Startpagina Archief

Hoe vaccinatie kan helpen tegen mastitis

De uiergezondheid vormt een cruciale economische factor op elk melkveebedrijf, vaak zelfs de belangrijkste. Problemen met de uiergezondheid zijn een bron van zorg voor veel melkveehouders, omdat ze direct invloed hebben op de productiviteit en winstgevendheid. Daarom is een op maat gemaakt uiergezondheidsplan, opgesteld in samenwerking met de bedrijfs(begeleidende) dierenarts onmisbaar op elk melkveebedrijf. Vaccinatie is hierbij een nuttige tool.

Leestijd : 7 min

Een uiergezondheidsplan omvat niet alleen een behandelprotocol voor mastitisgevallen, maar benadrukt ook het belang van preventieve maatregelen. Het is daarbij essentieel dat het plan zowel behandelings- als preventiestrategieën omvat die zijn aangepast aan de meest voorkomende mastitisverwekkers op het bedrijf.

Gezien de druk om het antibioticagebruik in de (melk)veehouderij te reduceren, is het inzetten op preventie van ziekten van groot belang. Dat geldt ook voor mastitis. Het versterken van de algemene weerstand van de koe speelt hierin een cruciale rol. Het optimaliseren van het uiergezondheidsmanagement, waarbinnen vaccinatie een nuttige tool kan zijn om de afweer van de dieren tot een hoger niveau te tillen, is hierbij heel belangrijk.

Het management

Waarom krijgt koe A binnen een bedrijf nu wel mastitis (uierontsteking), terwijl koe B er nooit last van heeft? Dit hangt af van een samenspel tussen de eigenschappen van de kiem die de ernst van de ziekte bepalen, de infectiedruk (de hoeveelheid kiemen waaraan de koe is blootgesteld en die kunnen binnendringen in de uier) en de immuniteit of afweer van de koe. Om zo weinig mogelijk mastitis op het bedrijf te hebben, moet de infectiedruk zo laag mogelijk en de afweer van de koe zo hoog mogelijk gehouden worden.

Het optimaliseren van de huisvesting en de voeding kan ervoor zorgen dat de infectiedruk zo laag mogelijk en de afweer van de koe zo hoog mogelijk gehouden wordt. Denk bij huisvesting bijvoorbeeld aan het op punt stellen van de hygiëne, de afmetingen van de ligboxen en loopgangen, de ventilatie, de bezettingsgraad... Bij voeding is het belangrijk om in de verschillende lactatie- en droogstandsstadia steeds een uitgebalanceerd rantsoen te voorzien, zodat aan de eiwit-, vetzuur-, vitaminen-, mineralen- en spoorelementenbehoefte voldaan wordt.

Daarnaast is het voor de preventie van mastitis ook van belang dat andere zaken betreffende het uiergezondheidsmanagement geoptimaliseerd worden. Denk hierbij aan een goed werkende melkmachine, een correcte melktechniek, het aanwezig zijn en toepassen van het behandelplan, het opruimen van chronisch geïnfecteerde dieren en het afzonderen van zieke dieren. Ook een goede registratie van de klinische en subklinische gevallen van mastitis is belangrijk om een goed bedrijfsoverzicht te behouden. Een degelijke registratie bestaat uit: datum van detectie, datum van klinische (vrij van symptomen) en bacteriologische (de kiem is niet meer in de melk te vinden) genezing, koenummer, aangetaste kwartier, aanwezige symptomen, welke behandeling gegeven werd (ontstekingsremmers, antibiotica, infuus, drenchen, geen behandeling), en de behandelduur.

Aangeboren en verworven afweersysteem

De afweer (of immuniteit) van mens en dier is een heel complex systeem van weefsels, cellen en signaalstoffen. Het zou ons hier te ver leiden om dit volledig uit de doeken te doen. Om echter te begrijpen hoe vaccinatie werkt en hoe het inzetbaar is, is het belangrijk om de beginselen van de afweer van de koe te begrijpen. Het afweersysteem bestaat grofweg gezien uit een ‘aangeboren’ en een ‘verworven’ afweersysteem die nauw samenwerken.

