Zonevreemde bedrijfsuitbreiding niet altijd onvergunbaar
Bepaalde activiteiten zijn ‘an sich’ onvergunbaar in agrarisch gebied. Toch kunnen zij eventueel vergunbaar gemaakt worden als uitbreiding of evolutie van een historisch aanwezig zone-eigen bedrijf.

Jo Brouns (cd&v), die zowel landbouw als omgeving in zijn ministeriële portefeuille heeft, vindt het een economische realiteit dat activiteiten van bedrijven evolueren in de tijd. Dat garandeert volgens hem de continuïteit van die bedrijven en zorgt voor economische groei. Dat betekent echter ook dat de ligging van bedrijven op ruimtelijk vlak soms niet langer de meest geschikte locatie is voor hun geëvolueerde activiteiten.
Onderscheid moet gemaakt worden tussen een bedrijfsvoering die doorheen de tijd evolueert en een volledig nieuwe bedrijfsvoering.
Sluipend proces
Volksvertegenwoordiger Jurgen Callaerts (N-VA) zette op 12 mei jongstleden de ‘zonevreemde uitbreiding van bedrijven’ op de agenda van de commissie voor Leefmilieu, Natuur en Ruimtelijke Ordening van het Vlaams parlement. Hij haalde er de West-Vlaamse Milieufederatie bij, die de Vlaamse overheid en de lokale besturen opriep op om strenger op te treden tegen zonevreemde uitbreidingen van bedrijven in landbouw- en natuurgebied.
Volgens de organisatie is er sprake van een sluipend proces, waarbij activiteiten die ooit kleinschalig of landbouwgerelateerd waren, geleidelijk uitgroeien tot activiteiten met een duidelijke industriële, logistieke en verkeersgenererende impact. De kosten zouden afgewenteld worden op de maatschappij, als deze bedrijven zouden uitbreiden op plaatsen die daartoe niet geschikt zijn. Die worden dan niet gelijk behandeld ten opzichte van zone-eigen bedrijven, die zich moeten vestigen op bedrijventerreinen.
Het spreekt volgens Callaerts voor zich dat economische activiteiten in het buitengebied realiteit zijn. Ook landbouwbedrijven en aan landbouw verwante bedrijven hebben ontwikkelingsmogelijkheden nodig.
Herbestemming/herlokalisatie
Minister Brouns meent dat, indien de evolutie van een bestaande bedrijfsvoering duidelijk verdergaat dan wat para-agrarisch mogelijk is, in het planningsbeleid afgewogen moet worden of een uitbreiding of evolutie mogelijk gemaakt kan worden. Dat kan eventueel door een herbestemming aangrenzend aan de bestaande locatie of door een herlokalisatie. Die afwegingsmogelijkheid staat vermeld in artikel 4.4.24 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
Brouns: “Als u mij vraagt of het denkbaar is dat bepaalde evoluties in bedrijfsvoering tot een herlokalisatie van aan landbouw verwante bedrijven kunnen of moeten leiden, dan kan ik alleen maar ant-woorden dat zulke kwesties een dagelijkse realiteit vormen bij veel vergunningverlenende en plannende instanties en dat de toekomstperspectieven van die bedrijven ad hoc beoordeeld moeten worden.”
‘Level playing field’ in gevaar
De minister realiseert zich dat er een risico is dat zonevreemde bedrijven het level playing field met zone-eigen bedrijven in gevaar brengen. Het gaat volgens hem veelal over historisch gegroeide situaties waar die zonevreemde bedrijven niet bewust voor kozen. Voor de herbestemming van gronden bestaat er vandaag de dag trouwens een financiële planbatenregeling en een planologische compensatieplicht.
Minister Brouns wijst ook op het feit dat het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV), dat momenteel volop in opmaak is, een aantal zaken scherper wil krijgen wat betreft de zonevreemde en de slecht gelegen zone-eigen bedrijven. Niet elk vergund bedrijf zal verplicht worden om te verhuizen, maar bij sleutelmomenten in de bedrijfsvoering moet wel beoordeeld kunnen worden of die locatie op lange termijn nog wenselijk blijft voor de niet-agrarische activiteiten.
In de praktijk wordt er volgens Brouns in veel Vlaamse steden en gemeenten, op het ogenblik dat er kmo-terreinen ontwikkeld of uitgebreid worden, ook gekeken naar potentiële herlokalisaties. De minister bekijkt de mogelijkheden voor een op maat vormgegeven beleid bij de respectievelijke kantelmomenten.





