Actualiteiten voor suikerbietentelers
Tijdens het proefveldbezoek aan de PIBO-campus in Tongeren gaf André Wauters van het Bieteninstituut (KBIVB) meer toelichting bij actualiteiten in de suikerbietenteelt. Zijn collega’s Isabelle Stockmans en Wouter Vanparijs deden dat bij het proefveldbezoek van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij in Bekkevoort.

Als eerste stond André Wauters stil bij de uitzaai van de bieten dit jaar. “We hebben 2 uitzaaiperioden gekend, eentje rond midden maart toen een vierde was uitgezaaid. Daarna lag het zaaiwerk een tiental dagen stil, om begin april terug te hernemen en door te gaan tot het einde. Dat valt beter mee dan de situatie in 2023 en 2024, toen het meeste van het bietenareaal werd uitgezaaid in de maand mei.”
Bladluizen bestrijden
Ten opzichte van vorig jaar zijn er toch wel wat wijzigingen te melden in de insectenbestrijding bij suikerbieten. Er was voor de uitzaai in 2026 keuze uit 1 zaadbehandeling meer, namelijk Buteo Start. In de wintervoordrachten werd over dit systemisch insecticide in de zaadomhulling al toelichting gegeven.
Het beschermt de jonge bieten tegen insecten. “Er werd afgelopen winter al gezegd dat het ook bescherming tegen bladluizen zou bieden tot het 2 bladstadium en meer. Dat werd dit voorjaar ernstig bevestigd. Er zijn zelfs meetbare effecten tot het 6-8 bladstadium gezien”, aldus André Wauters.
Daarnaast zijn dit jaar meerdere insecticiden erkend als bladbehandeling. Naast Teppeki is er Sivanto Prime bijgekomen en er kwam een noodtoelating voor Durilon. Teppeki is een middel dat in de PFAS-klasse zit, dat zou dus wel eens uitgefaseerd kunnen worden…
De Buteo Start-zaadbehandeling van suikerbieten heeft volgens de waarnemingen van het KBIVB wel voordelen ten opzichte van de Force-zaadbehandeling. Er zijn percelen waar beide toepassingen naast elkaar zijn uitgezaaid. Dit voorjaar hebben de medewerkers van het Bieteninstituut duidelijk gezien dat er tot in het 2 bladstadium geen bladluizen zaten in de suikerbieten behandeld met Buteo Start, wel in de suikerbieten die behandeld werden met Force.
“In het 2-4 bladstadium zag je af en toe luizen opduiken waar met Buteo Start is behandeld en heel veel waar Force was toegepast. Zelfs in het 4-6 bladstadium zie je nog een duidelijk verschil. Het verschil is er op dat moment nog, maar dat verschil is onvoldoende om te zeggen: ‘het is een zeer goed resultaat’. Dit zag het KBIVB in meerdere proefvelden. Je ziet duidelijk dat de effecten bestaan”, aldus Wauters.
Begin mei was er een heel warme periode en waren er enorme vluchten van bladluizen. Dan werd het terug kouder en rustiger qua bladluisdruk. Eind mei kwamen er terug hoge temperaturen en terug veel bladluisvluchten. Begin juni zaten we dan in een situatie waarin sommige percelen, geen, 1 of 2 behandelingen hebben gehad. Percelen die driemaal behandeld werden, waren een uitzondering.
“Je kan je dan de vraag stellen of ButeoStart wel rendabel is”, bemerkte Wauters. Als antwoord hierop verwees hij naar de situatie in Frankrijk. “Daar waren ze op 15 mei al aan de vierde bespuiting tegen bladluizen, omdat ze geen erkenning hebben voor Buteo Start. Wij hebben zeker 1 à 2 bespuitingen tegen bladluizen minder gedaan dan de Franse collega’s.”
“Er is altijd gezegd dat Buteo Start een neveneffect heeft op de bestrijding van bladluizen, maar dit heeft ons toch toegelaten om de bladluizen iets makkelijker te onderdrukken.”
Amper alternatieven
Er zijn beperkte alternatieven om de eerste vluchten van bladluizen in suikerbieten op te vangen. Zo beproeft het Bieteninstituut al enkele jaren de techniek om gerst (of tarwe) in te zaaien op hetzelfde moment als bieten. De gerst wordt gezaaid via 2 rijen tussen de bietenrijen. Dit maakt het eventueel mogelijk om de gerst terug mechanisch te vernietigen.
“Deze techniek is gebaseerd op het feit dat bladluizen niet graag een volledig groen oppervlak zien. Bladluizen zien graag een bruine bodem met groene lijnen ertussen. Als alles er groen uitziet, hebben de bladluizen dit niet graag en vliegen ze gewoon over jouw veld naar een ander. In het 4-5 bladstadium van de bieten wordt de gerst dan terug vernietigd met een herbicide”, legt André Wauters uit.