Het aangeboren afweersysteem is van nature uit in elke koe aanwezig en bevat cellen en stoffen die bij de geboorte reeds paraat zijn ter verdediging van binnendringende kiemen. Dit afweersysteem is voor elke koe hetzelfde. Ook het slotgat met zijn keratineplug behoort tot dit aangeboren afweersysteem en vormt de eerste barrière tegen het binnendringen van mastitiskiemen. Het verworven afweersysteem (ook wel de adaptieve immuniteit genoemd) is daarentegen niet standaard aanwezig en ontwikkelt zich in het lichaam van de koe via een leerproces. Door in contact te komen met kiemen uit de omgeving, bouwt het verworven afweersysteem antilichamen op – je kan ze vergelijken met soldaten die paraat staan tegen indringers – die bij een volgend contact met dezelfde kiem direct in de aanval kunnen gaan. Met hoe meer verschillende kiemen de koe in contact komt, hoe groter het arsenaal aan beschikbare antistoffen ze dus zal opbouwen. De antilichamen tegen kiem A zullen dus geen bescherming bieden tegen kiem B – indringer A heeft soldaten nodig met een andere tactiek dan indringer B.

Aangezien de mastitiskiemen op verschillende bedrijven niet hetzelfde zijn, zal het verworven afweersysteem verschillen per bedrijf en zelfs per koe. Antilichamen blijven ook niet voor altijd aanwezig in het lichaam. Ze kennen bij wijze van spreken een vervaldatum waarna ze snel dalen in aantallen. Door herhaalde blootstelling aan dezelfde kiem, kan het aantal beschikbare antilichamen wel op peil gehouden worden.

Het afweersysteem in de uier stimuleren is echter niet zo eenvoudig. De antilichamen zouden al paraat moeten zijn in het uierweefsel op het moment dat een kiem de uier binnendringt. Helaas is de passage van antilichamen vanuit het bloed naar de melk moeilijk in een gezonde uier, behalve net na het afkalven (colostrum bevat wel veel antilichamen die essentieel zijn voor de afweer van het pasgeboren kalf).

Werkingsmechanisme van een vaccin

Een vaccin bestaat uit onderdelen van specifieke kiemen waartegen je de kudde wil beschermen. Door de koe te vaccineren, breng je op een gecontroleerde manier delen van de kiem binnen. De verworven afweer wordt op deze manier gestimuleerd en er worden antilichamen tegen deze specifieke kiem opgebouwd. Door het vaccineren periodiek te herhalen, worden de hoeveelheden antilichamen in de koe voldoende op peil gehouden. Het is dus belangrijk om te beschikken over voldoende bacteriologische onderzoeken van koeien met klinische en subklinische mastitis om een beeld te kunnen vormen van de meest voorkomende mastitiskiemen op het bedrijf. Enkel dan kan een juiste beslissing genomen worden richting het aanpassen van het uiergezondheidsmanagement en eventueel richting de keuze van een vaccin. De bedrijfsdierenarts is het best geplaatst om daarin advies te verstrekken.

Vaccineren biedt echter geen 100% bescherming. De kiem zal dus nog steeds kunnen binnendringen in de uier en een infectie veroorzaken. Dankzij het vaccineren beschikt de afweer van de koe wel al over voldoende antilichamen, waardoor de kiem sneller geneutraliseerd wordt. De voordelen zijn afhankelijk van welk type vaccin gebruikt wordt, of beter gezegd: tegen welk type kiem gevaccineerd wordt. Bij vaccinatie tegen omgevingsgebonden kiemen, zoals Escherichia coli of Streptococcus uberis, mag verwacht worden dat de koe minder ernstige symptomen zal vertonen bij klinische mastitis en dat er een minder groot verlies van melkproductie zal optreden. De kosten die met mastitis gepaard gaan, zullen dus dalen.

