Startpagina Stikstof

Uitstoot ammoniak daalt traag maar zeker volgens Voortgangsrapport PAS

De stikstofemissies en -deposities blijven verder dalen in Vlaanderen, alhoewel ammoniakuitstoot in de landbouw minder snel dan de uitstoot van stikstofoxiden in andere sectoren. Dat blijkt uit het tweede Voortgangsrapport Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Leestijd : 5 min

Het Voortgangsrapport PAS 2025 is het tweede voortgangsrapport in het kader van het Stikstofdecreet. Het rapport focust op de evolutie van de stikstofuitstoot en -neerslag in Vlaanderen van 2015 tot en met 2023. Het beschrijft ook de voortgang van het PAS-programma en de maatregelen sinds het inwerkingtreden van het Stikstofdecreet in 2024.

Omdat het rapport enkel de emissies en deposities tot en met 2023 onder beschouwing neemt, kan er nog niks gezegd worden over het effect van de maatregelen op de stikstoftoestand. Dat komt aan bod in de eerste tussentijdse evaluatie in het voorjaar van 2027.

Uitstoot

De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) is tussen 2015 en 2023 met 39% gedaald, de uitstoot van ammoniak (NH3) nam in diezelfde periode af met 12%. Zoals ook uit andere rapporten blijkt, moet er dus nog meer voortgang gemaakt worden met stikstofreductie in de landbouwsector, waar bijna alle ammoniakuitstoot vandaan komt. De uitstoot van stikstofoxiden komt vooral van de transportsector, energieproductie en de industrie.

Bijna twee derde van de ammoniakemissies in de landbouw komt uit de stal. “De dalende emissietrend van ammoniak komt vooral door verbeterde stalsystemen en een kleinere varkensstapel (-20%)”, zegt het rapport. Voor varkens evolueert de ammoniakuitstoot (-32%) richting de decretale doelstelling in 2030.

Dit is nog niet het geval voor andere diersoorten. De ammoniakemissie uit pluimveestallen daalde niet door een ‘sterke groei’ van het aantal pluimvee (+23% in 2024). Ook de uitstoot van de rundveesector was in 2023 nagenoeg even hoog als in 2015, schrijf het kabinet van minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v). “Op basis van een verdere daling in dieraantallen tussen 2023 en 2024 (-3%) wordt die trend alvast bevestigd.”

Wel steeg de uitstoot van melkvee (+16%) en mestkalveren (+5%) in de periode tussen 2015 en 2023, terwijl de uitstoot van vleesvee daalde (-21%). Voorlopig is de 15%-reductiedoelstelling tegen 2030 voor vleesvee dus al behaald.

Neerslag

De totale stikstofneerslag op stikstofgevoelige habitats in de Vlaamse habitatrichtlijn gebieden (SBZ-H’s) daalde gemiddeld van 21,5 naar 17,0 kg stikstof per hectare per jaar (-21%). De kritische depositiewaarde (KDW) wordt in 2023 op 35% van de stikstofgevoelige habitatoppervlakte in SBZ-H’s niet langer overschreden, en voor 6 op de 10 stikstofgevoelige habitattypen is de overschrijding van de KDW ten opzichte van 2015 reeds gehalveerd in 2023.

“Dit betekent echter niet dat de depositie eind 2030 noodzakelijk lager ligt dan de KDW in dat habitattype”, aldus het rapport. Meer inspanningen zijn vooral nodig in de maatwerkgebieden het Turnhouts Vennengebied en de Kalmthoutse Heide, en habitattype zoals vennen, open grasland op landduinen, droge heide en heischrale graslanden.

Net zoals bij de uitstoot nam de ammoniakneerslag minder snel af dan de neerslag van stikstoxiden. “De uitvoering van de maatregelen in het Stikstofdecreet moet voor een trendbreuk zorgen.” Ongeveer twee derde van de stikstofneerslag komt van ammoniakuitstoot uit binnen- en buitenland. “De bijdrage van ammoniak steeg de afgelopen jaren, onder meer omdat de emissies van stikstofoxiden sneller daalden.” Maar 55% van de ammoniakdepositie in 2023 op Vlaamse SBZ-H’s komt van Vlaamse bronnen.

De daling van de stikstofdepositie in de periode 2015-2024 zorgt niet direct voor een verbetering van de staat van de natuur. Bij de meeste habitats gaat natuurherstel langzaam en beslaat het meerdere decennia, aldus het rapport. “Dat neemt niet weg dat er voor sommige habitattypen (en lokaal) wel sneller een verandering of herstel in de habitat te zien is.”

Alle terreinen met specifieke natuurdoelen voor stikstofgevoelige habitats in SBZ-H’s moeten eind 2030 via managementplannen gealloceerd worden en onder passend beheer (natuurbeheerplan of een gelijkgesteld instrument) gebracht worden. De oppervlakte stikstofgevoelige habitats binnen alle SBZ-H onder passend beheer nam toe van 40.799 ha (2022) tot 45.760 ha (2025). De openstaande taakstelling over alle SBZ-H’s heen daalde van 31% in 2022 tot 26% in 2025, maar blijft substantieel.

