bedoeling was om na te gaan of het mogelijk is de campagnes vroeg te starten (zoals bv. dit jaar reeds het geval was) zonder grote opbrengstverliezen. We hebben daarbij vastgesteld dat van zodra er rond 10 maart 6 dagen zonder regen zijn, men kan zaaien, op voorwaarde dat er nog een tweetal dagen droog weer voorspeld worden na de zaai en wanneer de bodemomstandigheden het toelaten. In die omstandigheden moet men met het huidige rassengamma geen schrik meer hebben voor een minder goede opkomst of voor een groot aantal schieters, terwijl men zeer veel wint aan suikeropbrengst per ha. De vroege zaai leverde dit jaar, dankzij de zeer goede omstandigheden, een snelle en homogene opkomst op, zodat we veel planten bekwamen van gelijke grootte, wat bevorderlijk is voor de opbrengst en ook voor de kwaliteit.”
“De praktijk van dit jaar en de proeven die daaromtrent werden uitgevoerd de voorbije jaren en ook nog dit jaar, hebben aangetoond dat, wanneer de omstandigheden rond 10 maart goed zijn (goede bodem en droog weer) er niet moet gewacht worden met de zaai. Uitzondering hierop zijn de rassen met dubbele resistentie/tolerantie rhizomanie-rhizoctonia, die men het best niet zaait voor 15 maart en dan nog op voorwaarde dat de grond voldoende is opgewarmd.”
Na de zaai bleef het mooie weer aanhouden met warme temperaturen, maar anderzijds ook met een tekort aan neerslag, wat problemen opleverde voor de onkruidbestrijding. “Het tekort aan neerslag had tot gevolg dat vooropkomsttoepassingen dit jaar weinig of geen verschil uitmaakten. Bij de FAR-toepassingen met lage tot zeer lage dosissen was het dit jaar zeer belangrijk om er vroeg genoeg aan te beginnen en zeer regelmatig terug te komen. Sommige telers hebben tot zeven behandelingen uitgevoerd. Daarbij was het ook belangrijk om 's morgens vroeg te spuiten, wanneer de luchtvochtigheid het hoogst was, met voldoende water en voldoende olie en zeer kleine dosissen herbiciden, toegepast met de juiste doppen en met de juiste spuitdruk. En dit leverde goede resultaten op, zelfs in de moeilijke omstandigheden die we dit jaar kenden. Het is in deze omstandigheden echter zo dat elke fout zich achteraf betaalt. En dit stelde men frequent vast op gemengde bedrijven waar men de spuittechniek minder goed onder de knie heeft en vaak ook andere werkzaamheden moet laten voorgaan. Op dergelijke bedrijven heeft men dit jaar relatief grote problemen vastgesteld met melganzevoet,bingelkruid en melde. Conclusie van dit jaar is dat men ten hoogste 10 dagen na de zaai met de eerste FAR-toepassing moet starten en de tweede daar ten hoogste 6 dagen later moet op laten volgen. Het zijn vooral de eerst opkomende onkruiden die men moet hebben, want lukt dat niet, dan sleept men ze voor het hele seizoen mee.”
De grootste problemen met herzaai van bieten zijn het gevolg van spuitschade, door gebruik van verkeerde producten, door het
onvoldoende reinigen van het spuittoestel, e.d.
“Dit jaar stelden we ook vast dat de bladontwikkeling trager is verlopen als gevolg van de droogte, wat tot gevolg had dat het sluiten van de rijen later gebeurde. Ook dit had gevolgen voor de onkruidbestrijding omdat licht tot op de bodem kon blijven doordringen en de onkruiden dus konden blijven ontwikkelen. Bij de bestrijding van die onkruiden had men dan soms te maken met een paraplu-effect door de bietenbladeren.”
Een ongewoon verschijnsel dat dit jaar op een aantal velden werd vastgesteld, is dit van een aantasting door larven van Nephrotoma appendiculata, een geslacht van emelten dat slechts zelden voorkomt. Op bepaalde velden werd tot 50 % van de kiemplanten vernietigd. In totaal ging het om tussen de 25 en 50 ha waarop problemen werden vastgesteld, maar met verschillende gradaties van aantasting. Ze werden vastgesteld in een zone gaande van Charleroi tot Tongeren. En ook in Nederland en het Rijnland in Duitsland (streek rond Keulen) kwamen ze voor. Het zijn larven die voortspruiten uit eitjes die het jaar voordien werden afgelegd. In tegenstelling met de grote emelten (Tipula paludosa en Tipula oleraceae, die voorkomen in grasvelden), leggen de Nephrotoma appendiculata hun eitjes ook op naakte gronden. Ook in 2003 werd reeds een aantasting van deze emelten vastgesteld, een jaar waarin de weersomstandigheden veel geleken op die van 2011 en ook bv. zeer vroeg kon gezaaid worden. Het is door het samenvallen van de ontwikkeling van de larven en de vroege zaai dat dit jaar opnieuw schade werd vastgesteld. Het is steeds op zeer luchtig klaargelegde gronden, waarin de larven vlot tussen de kluiten kunnen bewegen, dat men de schade vaststelde. We zijn nu bezig met bodemstalen te nemen in de getroffen zones om te zien of er larven aanwezig zijn en ook om te zien welke oplossingen we aan de landbouwers kunnen voorstellen mochten er zich opnieuw problemen voordoen.”