Wanneer tegen besmettelijke (de zogenaamde koegebonden) infecties, zoals Staphylococcus aureus, gevaccineerd wordt, kan de duurtijd van de infectie ingekort worden. Algemeen zal de kans op uitscheiding naar de rest van de kudde verkleinen. Vaccineren kan dus het dierenwelzijn bevorderen, het vervroegd afvoeren van koeien voorkomen en kan zo algemeen de kosten doen dalen, door onder andere minder spreiding van de kiem, minder antibioticabehandelingen en sneller herstel van de melkproductie. Het is dus belangrijk om in te zien dat vaccineren geen wonderoplossing is ter compensatie van een minder goed uiergezondheidsmanagement op een bedrijf.

Beschikbare vaccins

In België zijn er 2 vaccins beschikbaar: een vaccin tegen S. uberis (Ubac van Hipra) en een combinatievaccin tegen S. aureus en E. coli (Startvac van Hipra). Beide vaccins moeten driemaal toegediend worden in het eerste jaar van vaccinatie en moeten elke lactatie herhaald worden.

De werking van het Ubac-vaccin werd experimenteel onderzocht door 25 koeien in 2 groepen onder te verdelen. In de eerste groep werden 13 koeien gevaccineerd volgens het protocol in de bijsluiter. De eerste dosis werd gegeven tussen 57 en 63 dagen voor de verwachte afkalfdatum, een tweede dosis werd 39 dagen later toegediend. De tweede groep, bestaande uit de overige 12 koeien, kreeg geen vaccin toegediend. Veertien dagen na het afkalven werden alle 25 koeien met S. uberis-kiemen ingebracht in 2 kwartieren en werd het effect hiervan opgevolgd. Bij alle 25 koeien werd mastitis vastgesteld in de kwartieren die S. uberis toegediend kregen, maar de 13 koeien die gevaccineerd waren, toonden duidelijk minder ernstige symptomen (lager celgetal, lagere lichaamstemperatuur en minder uitgesproken daling van de melkproductie) dan de groep die niet werd gevaccineerd (Bron: Collado et al., 2018).

In het Verenigd Koninkrijk werd de werking van het Startvac-vaccin getest op 3130 koeien. Ook hier werden verschillende groepen vergeleken: 1 groep waarbij de koeien gevaccineerd werden volgens het protocol in de bijsluiter (op 45 dagen voor de verwachte afkalfdatum, 35 dagen na de eerste toediening en op 52 dagen na het kalven), 1 groep waarbij de koeien gevaccineerd werden volgens een alternatief protocol (op de dag van het instappen in de studie, 28 en 62 dagen later en daarna elke 90 dagen) en 1 groep die niet werd gevaccineerd. Alle koeien werden de eerste 120 dagen in lactatie opgevolgd. Men zag dat ook de gevaccineerde koeien nog mastitis kregen, maar dat de gevaccineerde koeien veel minder ernstig ziek werden dan de koeien die niet gevaccineerd waren. Daarnaast waren zowel de melkproductie (gemiddeld 231 l meer) als de melkkwaliteit (vet- en eiwitgehalte (gemiddeld 12,36 kg meer)) beter bij de gevaccineerde koeien in vergelijking met de niet- gevaccineerde koeien (Bron: Bradley et al., 2015).

Daarnaast werd ook de werking van Startvac op specifiek S. aureus en niet-aureus stafylokokken (NAS) onderzocht. Deze studie toonde aan dat dieren die gevaccineerd waren, minder lang geïnfecteerd waren bij infectie met een S. aureus of een NAS en dat er minder spreiding van de kiemen kon plaatsvinden (Bron: Schukken et al., 2014).

In de kader vind je de praktische adviezen hoe je vaccinatie het best aanpakt.

Lien Creytens (UGent)

Actueel

Natuurherstelwet toch binnen bereik na bocht van Oostenrijk

Actueel De Europese natuurherstelwet maakt dan nog toch kans de eindstreep te halen. Oostenrijk maakt een ommezwaai en lijkt de omstreden wet toch aan genoeg steun van de EU-landen te helpen. Vandaag komt de tekst ter sprake op een bijeenkomst van de Europese ministers van Milieu in Luxemburg.
Voir plus d'articles
Meest gelezen