Startpagina Granen

Opbrengsten rassenproeven wintertarwe vergelijkbaar met vorig seizoen

Tijdens het seizoen 2025-2026 legde het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) 8 rassenproeven wintertarwe aan in het Vlaams Gewest. Net zoals bij de rassenproeven wintergerst stellen we vast dat ook de opbrengsten van de wintertarwe op een hoog niveau liggen en in lijn met vorig jaar.

Leestijd : 15 min

Bram Vervisch, Stephanie Debosschere en Jonas Claeys, praktijkonderzoekers bij Inagro, coördineerden het rassenonderzoek. Ze gaven ons toelichting bij het onderzoek en bij het verloop van het teeltseizoen.

Twee afzonderlijke netwerken

Nieuw dit seizoen is de opsplitsing van de rassenproeven in 2 afzonderlijke netwerken. Het eerste netwerk omvat de klassieke rassenproeven. Daarnaast is er een apart netwerk voor toekomstige rassen. Deze proeven dienen als eerste screening van nieuwkomers en geven een eerste beeld van hun prestaties en geschiktheid voor onze regio (zie ook kaderstuk onderaan dit artikel). Geschikte rassen worden volgend jaar opgenomen in het normale netwerk en worden dan breed gecommuniceerd. Je vindt alle info hierover op www.lcg.be.

In beide netwerken wordt vergeleken ten opzichte van dezelfde referentierassen: Chevignon, KWS Extase, KWS Keitum, KWS Sverre en SU Ecusson. Daardoor zijn de resultaten van beide proefnetwerken onderling vergelijkbaar en kunnen nieuwe rassen correct worden beoordeeld tegenover enkele gevestigde waarden.

In dit artikel lichten we enkel de resultaten van de klassieke proeven (normaal netwerk) toe.

23 rassen op 8 locaties

Dit seizoen lagen er in het normale LCG-netwerk 23 rassen wintertarwe in proef. Dat zijn er 8 minder dan vorig jaar. Dat komt omdat het LCG de 2 netwerken opsplitste; in totaal werden er meer rassen beproefd. De referentierassen zijn de rassen die al meer dan 5 jaar in proef hebben meegelopen bij het LCG: KWS Keitum, KWS Sverre, Chevignon, KWS Extase en SU Ecusson. De rassen Geluck en Champion zijn al 5 jaar opgenomen. Rassen die al 4 jaar meelopen, zijn SY Revolution, KWS Erruptium en Celebrity. King Kong, KWS Sabrum, Intensity en SU Horizon liggen al 3 jaar in proef. Alle overige rassen liepen voor een tweede keer mee: Olaf, LG Tomjol, KWS Etoile, Godzilla, SU Tammo, SU Hybingo (H), RGT Farmeo, Ambientus en Hybiscus (H). De hybriden worden steeds aangeduid met (H).

Een overzicht van de rassen in proef en van hun kenmerken is weergegeven in tabel 1. De korrelopbrengst per ras wordt in de tabellen 2, 3, 4 en 5 steeds weergegeven in relatieve cijfers (%) ten opzichte van het gemiddelde resultaat van de genoemde getuigerassen.

34-tab-wintertarwe-01-web

De resultaten op lichtere bodem, (zand)leemgrond, raadpleegbaar in tabellen 2 en 3, worden steeds apart geanalyseerd van de resultaten van het poldergebied (kleigrond). Die kan je raadplegen in tabellen 4 en 5. De reden hiervoor is dat rassen anders kunnen reageren op de zwaardere kleipolders en op de omstandigheden aan de kust, in vergelijking met de lichtere grond in het binnenland. Het rassenonderzoek vindt steeds plaats onder praktijkomstandigheden, met standaard zaaizaadbehandeling. De bemesting wordt toegepast volgens advies en de ziektebestrijding op basis van het waarschuwingssysteem van LCG (Epipre).

De rassenproeven werden op 8 locaties gezaaid, geografisch verspreid in Vlaanderen. In de Kustpolder (West-Vlaanderen) werden er 2 proeven aangelegd: in Koksijde en Zuienkerke (Houtave). In het binnenland, op leem- en zandleemgrond, zijn er 6 proeven gezaaid: Tongeren in Limburg, Sint-Martens-Lennik en Bekkevoort in Vlaams-Brabant, Bottelare in Oost-Vlaanderen en Zwevegem (Sint-Denijs) en Poperinge in West-Vlaanderen.

