Startpagina Verwerking Belgische producten

Verwerkende nijverheid is sterk in meerwaardecreatie

Volgens de cijfers van Statbel werden in 2025 niet minder dan 4,4 miljoen ton aardappelen, 950.000 ton varkensvlees en 4,38 miljard l melk in ons land geproduceerd. Een groot aandeel hiervan wordt gebruikt in de verwerkende nijverheid. Anneleen Vandewynckel, directeur van de federaties Fenavian en Brema, vertelt ons hoe belangrijk dat is.

Leestijd : 7 min

Anneleen Vandewynckel is een bezige bij. Ze vertegenwoordigt in de eerste plaats de stem van Fenavian, de federatie van de verwerkende nijverheid van vlees en andere eiwitten, en van Brema, de sectorfederatie van de bereide maaltijden in België. Daarnaast is ze lid van diverse werkgroepen binnen en buiten de agrovoedingssector, van onderzoeksinstellingen, van de HRZKMO (Hoge Raad voor Zelfstandigen en kmo’s), Fevia (Federatie van de Voedingsindustrie), VLAM (Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing) en Unizo (Unie van Zelfstandige Ondernemers).

“Met Fenavian en Brema behoren wij tot sectoren die de meerwaardecreatie vertegenwoordigen binnen de agrovoedingssector in België”, steekt Anneleen Vandewynckel met enige trots van wal. “Wij pakken heel wat dossiers gezamenlijk aan met de andere actoren binnen de agrovoedingssector, zoals de groente- en aardappelsector (FVP House), de veevoedersector (Belgian Feed Association, BFA), de federatie van het Belgische Vlees (Febev), de vereniging van Industriële Pluimveeslachterijen (VIP), de vakvereniging van Belgische Kalverhouders (BVK) en het Nationaal Verbond van Pluimveeslachthuizen en Vleesuitsnijderijen (NVP). Ook het Agrofront, dus de landbouworganisaties, is een belangrijke gesprekspartner.”

Ik moet toegeven dat Brema een onbekende federatie is in dit verhaal. “Brema vertegenwoordigt 66 bedrijven. En in België vertegenwoordigt deze markt 208.500 ton bereide maaltijden. En die gebruiken daarvoor heel wat Belgische landbouwproducten”, benadrukt Anneleen Vandewynckel. “Denk daarbij aan vlees, groenten, aardappelen, fruit, vis; alle componenten om een maaltijd te bereiden. De link met de Belgische landbouw is daarbij essentieel.”

Belgische verankering

“De leden van Fenavian en Brema zijn veelal familiebedrijven. Dat is heel karakteristiek binnen onze sector.” In de vergaderzaal waar ons gesprek plaatsvindt, zijn de muren trouwens gedecoreerd met prachtige oude foto’s van veeopkopers, beenhouwerijen en slagerijen, vaak de groot- of overgrootouders van de huidige generatie ondernemers. “Er zijn weinig sectoren die zo Belgisch verankerd zijn als de vleesverwerking, maar dat wordt niet zo ervaren door de buitenwereld. Slechts weinig mensen zien spontaan ‘charcuterie’ als iets typisch van hier.”

Vandewynckel wikt en weegt haar woorden wanneer ze producten aanhaalt waar elke Belg wél trots op is. “We zijn wereldwijd befaamd voor onze chocolade, wafels en ons bier, maar de basisgrondstoffen hiervoor komen vaak niet van bij ons… Wel zijn we natuurlijk meester in het maken van chocolade, wafels en bier, en daar kunnen we natuurlijk wel trots op zijn.”

Al snel uit Anneleen Vandewynckel hoe fier zij zelf is op onze vleeswaren. “De vleesverwerkende sector is duurzaam avant la lettre. Wij creëren een meerwaarde van elk varken dat hier geslacht wordt. De verwerkingstechnieken en recepten worden nog steeds van generatie op generatie doorgegeven. Wij hebben het breedste gamma charcuterie ter wereld. De leveranciers van de grondstoffen hiervoor zijn bij voorkeur Belgisch. De nabijheid van onze toeleveranciers is immers belangrijk, omdat er met verse producten wordt gewerkt. De houdbaarheid ervan is immers beperkt. Onze kwalitatieve Belgische grondstoffen zijn noodzakelijk om er kwalitatieve vleesproducten van te maken. Onze vleesverwerkers kénnen ons Belgisch vlees dan ook door en door.

