Dirk Jan Beuling: “Het kan hier stuiven als in de woestijn”
In het Nederlandse 1e Exloërmond in de Drentse Veenkoloniën heeft de familie Beuling haar akkerbouwbedrijf. Op de 235 ha die zij bewerken, proberen zij de teelt zo veel mogelijk te optimaliseren. Ze maken gebruik van niet-kerende grondbewerking en passen papierpulp toe op stuifgevoelige percelen. Vorig jaar gooide de familie het roer volledig om. Sindsdien passen ze een veel ruimere vruchtwisseling toe.

Akkerbouwer Dirk Jan Beuling ging in 1991 in maatschap met zijn ouders. Zeven jaar later nam hij het bedrijf volledig over. “In 2016 zijn wij veranderd in een bv, omdat dat onder meer fiscaal gunstig is. We deden dit ook in verband met onze zoon Rik, die het bedrijf op termijn gaat overnemen”, aldus Dirk Jan. De afgelopen decennia is het bedrijf geleidelijk gegroeid. In 1990 had de familie Beuling zo’n 80 ha, rond 1998 zo’n 120 ha en momenteel dus 235 ha. Van die 235 ha is 220 ha eigendom en 15 ha bestaat uit pachtgronden. Dirk Jan: “De reden om fors te groeien is om het bedrijf door te ontwikkelen en toekomstbestendig te houden voor de volgende generaties, continuïteit dus. In 1991 hadden wij bijvoorbeeld het geluk dat het akkerbouwbedrijf van onze buurman te koop kwam te staan.” Verder had de familie het geluk dat er in de jaren 90 een herinrichtingsproject in de Veenkoloniën was. Daardoor konden zij een veel gunstiger kavelindeling krijgen. Vandaar dat de eigen 220 ha nu mooi verdeeld is over 4 blokken die niet ver van de thuislocatie liggen. De akkerbouwer is overigens geen onbekende in de akkerbouwsector in Nederland. Hij was maar liefst 10 jaar bestuurder bij de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) voor de akkerbouwsector.
6 à 12% organische stof
Dat het gebied ten zuidoosten van Groningen waar de familie Beuling woont ‘de Veenkoloniën’ heet, komt omdat zo’n 175 jaar geleden het enorme veengebied dat op deze plaats lag, werd afgegraven voor turfwinning. Toen zo goed als alle turf afgegraven was, werden deze zandgronden ontgonnen voor de akkerbouw. Dirk Jan: “Mijn overgrootvader is hier dus als kolonist begonnen met 28 ha. Dat hierboven ooit een veenkussen lag, zie je nog terug in onze gronden. In onze grond zit een gemiddeld organischestofpercentage van tussen de 6 en 12% Hier even verderop heb je zelfs percelen met 35% organische stof.”