Hoge bladluisdruk

Bram Vervisch herinnerde ons eraan dat het seizoen 2025-2026 begon onder relatief normale weersomstandigheden, met in het najaar ideale omstandigheden om te zaaien. “Oktober was warmer dan gemiddeld, wat leidde tot een hogere druk van bladluizen”, bemerkte hij. Vanaf 10 oktober werden de eerste proeven gezaaid aan de kust: in Koksijde en Houtave op respectievelijk 10 en 15 oktober. Op 16 en 17 oktober werd er in Poperinge en Zwevegem gezaaid. Bekkevoort volgde op 30 oktober. De overige 3 proeven werden begin november gezaaid: Bottelare en Lennik op 5 november en Tongeren als laatste op 18 november.

De zaaidichtheid op de zware grond ligt wat hoger dan op de lichtere gronden: 400 in vergelijking met 350 zaden/m². Hybriden worden aan een lagere zaaidichtheid ingezaaid, omwille van het hoger uitstoelingspotentieel van dit type. Op (zand)leemgrond gaat het om 210 zaden/m² en op poldergrond om 240 zaden/m².

“Door de omstandigheden tijdens de zaaiperiode was er dit jaar een brede spreiding in zaaidata tussen de locaties”, zei Vervisch. “Dit vertaalde zich ook in een grotere spreiding in gewasontwikkeling tijdens het voorjaar dan de spreiding die we doorgaans zien. De verschillen tussen de locaties waren daarbij hoofdzakelijk te linken aan de zaaidata, terwijl in andere jaren vooral verschillen in ontwikkeling tussen vroege en late rassen opvielen. Zo was op 1 april in Koksijde, waar de proef het vroegst was gezaaid, bij de vroegste rassen de aarzwelling al zichtbaar (zie tabel 1). In Tongeren, waar later werd gezaaid, hadden de rassen op dat moment nog maar net het tweede knoopstadium bereikt.”

De maand oktober was warmer dan gemiddeld, wat leidde tot een hogere druk van bladluizen.
De maand oktober was warmer dan gemiddeld, wat leidde tot een hogere druk van bladluizen. - Foto: LCG

Lage ziektedruk

Uit metingen van het KMI bleek dat er in april slechts 8 tot 14 mm neerslag viel. Mei was een eerder gemiddelde maand, met 50-52 mm. Ook juni was natter, met lokale en gespreide buien, in totaal 51-71 mm. Qua temperaturen was het vanaf april tot het einde van het groeiseizoen relatief warmer dan verwacht.

Deze weersomstandigheden hebben geleid tot een algemeen lagere ziektedruk, concludeerden de praktijkonderzoekers. Meeldauw werd zeer beperkt waargenomen, enkel bij enkele gevoelige rassen zoals Godzilla, Geluck en Chevignon. Bladvlekkenziekte wordt veroorzaakt door de schimmel Septoria tritici. Die heeft neerslag nodig om zich te kunnen verspreiden. Door de drogere omstandigheden in het begin van het voorjaar bleef deze aantasting dus relatief beperkt in alle rassen. “Pas later in het seizoen zagen we een toename van deze schimmelaantasting, met de neerslag die toen viel”, aldus Vervisch. Ook gele roest kwam eerder sporadisch voor, uitgezonderd in de meest gevoelige variëteiten, waar het heel duidelijk aanwezig was. De aantasting was ook groter aan de kust dan in het binnenland, met Hybiscus (H), KWS Sabrum, Celebrity en Champion als gevoeligere rassen.

De aanwezigheid van bruine roest komt traditioneel pas later in het voorjaar. Vanaf eind mei werden de eerste symptomen waargenomen in de gevoeligste variëteiten. KWS Keitum, SU Tammo en Champion scoorden lager dan 7 en vroegen dus het meest aandacht inzake bruine roest. De rassen met de hoogste algemene ziektetolerantie zijn LG Tomjol, SU Hybingo (H), Ambientus, SU Horizon en KWS Extase..

