Meer goedgekeurde steunaanvragen voor starters en overnames
In de periode van 2023 tot 2025 is er een opvallende stijging van het aantal goedgekeurde aanvragen voor steun voor startende landbouwers en overnames van landbouwbedrijven. Vlaams minister van Landbouw Jo Brouns is blij met de stijging, maar vindt het nog te vroeg om te stellen dat die stijging structureel is.

Het was Bart Dochy, voorzitter van de commissie Landbouw in het Vlaams parlement, die minister Brouns wees op de opmerkelijke stijging, in de commissievergadering van 15 juli.
“Eén van de zaken die me opvielen in het activiteitenverslag van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF), was het aspect van de opstart en overnamesteun voor jonge landbouwers. Het aantal geselecteerde aanvragen en toegekende subsidies voor overnames en opstart vertoont in zekere zin een stijgende lijn. In 2023 waren er 199 geselecteerde aanvragen, in 2024 waren er 239 en in 2025, dus het recentste rapport, waren er 319. Die 319 geselecteerde aanvragen kwamen van 328 ingediende aanvragen, waarvan er 319 werden geselecteerd, voor een totaalbedrag van 28,72 miljoen euro. Dat ging over 29 opstartdossiers, dus nieuwe landbouwbedrijven, en 290 overnames van bestaande bedrijven”, duidt Bart Dochy.
Meer stoppers dan starters
Die evolutie moet volgens Dochy gezien worden tegen de bredere achtergrond van de landbouwsector. “Vlaanderen telde in 2024 nog 21.514 landbouwbedrijven. Dat is een daling met 37% ten opzichte van 2005. Maar volgens de cijfers van Statistiek Vlaanderen startten er in 2024 675 ondernemingen, terwijl er 926 bedrijven hun landbouwactiviteit stopten. De stoppers zijn dus nog altijd gevoelig hoger in aantal dan de starters”, stelt Dochy.
Bart Dochy hoopt dat de stijging van het aantal goedhekeurde aanvragen voor starters en overnames structureel en niet tijdelijk is. Dat zou betekenen dat de aantrekkelijkheid van het beroep toch geleidelijk aan weer wat toeneemt. Volgens minister Brouns is het te vroeg om die conclusie te trekken. “Het klopt dat het aantal geselecteerde aanvragen de voorbije jaren in stijgende lijn is, en dat is ook maar goed zo. Dat was een ambitie die ik vooropgesteld had bij mijn aantreden als minister van Landbouw en ik ben blij dat dit ook duidelijk wordt in de cijfers. Daarbij besef ik natuurlijk als geen ander dat jonge starters in de landbouwsector nog heel belangrijke uitdagingen kennen en dat het beleid een belangrijke, maar niet de enige factor is die daarin meespeelt”, meent minister Brouns.
Statuut van actieve landbouwer
“Wellicht speelt onze duidelijke keuze voor het statuut ‘actieve landbouwer’ voor GLB-steun (gemeenschappelijk landbouwbeleid) daarbij een rol. Zeker het invoeren van de pensioenvoorwaarde in 2025, die bepaalt dat er minstens 1 niet-gepensioneerde zaakvoerder op het bedrijf moet zijn, zal een stimulans geweest zijn om bedrijven, en al zeker de gronden, sneller over te dragen naar de volgende generatie. Daarnaast is het ook zo dat we meer VLIF-investeringssteun beschikbaar hebben gemaakt voor jonge landbouwers sinds 2023. Dat zorgt ervoor dat elke jongere die het talent, de ambitie en het doorzettingsvermogen heeft om te starten in de land- of tuinbouw hierbij ook de nodige ondersteuning krijgt”, verduidelijkt Jo Brouns.
Of de stijging van het aantal geselecteerde aanvragen op een structurele kentering in de opvolging wijst dan wel een tijdelijk effect is, kan op dit moment niet met zekerheid worden gezegd. “De eerlijkheid gebiedt ons om te zeggen dat de jaren 2020-2023 - waarmee de cijfers van 2025 vergeleken worden - heel weinig starters kenden. Ook daar hadden de politieke keuzes van dat moment natuurlijk heel wat mee te maken. En ook in de toekomst zal het aantal landbouwers in Vlaanderen blijven dalen, voor de klassieke opvolging met 12 tot 13%”, zegt minister Brouns.
Bedrijven moeten kunnen evolueren
Bart Dochy wijst er de minister op dat hij ook aandacht moet hebben voor de hele loopbaan van landbouwers. “Het gaat voor starters niet alleen over het moment van de start, maar ook over de manier waarop ze op lange termijn zekerheid hebben voor hun bedrijf. En eigenlijk gaat het ook over de mate waarin hun bedrijf kan evolueren. Een bedrijf dat vandaag start, zal over 20 jaar andere behoeften hebben. Er zal zeker een evolutie moeten zijn, hetzij een verdieping of een verbreding, hetzij een groei van het bedrijf. Het gaat dus niet alleen over het moment van de overname, maar ook over de mogelijkheid om bedrijven te laten evolueren”, stelt Bart Dochy.
Minister Brouns beseft terdege dat rechtszekerheid het belangrijkste aandachtspunt is in de Vlaamse landbouw. “De centrale vraag is voor veel landbouwers: hebben we nog een duurzame vergunning om te kunnen boeren over meer dan 20 jaar? We weten allemaal dat stikstof een heel belangrijke uitdaging is in de veehouderij. We zijn een toekomstig kader aan het ontwikkelen dat daar een duurzaam antwoord op moet bieden. Ik zie de toekomst op dat vlak alvast positief in. Dat wil niet zeggen dat de uitdagingen kleiner zullen worden”, geeft de minister mee.
Kansen voor jonge landbouwers
“Ik vind het belangrijk om alle kansen te geven aan de innovaties die mogelijk zijn en om in te zetten op circulaire landbouw. Ik zie steeds meer toenadering tussen wat we vandaag in afzonderlijke hokjes ‘bio’ en ‘gangbaar’ noemen. Agro-ecologische praktijken vinden steeds breder ingang. Boeren zijn zich bewust van de impact van de inputs die ze moeten verminderen. Als het gaat over gewasbescherming: daar moeten we heel kritisch naar kijken. Als het gaat over kunstmest: daar moeten we de inputs verminderen om de circulaire landbouw meer mogelijk te maken. Ik zie zeker kansen en mogelijkheden voor een toekomstig kader dat de duurzame landbouw in Vlaanderen moet kunnen verankeren, met natuurlijk kansen voor de jonge landbouwers, die erin moeten kunnen blijven geloven”, besluit minister Brouns.
Bart Dochy vraagt van de minister ten slotte nog extra aandacht voor de zij-instromers in de landbouw. “Vaak zie ik toch dat mensen die willen starten met een bedrijf dat op dat moment als ‘niet levensvatbaar’ beschouwd wordt, mensen die geleidelijk aan willen starten met een landbouwactiviteit en van daaruit willen groeien, met een heel groot wantrouwen bekeken worden, omdat daar, vanuit de afdeling Omgevingsvergunningen, wel heel scherp op toegezien wordt. Dat is enigszins terecht, maar anderzijds moet men wel de mogelijkheid bieden om mensen te laten starten. Als we pleiten voor zij-instromers en we stimuleren dat ook via het Landbouwinvesteringsfonds, dan moeten we daarvoor, ook op het vlak van het ruimtelijk beleid, duidelijke kaders hebben om dit mogelijk te maken”, meent Dochy.





