Startpagina Granen

Ziektebeheersing in granen vergt geïntegreerde aanpak

Tijdens de voorbije graanavonden afgelopen winter blikten medewerkers van het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) Bram Vervisch, Jonas Claeys en Mathijs Hast terug op ervaringen van vorig jaar. Hieruit trekken ze lessen voor het komende teeltseizoen.

Leestijd : 8 min

Na de natte winter van 2024-2025 werd het vanaf begin maart 2025 droog. Ook april en mei kenden zeer lange, droge periodes, waarin er amper een druppel neerslag viel. De maand maart 2025 was zelfs de derde droogste maart sinds de metingen. Het was niet enkel droog, maar ook heel zonnig. Dat was een meevaller, want fotosynthese vraagt zonlicht voor een goede gewasproductie.

Klimaat beïnvloedt ziektedruk

Opmerkelijk was dat zowel 2024 en 2025 zeer warme jaren waren, maar dat ze een groot verschil lieten zien wat betreft neerslaghoeveelheid. Het verschil is nog nooit extremer geweest. Die extremen gaan we volgens de medewerkers van het LCG vaker zien optreden door de klimaatevolutie en gaan hun impact hebben op de ziekteverschijnselen in de graanteelt.

Zo vraagt dwergroest bijvoorbeeld een hoge temperatuur, in combinatie met vochtige omstandigheden. Aan dat laatste ontbrak het vorig jaar, waardoor deze ziekte minder manifest aanwezig was. De bladvlekkenziekte rhynchosporium vraagt dan weer een koel en nat voorjaar, ook dat kenden we vorig jaar niet... Om een landelijk overzicht van de ziektedruk te bekomen, worden er op verschillende locaties proeven aangelegd door het LCG. Vorig jaar werd zo gezien dat op de proeflocaties in Koksijde en Lennik amper dwergroest opdook, terwijl dit net weer sneller te zien viel op de locatie in Tongeren.

De lage ziektedruk van 2025 beïnvloedde dan ook het onderzoek naar de werkzaamheid van fungicideschema’s Nog vorig jaar werd door de lage ziektedruk de wintergerst op de proeflocaties maar eenmaal behandeld met fungiciden, namelijk in de fase van het laatste blad. Het graangewas heeft in 2025 duidelijk deugd gehad van de warme omstandigheden en groeide hierdoor sneller. Daardoor was het groeiseizoen vlugger voorbij en hadden we een vroege oogst.

Door warmere temperaturen  lijkt bruine roest vroeger in het voorjaar voor te  komen.
Door warmere temperaturen lijkt bruine roest vroeger in het voorjaar voor te komen. - Foto: LCG

Middelencombinaties samenstellen

Het proefopzet bij de ziektebestrijding vertrekt vanuit commercieel beschikbare schema’s, die vlot in de landbouwpraktijk voorhanden zijn. In wintergerst wordt de basis inzake ziektebestrijding gelegd door SDHI-middelen te spuiten in combinatie met andere middelen. Iedere actieve stof heeft een werkzaamheid tegen graanziektes, en wisselt dus tussen actieve stoffen. Een doordachte middelenkeuze is dus belangrijk om de aanwezige ziekte te behandelen. Dankzij de combinaties van middelen worden hun sterke punten gecombineerd, wordt aan een duurzaam resistentiemanagement gedaan en bekomen we een veel betere ziektebeheersing met een langere nawerking. We blijken nog wat middelen te hebben die goed werken tegen dwerg-roest en rhynchosporium. Moeilijker wordt het om de netvlekkenziekte en zeker ramularia te beheersen met het huidige middelenpakket.

Om de werkzaamheid van de graanfungiciden te beoordelen, werd de kilogramopbrengst van ieder gespoten middelencombinatie gemeten. Hier werd gezien dat door de klimatologische omstandigheden tijdens het vorige groeiseizoen (vooral warm en droog) het onbehandelde object eigenlijk al een behoorlijk opbrengstniveau had. Nog een conclusie luidt dat waar er 3 actieve stoffen in de tankmix zaten, het hoogste opbrengstniveau werd gezien. Andere schema’s met 2 actieve stoffen lagen qua opbrengstniveau zeer sterk in elkaars buurt.

Je weet vooraf niet welk seizoen je krijgt én je moet rekening houden met het resistentiemanagement, klinkt het. Wissel hiervoor middelen uit verschillende chemische groepen af en combineer middelen, luidt het gouden advies.

Als er vroeg in het voorjaar meeldauw en/of rhynchosporium optreedt, kan een T1-bladbehandeling uitgevoerd worden in het eerste knoopstadium. De middelen met de beste werkzaamheid tegen meeldauw zijn op basis van cyprodinil of fenpropidine en tegen rhynchosporium met middelen op basis van spiroxamine of een triazool.