Eind 2025 is wel reeds in 132 deelzones al minstens één onderdeel van stikstofsanering op landschapsschaal opgestart. Tegen 2030 moeten er stikstofsaneringsprojecten zijn opgestart in 140 PAS-deelzones, om uiteindelijk tegen 2045 te landen in alle 193 PAS-deelzones tegen 2045.

Vergunningverlening

Begin 2026 zijn 813 vergunningen afgeleverd voor 807 veehouderijen. Hiervan zijn 268 veehouderijen vergund met een impactscore voor ammoniak boven de drempel van 0,025%. Het merendeel had betrekking op runderen (152). Deze exploitaties gaven in het Omgevingsloket aan tegen 2030 maatregelen te nemen die voor een reductie van 229 ton NH3-N kunnen zorgen.

Meer dan de helft van de vergunde expoitaties geeft aan (nog) niet te voldoen aan de PAS-referentie 2030. “Zij geven als belangrijkste reden aan dat de vergunning gaat over een hernieuwing van de exploitatie tot eind 2030 of eind 2025, of dat het gaat om andere diersoorten dan runderen, pluimvee of varkens.”

Er zijn ook 380 vrijstellingen van het nemen van bronmaatregelen verleend. Het gaat vooral (86%) om aangiftes van kleinschalige veehouderijen (vooral runderen), de overige aangiftes komen van biologische bedrijven.

Op 1 januari 2026 de tussentijdse reductie van 5% gerealiseerd op 1.349 exploitaties met rundvee: 734 exploitaties passen een ammoniakemissiereducerende maatregel toe, 515 verminderen het aantal dierplaatsen (al dan niet tijdelijk) en er zijn er 100 die beide doen.

De toepassing van ammoniakemissiereducerende maatregelen blijft al bij al beperkt volgens het rapport, behalve emissiearme stalsystemen. “In 2024 zit ongeveer twee derde van het pluimvee in emissiearme stallen. Bij varkens is ongeveer 45% van het aantal dieren gehuisvest in een emissiearme stal, al dan niet met een luchtwasser of een biobed in 2024.” Het aantal pluimvee en varkens in traditionele stallen zakte vooral onder impuls van de verplichting om vanaf 2004 ammoniak-emissiearme stallen te bouwen.

Flankerend beleid

Flankerend beleid moet de sector helpen de doelstellingen in het Stikstofdecreet te halen. De Vlaamse overheid heeft 46,42 miljoen euro uitbesteed in het kader van de 2 uitkoopregelingen voor varkens (2023-2024). Hierbij verminderde de varkensstapel met 370.000 varkens op 336 bedrijven. Het gaat in 90% van de gevallen om de stopzetting van varkens in traditionele stalsystemen, en de weggevallen uitstoot vertegenwoordigt ongeveer een vijfde van de reductie-opgave voor de varkenssector tegen 2030.

Sinds november 2024 konden oranje bedrijven en bedrijven in en rond maatwerkgebieden een vergoeding aanvragen om te stoppen of zich te herbestemmen. Op basis van voorlopige cijfers zijn er 45 dossiers goedgekeurd, waarvan 7 bedrijven akkoord zijn gegaan met de grootte van de vergoeding.

Voor het instapjaar 2024 werd 2,56 miljoen euro aan compensatievergoeding uitbetaald aan 76 bedrijven voor het vervroegd toepassen van nulbemesting (170,8 ha binnen SBZ-H). In totaal werd 24,9 miljoen niet-ingevulde NER voor dieren geannuleerd, waarbij 2.660 landbouwers recht hadden op vergoeding, voor een totaal van 5,36 miljoen euro.

Tussen 1 januari 2024 en 30 september van 2025 werd 3,72 miljoen euro VLIF-steun uitbetaald voor 339 investeringen. Dit ging vooral over de aankoop en registratie van mestrobots in bestaande rundveestallen.

Evaluatie van de drempelwaarden

Op 1 januari 2026 waren er in het Omgevingsloket 6.164 vergunningen geregistreerd met toepassing van de beoordelingskaders. Hiervan is 73% verleend volgens het beoordelingskader NOx mobiliteitsgerelateerde projecten, 14% volgens het beoordelingskader NOx voor stationaire bronnen en 13% op basis van het beoordelingskader NH3 voor veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties.

Op basis van de uitgevoerde analyses van de vergunningen kleiner dan of gelijk aan de drempelwaarden die sinds de inwerkingtreding van het Stikstofdecreet zijn afgeleverd tot en met 1 oktober 2025, kan worden besloten dat de huidige drempelwaarden de doelstellingen niet in gevaar brengen en dus behouden kunnen worden.

Kabinet Brouns/ThD

Lees ook in Stikstof

Meer artikelen bekijken