Vroege oogst

De warme en droge weersomstandigheden in juni en begin juli versnelden de afrijping van het gewas, waardoor de oogst vroeger plaatsvond dan gebruikelijk. Tussen 7 en 18 juli zijn alle 8 proeven gedorst. Ondanks deze omstandigheden lag de opbrengst van de rassenproeven op een hoog niveau en in lijn met vorig seizoen. Op de (zand)leemgrond) is er 11.169 kg/ha geoogst; vergelijkbaar met vorig jaar (11.611 kg/ha).

Dat cijfer ligt een pak hoger dan de 8.628 kg/ha in 2024, dat gekenmerkt werd door een nat voorjaar. In 2023 werd er 11.337 kg/ha geoogst, in 2022 was dat 14.358 kg/ha. In 2021 kenden we ook een nat voorjaar en een natte zomer. Toen bleef de gemiddelde opbrengst beperkt tot 9.481 kg/ha. Aan de kust, in de zwaardere kleigrond, is er dit jaar gemiddeld 12.303 kg/ha geoogst onder proefveldomstandigheden. Dat is vergelijkbaar met de 2 voorbije jaren, respectievelijk 11.701 (in 2025) en 11.063 kg/ha (in 2024). In 2023 was dit 13.020 kg/ha en in 2022 11.519 kg/ha. In 2021 haalden we een iets lagere opbrengst aan de kust ten opzichte van dit seizoen, namelijk 10.872 kg/ha.

Het gemiddelde hectolitergewicht bedraagt 79,2 kg/hl, wat vergelijkbaar is met vorig seizoen (80,7 kg/hl). Het eiwit lag dit seizoen gemiddeld iets hoger: 10,8% in vergelijking met 10,1% op droge stof vorig jaar. Het duizendkorrelgewicht – het gewicht van 1000 zaden in gram uitgedrukt – ligt ongeveer 5 g lager dan vorig jaar. Dit seizoen is dit 45,6 g, terwijl vorig jaar 50,7 g werd gemeten. In 2024 bedroeg dit maar 40,8 g.

De rendementen die in dit artikel genoemd worden, zijn resultaten die behaald werden in proefomstandigheden, dus op de beste delen van het veld, zonder randeffecten of spuitsporen. De onderzoekers halen een stelregel van 10 à 15% aan die je moet aftrekken van de proefveldresultaten, om praktijkresultaten te verkrijgen. Dit is geen exacte wetenschap, maar een algemeen aanvaarde vuistregel.

Tussen 7 en 18 juli zijn alle 8 proeven gedorst.
Tussen 7 en 18 juli zijn alle 8 proeven gedorst. - Foto: LCG

Warme afrijpingsomstandigheden

De hittegolf van eind juni viel tijdens de korrelvulling en kan de afrijping beïnvloed hebben. Hitte tijdens de laatste fase van korrelvorming kan namelijk leiden tot een snellere afrijping, met mogelijk lichtere korrels en impact op het hectolitergewicht. Ondanks het lagere duizendkorrelgewicht bleef de opbrengst op peil, wat erop wijst dat er voldoende korrels/m2 aanwezig waren. Het iets lagere hectolitergewicht en hogere eiwitgehalte bevestigen het effect van de warme en droge afrijpingsomstandig-heden. Een kortere korrelvulling leidt vaak tot een concentratie-effect van stikstof in de korrel, wat een hoger eiwitgehalte kan verklaren.

Proefomstandigheden

In Tongeren werd er, na een voorteelt suikerbieten, gezaaid op 18 november. De stikstofbemesting (in totaal 207 eenheden N/ha) werd in het voorjaar opgesplitst in 3 fracties. Op 7 april werd een groeiregulatie uitgevoerd, op 25 april en 22 mei een fungicidebespuiting. Op 22 mei werd er ook nog een insecticidebehandeling toegepast.

In Bekkevoort werd de rassenproef, na de oogst van aardappelen, op 30 oktober ingezaaid. Een bodemanalyse wees uit dat er een behoorlijke stik-stofbemesting van 161 kg N/ha nodig was, opge-splitst in 3 fracties. Hier werd op 6 april en 2 mei een groeiregulatie uitgevoerd. Net als in Tongeren werd er tweemaal een fungicidebespuiting gerealiseerd. De laatste, op 28 mei, werd gecombineerd met een insecticidebehandeling.

In Lennik werd de wintertarwe, na een voorvrucht aardappelen, op 5 november uitgezaaid. De stikstofbemesting werd opgesplitst in 3 fracties, aangevuld met een fractie van 32 eenheden N/ha op basis van vaste mest in het najaar. De groeiregulatie werd aangepakt met 2 bespuitingen, net als de ziektebeheersing. Er werd geen insecticidebespuiting uitgevoerd.