Lastenboek is bepalend

De verwerkende nijverheid moet wel rekening houden met de lastenboeken van hun klanten. Vandewynckel: “Wij zien de laatste jaren op dat vlak wel enige verschuivingen. Heel wat landen worden protectionistischer. Franse afnemers vereisen meer en meer Franse grondstoffen. Engelse klanten vragen dan weer om producten van het Red Tractor-label te gebruiken. Vlees met dat lokale label komt dan naar hier, onze ondernemers moeten de meerwaarde creëren en het verwerkte vlees keert dan terug naar Engeland. Heel duurzaam is zo’n productie natuurlijk niet, als je dat vergelijkt met de verwerking van Belgisch vlees in eigen land. Maar als producent moet je volgen, anders ben je een klant kwijt.”

Vandewynckel verdedigt haar leden bij die aanpak. “Ik vind dat mijn leden straffe ondernemers zijn. Als je weet dat in ons kleine landje de loonkosten en de belastingdruk enorm hoog zijn, maar dat we toch naar meer dan 100 landen wereldwijd exporteren, dan is dat dankzij onze expertise bij het creëren van die meerwaarde. Daar mogen we echt wel trots op zijn”

Niet de goedkoopste, maar wel de beste

De Belgische verwerkers – niet alleen in de vleessector – zijn volgens Vandewynckel dan ook befaamd voor die meerwaardecreatie. ‘Wij zijn een geliefde partner voor de productie op maat van de klant, tailor made zoals men dat in het vak omschrijft. Indien men vanuit China 5 containers ham wil hebben, dan komen ze niet in ons land aankloppen. Andere landen zijn goedkoper voor massaproductie. Maar vraag aan onze leden om een product of een (vegetarische) maaltijd op maat te maken, dan ben je bij onze Belgische bedrijven aan het juiste adres. En het liefst doen we dit natuurlijk met producten van eigen bodem. En zo zorgen wij voor export van heel wat Belgische producten… maar met een meerwaarde.”

We hebben elkaar nodig

Vandewynckel verstopt het als kleindochter van landbouwers niet dat ze een flinke boon heeft voor de primaire sector. Ze kreeg duidelijk het respect voor de boeren met de paplepel mee. “Onze sectoren zijn zodanig sterk met elkaar verbonden dat we niet zonder elkaar kunnen. Vele leden zijn nog steeds familiebedrijven die van vanouds verbonden waren met lokale veeboeren en -handelaars. De verwerkende sector heeft absoluut niets aan een zieltogende boer. De boer heeft ons nodig en wij de boer. Als de productie van private labels – of de huismerken van de retailers – niet meer in België gebeurt, dan zal het in een ander land gebeuren… maar niet meer met Belgische producten. Daar zullen ze immers geen Belgische patatjes, groenten of vlees gebruiken.”

De boer heeft ons nodig en wij de boer.

Anneleen Vandewynckel vertelt ons over de strijd achter de schermen. “Wij moeten opboksen tegen de moordende concurrentie uit het buitenland. Bij de meeste retailers gebeuren de aankopen tegenwoordig via buitenlandse inkoopcentrales. Onze Belgische verwerkers moeten dus ginds kunnen uitleggen waarom ze veelal duurder zijn dan hun buitenlandse concurrenten. Weet dat de prijs van onze eindproducten gemiddeld voor een derde bepaald wordt door de grondstoffen, een derde door arbeidskost en nog een derde door de energiekosten. Onze grondstoffen – vlees, groenten, fruit, vis… – moéten dus wel uitstekend en betrouwbaar zijn. Daarom pakken onze leden uit met de Belgische kwaliteit. Wij hebben dus meer dat ons bindt dan wat ons scheidt. Ik geloof sterk in een samenwerkingsmodel. Samen sterk!”

De grote concerns en bedrijven die hier eindproducten op de markt brengen maar geen enkele voeling hebben met Belgische landbouw, zijn Vandewynckel dan ook duidelijk een doorn in het oog.

Ik ga graag het gesprek met landbouwers aan. Onze ondernemers hebben immers grote gelijkenissen met boeren , vindt Anneleen Vandewynckel.
Ik ga graag het gesprek met landbouwers aan. Onze ondernemers hebben immers grote gelijkenissen met boeren , vindt Anneleen Vandewynckel. - Foto: AV

Smaakvolle maaltijden bereid met Belgische ingrediënten

Onbekend en dus onbemind zijn de Brema-bedrijven die bereide maaltijden produceren. “Weet je dat bij heel wat van die kmo’s de boeren rechtstreeks hun groenten of aardappelen komen lossen. Verser kan het niet, want die worden daar onmiddellijk verwerkt in maaltijden. Denk dan bijvoorbeeld aan een dagelijkse productie van 50.000 school- of vliegtuigmaaltijden, of maaltijden voor OCMW’s, ziekenhuizen, woonzorgcentra, gevangenissen... Daar zitten heel wat kilo’s Belgische producten in. Zij maken hier lekkere, gebalanceerde maaltijden mee, van hoogwaardige nutritionele kwaliteit.”