“Rond 5 mei dit jaar zagen we veel vluchten van bladluizen. In het klassieke systeem zat het vol met gevleugelde en ongevleugelde bladluizen. In het systeem met de ‘tussenzaai’ van gerst, waren er geen.”
Cercospora beheersen
Anrdé Wauters sneed vervolgens het thema van de bladvlekkenziekte cercospora aan. Dat is een schimmelziekte die een toxische stof produceert, waardoor de bietenbladeren afsterven. Je kan de ziekte voorkomen door een juiste rassenkeuze. Op de proefvelden komen de tolerante rassen duidelijk tot uiting. “Maar zelfs met deze tolerante rassen moeten er fungiciden beschikbaar blijven om het hoofd te bieden aan ziekten of mutaties van cercospora”, gaf hij aan.
“Er zijn gelukkig in de bietenteelt nieuwe middelen bij gekomen, veelal op basis van protioconazool, waarbij we nog een goede werking zien. Veel van de fungiciden in de bietenteelt behoren echter tot de PFAS-categorie. Hiernaast staan er fungiciden op de lijst van ‘Candidate for Substitution’, die staan dus ook onder druk. Als we voornoemde middelen, waarvan het onzeker is of we ze in de toekomst nog kunnen gebruiken, samen nemen, dan blijven er niet veel meer over. Discussies met overheden over deze situatie worden momenteel gevoerd.”
Wauters wees erop dat er ook mogelijkheden met bacteriën bestaan om de ziektedruk in bieten aan te pakken. “Maar die zijn niet heel efficiënt op cercospora. De middelen die we nog hebben, moeten we combineren met een goede rassenkeuze.”
Cercospora is dé belangrijkste ziekte in de bietenteelt die voor het meeste opbrengstverlies zorgt. In 2024 werd hierdoor wel 30 tot 35% opbrengstderving gezien als er niet behandeld werd. “Zie je de eerste vlekjes cercospora, pas dan een fungicide toe, onafhankelijk van het ras dat je gekozen hebt. Daarna evalueer je of een behandeling nodig is, volgens de geldende spuitdrempels. Zie je geen vlekjes, spuit dan niet, want het is verloren geld. Kom je 2 weken te laat, dan is er ook geld verloren”, legt André Wauters uit.
“Zie je de eerste vlekjes, behandel dan met een efficiënt product, het liefst op basis van prothioconazole. Wissel voor een volgende bespuiting af met middelen en hou rekening met de intervaltermijn en het moment van oogst.”

’Syndrome basses richesses’
Een derde thema waar André Wauters toelichting bij gaf, was een ziekte die we nog niet kennen in ons land, maar die volgens hem ‘echt aan onze deur staat’, namelijk SBR of syndrome basses richesses (syndroom met lage suikerrijkheid). Dit is een bacterieziekte die de bieten aantast in de lente, waardoor de bieten in suikerrijkheid terugvallen in de herfst en waardoor ook de wortelopbrengst terugloopt. “In Duitsland is het al een catastrofe en stellen telers zich vragen over de toekomst van de suikerbietenteelt.”
In augustus, begin september duiken de symptomen visueel op. De bietenbladeren worden wat geel en hebben geen symmetrische vorm meer. De ziekte wordt overgedragen door de rietglasvleugelcicade.
Naast bieten wordt ook schade gezien in aardappelen, wortelen, ajuin, groenteteelten, aardbeien, asperges… “Het is dus niet enkel meer een probleem van suikerbietentelers, maar van landbouwers over heel Europa. Het is een fameuze bedreiging”, waarschuwde André Wauters.
De glasvleugelcicade legt eitjes af in de grond van het bietenperceel waarna de larven uit die eitjes zich voeden met de suikerbieten. Ook na het rooien van bieten, blijven de cicaden in de bodem aanwezig. Vanuit graangewassen, die vaak gezaaid worden na bieten, vliegen de larven terug uit naar bietenvelden. “Wat onze klassieke teeltrotatie betreft, zitten we dus met een probleem, net zoals onze collega’s in Frankrijk, Nederland en Duitsland.”
Het Bieteninstituut volgt de situatie op de voet op (via plakvallen om insecten waar te nemen), maar kijkt ook naar de situatie in onze buurlanden. In het Duitse Aken wordt de glasvleugelcicade al waargenomen.
In 1991 zouden de insecten voor het eerst in de Franse Bourgogne-streek (Dijon) gezien zijn. Door hervormingen in het suikerbeleid zijn in die regio dan geen bieten meer uitgezaaid. In 2009 zijn ze opgedoken in het zuiden van Duitsland en in 2017 in Zwitserland. “Niemand weet waar ze ondertussen zaten.” Het ontbreken van zware vorstperioden of het verdwijnen van de neonics zou niet aan de basis liggen waarom deze insecten terug opduiken.