Aardappelen vormden ook de voorteelt voor de proeflocatie in Bottelare, waarna de wintertarwe op 3 november werd gezaaid. De stikstofbemesting (192 eenheden in totaal) werd opgesplitst in 3 giften. Op 8 april werd de groeiregulatie uitgevoerd. Er werd tweemaal een fungicidebespuiting uitgevoerd en ook tweemaal behandeld tegen insecten (op 4 december 2025 en 5 mei 2026).

Pootgoedaardappelen vormden de voorteelt in Poperinge, waar op 16 oktober werd gezaaid. Poperinge was met 236 kg N/ha de locatie die het hoogste bemestingsadvies van alle proefvelden kende, opgesplitst in 2 fracties. Op 31 maart en 8 april werd de groeiregulatie uitgevoerd, op 8 en 27 april en 21 mei de ziektebehandeling. Tijdens de laatste fungicidebespuiting werd ook een insectenbestrijding uitgevoerd.

In Zwevegem werd de wintertarwe na een voorteelt vlas op 17 oktober gezaaid. Op 10 november moest er al een insecticidebehandeling worden uitgevoerd. De stikstofbemesting (162 eenheden) werd in 2 fracties opgesplitst en op 24 maart werd 1 groeiregulatie uitgevoerd. Op 27 april en 24 mei werd de ziektebestrijding gerealiseerd.

In de kustpolder lagen er op 2 locaties rassenproeven aan. In Koksijde werd er gezaaid op 10 oktober, na een voorvrucht aardappelen. Op 6 november werd al een insecticidebespuiting gerealiseerd. Het bemestingsadvies toonde aan dat dit het best uitgevoerd werd door 101 eenheden toe te dienen, gevolgd door 98 eenheden. Op 19 maart en 7 april werd de groeiregulatie uitgevoerd. Fungicides werden gespoten op 27 april en 21 mei.

Vlas vormde dan weer de voorvrucht op de proeflocatie in Houtave. Gezaaid werd er op 15 oktober, waarna er nog een insecticidebespuiting werd uitgevoerd op 8 november. Hier werd de stikstofbemesting opgesplitst in 2 fracties (93 + 95 eenheden). Er bleek maar 1 groeiregulatie nodig te zijn op 23 maart en er werden 2 ziektebehandelingen (op 25 april en 21 mei) uitgevoerd.

Regelmaat van een ras

Bij de rassenkeuze zijn, voor wat de korrelopbrengst betreft, volgende criteria belangrijk:

• de regelmatigheid van het ras over de diverse proefplaatsen binnen hetzelfde jaar;

• de regelmatigheid van het ras over meerdere jaren.

Om het opbrengstpotentieel van een ras correct te kunnen evalueren, is het noodzakelijk om de resultaten over meerdere proefjaren te bekijken. De opbrengstcijfers van 1 jaar zijn namelijk eigen aan de groei- en klimaatomstandigheden van het betreffende jaar. Het meerjarige gemiddelde van een ras is betrouwbaarder, naarmate de korrelopbrengst van het ras over de jaren stabieler is. Naast het opbrengstpotentieel is het interessant om ook de andere factoren in overweging te nemen, zoals vroegrijpheid, ziektegevoeligheid, strolengte en kwaliteitsparameters bij de oogst.

Risicospreiding is belangrijk

In functie van het uit te zaaien areaal wintertarwe, is het daarnaast aan te raden om meerdere rassen te kiezen, om zo aan risicospreiding te doen. De proefresultaten leren dat het opbrengstpotentieel van rassen wisselend kan zijn in functie van het perceel en het jaar. De perceels- en jaarverschillen kunnen zeer groot zijn.

In functie van de vroegrijpheidsklasse (vroege tegenover late rassen) kunnen de resultaten wisselend zijn tussen de jaren. Hetzelfde wordt ook vastgesteld met de zaaidatum (vroege tegenover late zaai). Om dit te ondervangen, is spreiding van de rassen in vroegrijpheid aan te bevelen en bij de zaai ook spreiding in zaaidatum. Dit alles moet uiteraard ook worden bekeken met de mogelijkheden op perceelsniveau.