De belangrijkste gewassen die de vader van Dirk Jan teelde, waren zetmeelaardappelen (18 ha), graan (15 ha) en suikerbieten (zo’n 3 ha). “In het begin had mijn vader ook nog melkvee, maar dat heeft hij na 2 jaar weggedaan. Veel vruchtwisseling had je in die jaren nog niet. De rotatie was meestal 1-op-2. In die tijd had je ook nog veel meer werk, omdat je nog meerkiemig bietenzaaizaad had.” Na de overname in 1998 gooide Dirk Jan het roer niet heel erg om. Hij bleef in de lijn van zijn vader boeren. Tot 2024 teelde hij op 50% van zijn percelen, op 110 ha dus, zetmeelaardappelen. Die gaan naar verwerker Royal Avebe. Door de omschakeling naar een extensievere aardappelteelt teelde de akkerbouwer in 2025 op 75 ha zetmeelaardappelen en op 17 ha frietaardappelen voor CêlaVíta. Dirk Jan: “CêlaVíta ging echter failliet, waardoor ik met 17 ha frietaardappelen in de opslag zat. Gelukkig heb ik de partij via via toch weten te verkopen.”
Roer volledig omgegooid
Dirk Jan besloot in de herfst van 2025 om het roer volledig om te gooien. Vandaar dat hij nu een geheel nieuwe aanpak heeft. Die houdt in dat alle percelen zijn opgedeeld in blokken van 13 tot 15 ha groot. De rotatie van de gewassen is nu óf 1-op-8 óf 1-op-4. Dirk Jan: “Bij de zaai-uien en een blok voor experimenten is het bijvoorbeeld 1-op-8 en bij de granen, zetmeelaardappelen en suikerbieten is het 1-op-4. Een veel ruimere vruchtwisseling dan voorheen dus. Of deze nieuwe strategie gaat werken, dat weet ik eigenlijk pas over een paar jaar.” Het is zowel teelttechnisch als prijstechnisch best lastig om keuzes te maken volgens de akkerbouwer. “Het ziet ernaar uit dat de suikerbieten in het komende seizoen geen hele goede prijzen zullen krijgen en de zetmeelaardappelen wel, maar het blijft natuurlijk altijd afwachten.”
Op maar liefst een kwart van de 220 ha wordt dit seizoen graan geteeld. Het graan telt als rustgewas voor de mestwetgeving. Dirk Jan: “Wat dit onderdeel betreft, is de diverse wetgeving ook heel lastig. Volgens het nu nog geldende Nederlandse ‘7e actieprogramma Nitraatrichtlijn’ moet je voldoen aan 1-op-4 rustgewassen. De EU-waterkwaliteitsnorm voor nitraat is namelijk 50 mg/l. Maar als ik aan de ecoregeling 2026 wil voldoen, dan moet ik een rotatie hebben van minimaal 1-op-3. Aan deze ecoregeling kan ik dus, op basis van onze keuzes, nooit voldoen. En dat vind ik wel lastig. Op deze manier kan ik nooit een mooi gebalanceerde vruchtopvolging realiseren.” En doordat de akkerbouwer niet mee kan doen aan de ecoregeling, loopt hij wel zo’n 200 euro per hectare mis. Dirk Jan: “En dat is hier in de Veenkoloniën in onze omstandigheden een flink bedrag kan ik je zeggen.” Dat is ook de reden waarom de akkerbouwer het bouwplan volledig omgegooid heeft. “Ik moét wel hoge opbrengsten realiseren om goed te kunnen blijven draaien.”
Altijd hoge onkruiddruk
Een ander nadeel van de veenkoloniale gronden is dat ze over het algemeen onkruidgevoelig zijn. Dat komt omdat het woeste gronden waren met veel onkruidzaden. Dirk Jan: “Het probleem is dat die onkruidzaden nog volop aanwezig zijn in deze gronden. En omdat wij natuurlijk steeds minder middelen mogen gebruiken, wordt die onkruiddruk alleen maar hoger.” Wat het bouwplan betreft, kiest de akkerbouwer dit jaar dus voor zaai-uien in een rotatie van 1-op-8. Vorig jaar had hij ook waspeen in zijn bouwplan, maar door marktomstandigheden zoekt de akkerbouwer nu een ruilpartner voor dit areaal. “Bijvoorbeeld een die maïs wil telen op deze gronden en dat we dan de mest kunnen uitruilen.”
Vorig jaar had de Nederlandse akkerbouwer dermate last van aaltjes op zo’n 13 ha grond, dat hij een drastische maatregel uit de Nederlandse bloembollenteeltpraktijk toepaste, namelijk het volledig onder water zetten van de percelen. “Gelukkig is de situatie met aardappelmoeheid door deze maatregel sterk verbeterd.”
Verschillende groenbemesters
Als groenbemester zaaide hij 75 ha rogge. Deze rogge komt na de zaai-uien en suikerbieten. Op dit roggeperceel lopen momenteel schapen. “Ik laat er schapen op lopen, omdat er anders te veel groenmassa op het land komt, zoveel dat het amper is onder te werken. Rogge groeit namelijk zo hard dat zelfs deze kudde schapen het amper kort kan houden.”

De groenbemester tagetes, die hij in juli 2025 zaaide, heeft hij onlangs gehakseld, zodat hij deze binnenkort onder kan werken. De tagetes wordt uiteraard ook ingezet om het wortellesieaaltje Pratylenchus penetrans tegen te gaan. Nadat de tagetes is ondergewerkt, zaait hij hier begin april de zaai-uien in. De akkerbouwer zaait vervolgens groenbemesters na de zaai-uien en het graan. Naast tagetes en rogge zet hij ook bladrammenas en Japanse haver in. Volgens Dirk Jan is het belangrijk om dergelijke groenbemester te mogen bemesten, om zo daadwerkelijk deze stikstof na te leveren aan het volggewas.