Volgens Anneleen Vandewynckel moeten ook die verwerkers dikwijls het onderste uit de kan halen om een opdracht binnen te halen. “Onze overheden hebben daarbij wel boter op hun hoofd. Bij aanbestedingen gaat het immers zowat steeds over de prijs, die moet weliswaar zeer scherp zijn. En dat terwijl onze Belgische verwerkend nijverheid met hoge kosten en zware lasten te maken heeft. Zelden is er sprake van de herkomst van de ingrediënten. In aanbestedingen mag men omwille van Europese wetgeving namelijk niet vereisen dat voor die bereide maaltijden Belgische ingrediënten moéten gebruikt worden. We hopen dat dit in de toekomst dankzij een nieuwe Europese verordening zal versoepelen. Het zou al helpen indien de ingrediënten bijvoorbeeld uit de ‘korte keten’ moeten komen, dus met zo weinig mogelijk stappen tussen de basisingrediënten en de eindconsument – dus tussen de boer en een kind dat een schoolmaaltijd eet. Als duurzaamheidsvereiste zou je de straal kunnen beperken van hoe ver de ingrediënten mogen komen, of het land.“

Echt Belgisch?

Vandewynckel wijst met enige ironie ook op de Belgische vlaggetjes op bepaalde voedingsproducten in het winkelrek. “Het is moeilijker en moeilijker om op een product te zien of het écht Belgisch is. Sommige van die producten met onze driekleur op worden dan wel in ons land gemaakt, al dan niet op basis van een uniek recept, maar of er nu Belgisch of Pools vlees inzit, dat maakt dan niet uit. Dat wringt bij mij toch wat. De gemiddelde consument checkt die ingrediëntenlijst trouwens meestal niet. Er is bovendien ook dat eeuwige verschil tussen de burger en de consument. De burger verkiest echt wel die Belgische ingrediënten, die duurzaam en met aandacht voor dierenwelzijn werden geproduceerd. De consument betaalt liever zo weinig mogelijk. Die producent wordt zo gedwongen om goedkopere (buitenlandse) ingrediënten te gebruiken, aangezien zoals eerder aangegeven de grondstoffen verantwoordelijk zijn voor een derde van de productieprijs. De consument bepaalt wat hij betaalt...”

Bescherm ons culinair patrimonium

Voor Anneleen Vandewynckel is het een missie om landbouwers ervan te overtuigen dat de verwerkende nijverheid aan hun zijde staat. “Ik ga graag het gesprek met landbouwers aan. Onze ondernemers hebben grote gelijkenissen met boeren. Ze hebben ook dagelijks vele petjes op: producent, inkoper, verkoper, boekhouder, milieucoördinator, personeelsverantwoordelijke... Vandaag de dag worden ze echter meer en meer in een keurslijf gedwongen door hun klanten. De retail bijvoorbeeld bepaalt voor hun private labelproducten vaak welke ingrediënten mogen gebruikt worden. En aangezien er een prijzenoorlog gaande is in de retailsector, dan weet je het wel… Stilaan is er een evolutie bezig waarbij we in alle landen dezelfde ‘eenheidsworst’ in de winkelrekken zien liggen. We beschikken in ons land echter over een ongelooflijk culinair patrimonium, dat mogen we niet verliezen! Eten maken is een ware ‘métier’, zeker in België.”

Onze verwerkende nijverheid is sterk in meerwaardecreatie en dat moeten we volgens Anneleen Vandewynckel uitdragen in de hele agrovoedingssector. “Een boer creëert op het veld of in de stal een product met meerwaarde. Onze kmo’s doen dit opnieuw met de landbouwproducten die ze verwerken in nieuwe (eind)producten. En voor elk product dat de agrovoedingssector naar het buitenland exporteert, steunen we de landbouwproducten van bij ons. Wij zitten dus samen in dezelfde keten.”

Anne Vandenbosch

Lees ook in Verwerking Belgische producten

Meer artikelen bekijken