Bij de rassenkeuze voor dit jaar kunnen we vaststellen dat het gebruik van rhizomanietolerante rassen veralgemeend is. De rassen tolerant voor bietencystennematode maakten dit jaar, net als in 2010, ongeveer 8 % van het totaal uit. “En dat is veel te weinig”, zo stelde André Wauters. “Uit statistieken van eind van de jaren negentig, maar die zeker nu nog juist zijn, kan men afleiden dat het aantal velden zonder nematoden op ongeveer 45 % van het totaal kan geschat worden. 20 % van de velden heeft echt problemen met aanwezigheid van nematoden en
35 % ligt ertussen. Op basis van deze statistieken zou men dus moeten besluiten dat nematodentolerante rassen zouden moeten worden gebruikt op minstens 20 % van de velden.”
“Gelukkig zien we nu, net zoals dat in het beginstadium met de rhizomanietolerante rassen het geval was, dat het potentieel van de nematodentolerante rassen duidelijk aan het stijgen is. Vandaag hebben we in het eerste jaar inschrijving van de officiële rassenproeven (dus rassen die eind 2012 uit de proeven zullen komen voor inschrijving in 2013) rassen die een hoger opbrengstpotentieel hebben in gezonde gronden dan rassen die alleen rhizomanietolerant zijn. De selectiehuizen zijn met andere woorden volop bezig om het opbrengstpotentieel van de nematodentolerante rassen zeer sterk te verhogen (met enkele procenten per jaar). Op dit ogenblik heeft een dubbeltolerant ras (rhizomanie-nematoden) dat al enkele jaren op de markt is een opbrengstpotentieel dat ongeveer 4 % lager ligt dan van de rhizomanietolerante rassen. Maar de nieuwe die onlangs werden erkend, liggen al 2 % hoger dan deze oudere rassen en op termijn kan men zeker verwachten dat de dubbeltolerante rassen (rhizomanie-nematoden) een even hoog opbrengstpotentieel zullen hebben als de rassen die enkel rhizomanietolerant zijn. “

“Dit jaar hadden we bovendien nog met het verschijnsel te maken dat de cysten veel vroeger optraden dan normaal. Normaal gezien is dat eind juni, maar nu werden ze eind mei al vastgesteld, d.w.z. vier weken vroeger dan normaal. Dit betekent dat rond half april de nematoden reeds actief waren, want een cyclus is normaal in ongeveer 6 weken voltooid. Wij hebben dus een ontwikkelingscyclus meer gekend dit jaar. De vermenigvuldigingsgraad is dus zeer hoog dit jaar, wat ongetwijfeld gevolgen zal hebben voor bieten die in 2014 en 2015 op de nu aangetaste percelen zullen gezaaid worden. Het is een situatie die enigszins vergelijkbaar is met deze van 2006. Tussen maart en oktober heeft men altijd ongeveer 1 °C hogere temperatuur gehad dan normaal en dat maakt heel wat uit voor een ontwikkelingscyclus die aan graaddagen gebonden is.”
“Raadgeving naar de landbouwers toe is dit jaar om in elk geval op velden waar men dit jaar problemen vaststelde of vermoedt (omdat de bieten niet deden wat men ervan verwachtte of waar men magnesiumgebrek vaststelde), zo snel mogelijk na het ruimen van de bieten een analyse te laten uitvoeren om aanwezigheid van nematoden vast te stellen. Dit om duidelijkheid te hebben voor de volgende bietenzaai op dit perceel (in 2014 of 2015). Belangrijk is ook om het staal over de hele bouwvoordiepte te nemen en niet enkel in de oppervlakkige bodemlaag (0 tot 5 cm).”
Ook voor de percelen waarop men volgend jaar bieten wil telen, kan men nu nog een analyse laten uitvoeren. Dat moet wel snel gebeuren om nog tijdig een aangepaste rassenkeuze te kunnen uitvoeren mochten er nematodenproblemen vastgesteld worden.