“Bij het toekomstige ‘8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn’ wordt het spannend of deze keuze behouden blijft. Als het wegvalt, dan komt wel de goede landbouwpraktijk in het gedrang.” Welke groenbemesters hij inzaait, is afhankelijk van 3 zaken: de oogstomstandigheden van het graan, de omstandigheden van het perceel zelf en het seizoen.
Veel opslagcapaciteit
In de bieten wil de Nederlandse akkerbouwer scherper bemesten. “Het dilemma is dat het gewas bij te weinig mest niet op tijd gesloten is en dat onkruid meer kans op slagen krijgt. Op deze zand-gronden heb je een flink ‘bladapparaat’ nodig, omdat de onkruiddruk anders nóg hoger is. Maar te veel bemesten is ook niet goed, omdat dit het suikergehalte niet ten goede komt. Dat is ook de reden dat ik de komende jaren op zoek ga naar suikerbiet-rassen die met een lagere mestgift toch een snelle loofgroei geven.” Het eerste gewas dat hij gaat planten dit jaar is het aardappelpootgoed, vermoedelijk begin april.
Akkerbouwbedrijf Beuling heeft ook veel opslagcapaciteit. Er is een opslag van 2.800 ton losgestort voor de zetmeelaardappelen. Een deel hiervan ligt nu, halverwege maart, nog vol. “Deze partij gaat binnenkort naar Royal Avebe.” Daarnaast heeft het bedrijf nog 2.500 ton opslag voor uien. 1.250 ton daarvan is losgestort en 1.250 ton is kistenopslag. Dirk Jan: “Wat de uien betreft, hebben wij ook ruimte voor de opslag van uien van derden.” De suikerbieten en de zomer- en wintergerst gaan direct af land. Het akkerbouwbedrijf heeft ook een grote mestopslag van maar liefst 5.000 kuub. Dirk Jan: “Wij werken al jarenlang samen met een intermediair en hebben daar inmiddels een goede relatie mee opgebouwd.”
Papierpulp tegen stuiven
Omdat in het noorden van Nederland akkerbouwers op zandgronden in droge voorjaren vaak last hebben van harde winden die het zand van de akkers doen opwaaien, gebruiken zij vaak drijfmest of papierpulp om dit tegen te gaan. Dirk Jan kiest daarbij voor papierpulp. “Ik kan je zeggen, het kan hier stuiven als in de woestijn, alleen dan geen wit zand, maar zwart zand.” En hij past niet alleen papierpulp toe op zijn stuifgevoelige percelen (vooral bij de zaai-uien en de suikerbieten), hij is zelfs een van de regionale papierpulpproducenten. Als we naar deze locatie rijden, laat hij de silo’s zien waarin de papierpulp geproduceerd wordt. “Kijk, de silo’s zitten nu helemaal vol. Wij zijn klaar om te leveren zodra collega-akkerbouwers de papierpulp nodig hebben.” In totaal is er in 2025 zo’n 22.000 ton papierpulp gemaakt.

25 jaar zonder ploegen
Je zou denken dat de Nederlandse akkerbouwer alle groenbemesters onderploegt, maar dat is niet het geval. “Ik ploeg al, ik schat, inmiddels zo’n 25 jaar niet meer. Bij de zetmeelaardappelen bewerken wij het land met een vastetandcultivator met een plantmachine erachter. En bij de zaai-uien en de suikerbieten bewerken wij het land zelf met een roterende spitmachine en laten we onze loonwerker daarna inzaaien.” Ook het graan wordt door de akkerbouwer zelf gezaaid met een combinatie van een vastetandcultivator met een zaaimachine erachter. Al ploegt hij niet meer, toch verwacht Dirk Jan dat hij op termijn wel weer zal gaan ploegen. “Als er nog meer herbiciden verboden worden, dan wordt de onkruiddruk dermate hoog dat ik wel weer zal moeten gaan ploegen.”
Nieuwe generatie staat klaar
Omdat de volgende generatie al staat te trappelen om het over te nemen, houdt Dirk Jan ook sterk rekening met de wensen van zijn zoon Rik. Dirk Jan: “Het idee om met rotaties van 1-op-4 en 1-op-8 te gaan werken komt dan ook van hem, evenals het tijdelijk onder water zetten van die problematische 13 ha.” En ook de splinternieuwe hightech EcoRobotix-spuitrobot die plaatsspecifiek kan bespuiten, is een idee van Rik. Volgens de Drentse akkerbouwer zal het voor Rik in de toekomst nog wel zoeken zijn hoe alles vorm te geven. “De grondprijzen stijgen ook hier, inmiddels zitten die ook al op zo’n 10 tot 12 euro/m2. De opbrengsten zullen niet meer worden verwacht ik, dus het zal steeds moeilijker worden om de hectare die je aankoopt terug te verdienen.” De opvolger zet in ieder geval stevig in op een gezonde bodem, aangezien hij meedoet aan de Biodiversiteit Monitoring Akkerbouw (BMA). Dirk Jan: “Dit betekent dat wij al onze percelen hebben laten onderzoeken en bemonsteren in het kader van de Nitraatrichtlijn.”
Wat Brussel betreft, wijst Dirk Jan erop dat de EU-wetgeving wel in overeenstemming moet zijn met de Nederlandse wetgeving. “Dat moet wel op elkaar afgestemd zijn, anders kunnen wij geen functionele bedrijfsvoering toepassen. En er moet wel een level playing field zijn binnen de EU. Verder moeten er wel middelen overblijven voor de akkerbouw in Europa. Anders heb je zelfs aan een EcoRobotix, hoe geavanceerd die robot ook is, niets.”