De focus in wintergerst is de behandeling tegen ramularia, omdat eens het in het gewas is, er geen middelen zijn om het te bestrijden. Er moet dus preventief opgetreden worden. Een T2-behandeling om het (voor)laatste blad te beschermen is dan cruciaal. De basis in dit tijdstip bestaat uit triazolen + een SDHI voor een brede werking en preventief tegen ramularia. Indien nodig, kan dit aangevuld worden met een derde werkingsspectrum. Tegen dwergroest scoren de middelen op basis van strobilurine goed, voor netvlekkenziekte is het specifiek pyraclostrobine.

Gewasrotatie en rassenkeuze zijn cruciaal

Bij de ziektebestrijding in wintertarwe werd allereerst opgemerkt dat een vroege zaai en een groeizaam najaar zorgen voor meer biomassa in de winter en voor meer overwinterend infectiemateriaal. Een ruime gewasrotatie verlaagt de ziektedruk, zeker bij bodemgebonden graanziekten. De gewasrotatie blijft een essentiële preventieve maatregel, stelt het LCG.

Voornoemde teelttechnische maatregelen bepalen het uitgangsniveau van de infectie. Een andere parameter die van belang is bij de ziektebeheersing in granen, is de rassenkeuze. Welk ras gezaaid wordt, bepaalt welke ziekten het eerst optreden, net als de snelheid en ernst waarmee de ziekteaantasting toeslaat. Het LCG merkt jaarlijks dat gevoelige rassen een vroegere en zwaardere ziekteaantasting laten zien.

De teelttechniek en de rassenkeuze, daar heeft de graanteler invloed op, op de klimatologische omstandigheden niet, bemerken ze fijntjes bij het LCG. De voorjaarsomstandigheden sturen de infectiedruk heel sterk. Afwisselende regenbuien of langdurige natte perioden en de bijhorende bladnatperiode zijn sterk bepalend voor welke ziekten zich het eerst of sterkst manifesteren in het graangewas.

Septoria is altijd aanwezig in het graangewas en komt bij meer neerslag intenser voor. Een natte lente betekent hier extra druk. Roesten zijn dan weer sterk temperatuur-, neerslag- en rasafhankelijk.

Laatste blad gezond houden

Het proper of gezond houden van het laatst gevormde blad is heel belangrijk, omdat meer bladgroen zorgt voor meer fotosynthese en dus voor een hogere opbrengst. Septoria verspreidt zich door de neerslag mee van onderen naar boven in het gewas. Gele roest duikt dan weer plots op en kan agressief toeslaan via luchtsporen. Bruine roest komt doorgaans later in het teeltseizoen voor. Door de warme temperaturen die nu vroeger in het voorjaar voorkomen, wordt echter gezien dat bruine roest ook sneller optreedt.

De actieve stoffen voor de ziektebeheersing in granen zijn in een vijftal groepen ingedeeld op basis van hun werkzaamheid, te weten: triazolen, picolinamides, strobilurines, SDHI’s en multisites. De triazolen werken zowel curatief als preventief. Ze vormen de basis in de ziektebeheersing en zijn de belangrijkste groep voor wintergranen. In de proefveldwerking werden vorig jaar, mede door de seizoensinvloed, maar weinig verschillen gezien in de diverse middelencombinaties die gespoten werden.

Inzake het optreden van septoria wordt een snelle aanpassing van de schimmel gezien. Daarom moet er veel aandacht besteed worden aan de resistentieproblematiek. Septoria heeft, naast een gekende resistentie tegen SDHI’s, een toenemende resistentie tegen triazolen. Er werd tot op heden geen resistentie vastgesteld tegen fenpicoxamide, folpet en kaliumfosfanaat.

Bij het bestrijden van de roesten moet ook hier de middelenkeuze afgestemd worden op de ziekte. Triazolen en strobilurines zijn over het algemeen nog effectief. Op gele roest werken tebuconazool en azoxystrobine nog goed, op bruine roest is dit pyraclostrobine. Voor de beheersing van bruine roest wordt ook verwezen naar de rassenkeuze. Hier zal meer aandacht op moeten komen te liggen.

Werken rond onderzoeksvragen

Het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen en partners werkten ook vorig teeltseizoen weer rond enkele onderzoeksvragen. Zo werd bekeken welk tijdstip het grootste effect heeft om te behandelen, welk ras hierop het sterkst reageert en of de meeropbrengst wel financieel interessant is. Tijdens de graanavonden van afgelopen winter werd duiding gegeven bij het onderzoek.

Door de uitzonderlijke klimatologische omstandigheden van vorig jaar zijn er wel slechts minimale verschillen gezien tussen de beproefde middelencombinaties. Bij een ziektegevoelig ras wordt globaal genomen steeds gezien dat een ziektebehandeling telkens een meeropbrengst oplevert. Die meeropbrengst is heel wat beperkter als er behandeld wordt in een ziektetolerant ras.

Het feit dat tolerante rassen al een betere ‘basisgezondheid’ hebben ten opzichte van gevoelige rassen, zorgt ervoor dat er weinig toename in gezondheid is tussen het behandelen van een gevoelig ras ten opzichte van een tolerant ras. Dat blijkt uit de waarnemingen.