“Naakte grond na het bieten rooien tot het zaaien van maïs het voorjaar nadien, zou een oplossing kunnen zijn, maar dat gaat niemand toelaten”, bemerkte André Wauters nog. “In Duitsland is veel onderzoek naar de ziekte bezig. Het wordt bekeken vanuit een vruchtwisselingssysteem, niet als een ‘bietenziekte’. Een systeembenadering zal het moeten oplossen, niet een toepassing in 1 teelt”, besloot hij.

Virbicon-project
Op het proefveld van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij bij akkerbouwer Manuel Vandebroeck in Bekkevoort had het Bieteninstituut het suikerbietenperceel aangelegd rond het vierjarige Virbicon-project, dat dit jaar afloopt. In dit project focust het KVIVB, samen met het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) en KU Leuven, op de ontwikkeling en implementatie van een duurzame en geïntegreerde strategie voor de beheersing van virusvergeling, een belangrijke ziekte in de suikerbietenteelt. Aangetaste planten vertonen een vergeling van de bladeren, waardoor de fotosynthese afneemt. Dit leidt tot een verminderde groei van de bieten en uiteindelijk tot opbrengst- en suikerverliezen.
De ziekte wordt veroorzaakt door diverse virussen die vooral worden overgebracht door bladluizen, zoals de groene perzikbladluis. Als besmette bladluizen zich voeden aan een suikerbiet, kunnen ze het virus overdragen aan de plant. Vervolgens kan de ziekte zich verder verspreiden binnen en tussen percelen.
Op het veld was er nog geen schade te zien, maar in de loop van het seizoen zal het virus zich verder manifesteren en zullen de bladeren geel verkleuren. Om de problematiek aan te pakken, richt het project zich op een beter begrip van de ziekte, de verspreiding en de risicofactoren.
Het project is opgebouwd uit 4 werkpakketten of doelstellingen. “In het eerste werkpakket onderzoeken we hoe vaak de ziekte voorkomt, hoe agressief de ziekteverwekker is en welke invloed landschapsfactoren hebben op de verspreiding”, zegt KBIVB-projectleider Isabelle Stockmans. “Het tweede werkpakket richt zich op het identificeren van risicofactoren en het ontwikkelen van preventieve maatregelen om besmettingen te beperken. Binnen het derde werkpakket onderzoeken en evalueren we diverse bestrijdingsstrategieën. Het vierde werkpakket focust op de implementatie van de resultaten en de integratie van de ontwikkelde maatregelen in de praktijk.”
Uit een monitoring op het KBIVB en bij telers in 2022, 2023 en 2024 bleek dat zowel een warme winter gepaard met vroeg zaaien, een halfnatuurlijke kruidachtige vegetatie in de buurt, als bomen en hagen vlak bij een suikerbietenveld leiden tot een grotere populatie bladluizen op het veld. Bladluizen kunnen ook onkruiden op het veld infecteren. Ook bietenresten die na de oogst op het veld achterblijven, kunnen de verspreiding van het virus bevorderen.

Bladluisbestrijding
In het labo, nadien ook bevestigd in een veldproef, vonden het KBIVB en KU Leuven een veelbelovende bacterie om de bladluizen te doden. Naast het beproefde recept van het Bieteninstituut om een begeleidend gewas zoals gerst tussen de bietenrijen te zaaien, onderzocht het via een veldproef ook geurkorrels als additief om de eerste bladluisvlucht te verjagen.
Wetenschappelijk assistent Wouter Vanparijs gaf uitleg bij die veldproef. De gerst werd afgedood tussen het einde van het 4 bladstadium en het begin van het 6 bladstadium, toen de gerst zo’n 10 à 15 cm hoog stond. Op 12 mei vond een bespuiting met het grassenmiddel Centurion (0,5 l/ha + 1 l olie) plaats. Dat werkte goed en 1 week nadien waren de bieten enorm gegroeid. Er werd ook met goed gevolg mechanisch bestreden met de schoffelmachine. De geurkorrels werden tweemaal toegepast aan een dosis van 2 kg/ha (op 5 en 21 mei), van zodra de eerste bladluizen op het veld werden waargenomen. “De korrels verspreiden een geur die de bladluizen als zeer onaangenaam ervaren”, zei Wouter Vanparijs. Op 7 en 27 mei gebeurde nog een behandeling met een klassiek insecticide. De bladluizen en de nuttige insecten werden 6 weken na elkaar geteld, om te weten of de gerst die aantrok. Het scoren van planten met vergelingsziektesymptomen gebeurde pas 2 weken na het proefveldbezoek.
Uit de eerste resultaten bleek dat het aantal gevleugelde bladluizen in de gerst vlak bij de bieten aanzienlijk minder was. De geurkorrels hadden een klein, extra effect tegen bladluizen. De gerst trok niet massaal nuttige insecten aan.