“In verband met die rassenkeuze voor 2012 kan men stellen dat enkel wie zeker is dat er geen nematoden op het perceel voorkomen (door analyse) rhizomanietolerante rassen kan zaaien. Wie twijfelt en geen analyse heeft uitgevoerd, kiest het best voor de betere nematodentolerante rassen. Men moet immers in het achterhoofd houden dat de aanwezigheid van 1 larve een opbrengstderving van 3 kg suiker per ha meebrengt.
“De dag dat de nematodentolerante rassen evenveel opbrengen als de gewone rhizomanierassen en ze landbouwkundig gezien gelijkwaardig zijn (resistentie tegen schimmelziekten, tarragehalte, e.d.) kan men verwachten dat ze ook op grotere schaal zullen gebruikt worden. Er lopen, binnen een interregionale werkgroep, nu zelfs voorstellen om in de rassenproeven binnen 2 tot 3 jaar geen onderscheid meer te maken tussen gezonde en aangetaste velden, ook al omdat men meer en meer problemen ondervindt om nematodenvrije velden te vinden.”
Wat de wortelziekten betreft, ziet men sinds 2009 een uitbreiding over de hele leemstreek, maar eveneens in de poldergronden, van violetwortelrot. Ze komt vooral voor op diepe leembodems op percelen met een hoge pH. De ziekte wordt meestal pas bij de oogst vastgesteld. Op het veld sterven de bieten immers niet af, maar het blad verkleurt met haarden. Het wortelrot komt pas in de hoop tot uiting. Wanneer men bij de oogst een biet doorsnijdt, ziet men slechts aan de randen een verkleuring. Belangrijk is dat violetrot overleeft gedurende 15 tot 20 jaar in de grond en dus zeer lang schade kan veroorzaken. Bovendien komt het ook op zeer veel teelten voor (bieten, cichorei, granen).
Tegen deze ziekte bestaat geen resistentie, wat wel het geval is met bruinwortelrot (Rhizoctonia solani). Het gebruik van de rassen die een dubbele tolerantie (rhizomanie-rhizoctonia) vertonen, ligt eveneens rond de 8 % van het totaal. Op dit vlak heeft men echter moeten vaststellen dat er een antagonisme is tussen tolerantie tegen rhizoctonia en opbrengstpotentieel, wat tot gevolg heeft dat deze rassen, naargelang hun tolerantiegraad, tussen de 10 en 15 % minder opbrengen. Men beveelt ze dan ook enkel aan op gronden met rhizoctoniabesmetting.
In de toekomst zal men wellicht gaan naar rassen met drievoudige resistentie of tolerantie.
“Wat de schimmelziekten betreft, was het dit jaar vooral een jaar met witziekte en roest. Cercospora en ramularia kwamen er veel later of zelfs helemaal niet door, als gevolg van de droogte in het voorjaar. Na die droogte kwam er echter nat en fris weer, waardoor de witziekte de bovenhand kreeg. We stelden daarbij vast dat ze zeer snel kon ontwikkelen. De eerste symptomen deden zich voor eind juli en op 1 week tijd zag men volledig witte velden.?En dat op bieten die nog relatief weinig bladmassa hadden ontwikkeld door de droge weersomstandigheden voordien. Witziekte kan, wanneer ze begin augustus voorkomt op bieten die na 15 oktober moeten gerooid worden, opbrengstdalingen tot 15 % veroorzaken. Komt ze pas later voor, dan is de opbrengstderving doorgaans geringer.”
Ook dit jaar stelde men zeer grotere verschillen in gevoeligheid voor witziekte vast tussen de rassen, waarbij de gevoeligheden die bij de inschrijving werden geconstateerd, werden bevestigd. Sommige oudere rassen zijn wel zeer gevoelig aan witziekte en moeten daarom van nabij geobserveerd worden.
Landbouwers die voor gevoelig
e rassen kiezen, moeten weten dat ze in de problemen kunnen komen, wanneer bv. de rooidatum niet lang genoeg op voorhand is bekend. Uit onderzoek is gebleken dat indien de aantasting van witziekte zich voordoet binnen de 40 dagen vóór de rooi, niet moet behandeld worden, ook al ziet men de symptomen. Het probleem is echter dat de rooidata soms pas laattijdig worden medegedeeld, zodat de landbouwer niet weet of een behandeling al dan niet noodzakelijk zal zijn en anderzijds of hij nog een voldoende veiligheidstermijn tussen de behandeling en de verwerking van de bieten kan respecteren.”
“Algemeen kan men wel stellen dat wie laat levert en een gevoelig ras heeft gekozen, vroeg genoeg moet behandelen tegen de witziekte, waarbij het dit jaar zo was dat één fungicidebehandeling economisch rendabel was.”
Een wachtdienst is verzekerd voor het geval u een dierenarts nodig hebt en uw dierenarts afwezig is.
Selecteer uw regio en contacteer één van de dierenartsen van wacht.