Het LCG benadrukt dat zeker het laatste blad goed beschermd moet worden, omdat dit blad het meeste bijbrengt aan de fotosynthese en dus aan de gewasopbrengst. Gekeken naar het financiële effect, stelt het LCG dat een gevoelig ras intensiever behandeld moet worden tegen gewasziektes, willen we een behoorlijke opbrengst halen. De kostprijs van de toepassing wordt gecompenseerd door de meeropbrengst. Bij een tolerant ras is het financieel rendement van een ziektebehandeling heel wat beperkter, geeft proefveldonderzoek aan. Daardoor lonen intensieve schema’s doorgaans niet. Een gerichte behandeling rendeert daarentegen wel. Het gaat dus om een optimale opbrengst, zodat de meeropbrengst opweegt ten opzichte van de kosten van het behandelingsschema.

Als er vroeg in het voorjaar meeldauw optreedt, kan een T1-bladbehandeling aangewezen zijn.
Als er vroeg in het voorjaar meeldauw optreedt, kan een T1-bladbehandeling aangewezen zijn. - Foto: LCG

Behandelen is noodzakelijke investering

De conclusie die gepresenteerd werd tijdens de graanavond luidde dat behandelen altijd een noodzakelijke verzekering is. Hoe intensief behandeld moet worden, hangt af van de rassenkeuze en de voorjaarsomstandigheden. Een gevoelig ras moet intensiever behandeld worden en zal ook meer baat hebben bij de behandelingen. De meeropbrengst van de bespuitingen is niet altijd financieel even interessant door het grote rassenverschil dat er is. De medewerkers van het LCG hameren erop dat de rassenkeuze de parameter is die de graanteler wél in de hand heeft. De tijdstippen ‘vlagblad 1’ en ‘aarschuiven’ zijn de meest zekere momenten om een ziektebehandeling te doen.

In zijn advies voor teeltseizoen 2026 geeft het LCG mee dat de ziektebestrijding simpelweg maatwerk wordt. Hou rekening met rassenkeuze en voorjaarsomstandigheden. Een lage ziektedruk door specifieke klimatologische omstandigheden zorgt ervoor dat we kunnen terugvallen op een eenvoudigere spuitstrategie. Is er meer neerslag en warmer weer, dan kan de ziektedruk hoger zijn en moeten we terugvallen op een intensiever spuitschema.

Concluderend stellen de medewerkers bij het LCG dat de ziektebestrijding in granen geïntegreerd aangepakt moet worden. Het juiste ras kiezen, de karakteristieken hiervan kennen, én zeker de zwakke punten ervan, is nodig om naar de optimale opbrengst te streven. De ziektebehandeling moet afgestemd worden op het ziektebeeld, op het actuele klimaat en en op het ontwikkelingsstadium van het gewas. Met het oog op het resistentiemanagement moeten actieve stoffen afgewisseld worden en moeten middelen met verschillende werkingsmechanismen gecombineerd worden. Gebruik middelen zeker niet solo, doordachte schema’s zijn cruciaal voor een duurzame ziektebeheersing, klinkt het bij LCG.

De timing van de ziektebehandeling is cruciaal, naast een goede productkeuze. Intensieve behandelingsschema’s lonen niet ieder jaar voor elk ras.

Septoria is altijd aanwezig in het graangewas en komt bij meer neerslag intenser voor.
Septoria is altijd aanwezig in het graangewas en komt bij meer neerslag intenser voor. - Foto: LCG

Fluor versterkt de werking

Tot slot werd tijdens de graanavond nog even stilgestaan bij de PFAS-houdende middelen die in de graanteelt gebruikt worden. De letter ‘F’ staat in deze afkorting voor fluor. Dit chemisch element verhoogt de werkzaamheid van andere stoffen, waardoor met minder product dezelfde werkzaamheid wordt bekomen. Van alle PFAS-houdende producten die in België worden aangewend, neemt het fytogebruik maar 5% in. Medische machines, textiel, meubelbekleding, leer… dragen voor het merendeel bij aan het PFAS-verbruik in ons land. Toch ontlopen gewasbeschermingsmiddelen het oog van de storm niet. PFAS zit in herbiciden, insecticiden en fungiciden die momenteel in de graanteelt gebruikt worden. Hoe de herziening van alle erkenningen gaat aflopen, is nog niet geweten.

Goed nieuws is wel dat in de herfst van volgend jaar 2 nieuwe erkenningen voor herbiciden worden verwacht. In 2027 en 2028 mogen we nog nieuwe erkenningen voor fungiciden verwachten. In de tussentijd zijn we aangewezen op het inzetten op teelttechnische aspecten, zoals het inwerken van gewasresiduen. Ook de gewasrotatie verruimen en oog hebben voor de rassenkeuze vallen hieronder. Verder wordt gewezen op het vermijden van extreme gewasgroei voor de winter. Het zaaitijdstip aanpassen in de mate van het mogelijke helpt hierbij.

Tim Decoster

Lees ook in Granen

Meer artikelen bekijken