De gemiddelde opbrengst van een ras over de proefplaatsen is uiteraard betrouwbaarder naarmate het op een groter aantal proefplaatsen slaat en naarmate de korrelopbrengst over de proefplaatsen regelmatiger is.

34-tab-wintertarwe-02-web

Resultaten in leem- en zandleemgebied

De resultaten die wintertarwe behaalde in het leem- en zandleemgebied vind je in tabellen 2 en 3. Tabel 2 leert ons dat er 13 rassen zijn die in 2026 tot 5% boven het gemiddelde scoorden. Acht rassen scoorden dan weer tot 5% onder het gemiddelde. En 1 ras (Ambientus) deed het nog minder goed.

Helemaal bovenaan de tabel zien we het ras SU Hybingo. Dat is een hybride die voor het tweede jaar in proef lag en die over de volledige lijn van de 6 proefvelden in het leem- en zandleemgebied ruim boven het gemiddelde kon scoren. Vooral het resultaat van 109,6%, dat in Tongeren werd behaald, is indrukwekkend. Nummer 2 in de tabel, KWS Sabrum, behaalde in Lennik dan weer zijn slechtste resultaat (99,8%) over de 6 locaties. Dat staat in contrast met de score van 105,4% die het ras behaalde in Tongeren.

Ook op de derde plaats – het ras KWS Keitum – doen we een gelijkaardige vaststelling: 101,3% in Bottelare en 106,4% in Bekkevoort. Dergelijke verschillen zien we nog wel vaker. Het geeft nogmaals aan dat we ons niet blind mogen staren op de prestaties van rassen op 1 locatie op 1 jaar. Het toont ook aan dat het ene ras het beter doet op een bepaalde bodemsoort dan het andere. Ook de lokale weersomstandigheden spelen een rol, zeker in een droog jaar. Tabel 3, die meerjarige resultaten behaald in het leem- en zandleemgebied weergeeft, filtert de effecten van 1 proefjaar meer uit.

Uit tabel 2 leiden we af dat de rassen die over de locaties heen consequent presteerden SU Hybingo, KWS Sabrum, KWS Keitum, SY Revolution, SU Horizon, RGT Farmeo, KWS Sverre, LG Tomjol, King Kong, KWS Etoile, SU Tammo, Intensity, Celebrity en Chevignon waren.

34-tab-wintertarwe-03-web

Resultaten in kleigebied

Tabellen 4 en 5 geven de resultaten weer die behaald zijn in het kleigebied (kustpolder). In tabel 4 zien we dat er 2 rassen zijn die méér dan 5% boven het gemiddelde scoren: LG Tomjol en King Kong. LG Tomjol imponeerde, met opbrengstcijfers van 107,7% in Koksijde en 107,9% in Houtave. Na LG Tomjol en King Kong volgt een grote groep van 12 rassen die ‘tot 5% boven het gemiddelde’ scoren.

34-tab-wintertarwe-04-web

Volledigheidshalve moeten we meegeven dat 7 rassen ‘tot 5% onder het gemiddelde’ scoren en 2 rassen ‘meer dan 5% onder het gemiddelde’. Tabel 4 leert ons nog dat er in Houthave 11.562 kg/ha werd geoogst en dat Koksijde het nog beter (zo’n 1.255 kg/ha) doet, met in totaal 12.817 kg/ha.

Tabel 5 geeft de meerjarige resultaten behaald in het kleigebied weer en filtert zo de effecten die genoteerd zijn in 1 jaar of op 1 locatie meer uit.

34-tab-wintertarwe-05-web

Hectolitergewicht

Het hectolitergewicht is een maat voor de dichtheid van de granen, die wordt uitgedrukt als een volume-eenheid in kg per 100 l. Deze parameter geeft een indicatie van de kwaliteit van de granen, en kan variëren naargelang het type graan en de omstandigheden waarin het graan wordt opgeslagen. Het hectolitergewicht van de wintertarwe bedraagt in 2026 gemiddeld over alle rassen en proefplaatsen 79,2 kg/hl, tegenover 80,7 kg in 2025 en 76,3 kg in 2024.

King Kong en Ambientus hadden het hoogste hectolitergewicht, gevolgd door Geluck, KWS Etoile en Olaf. De meeste rassen hebben een ‘gemiddeld’ hectolitergewicht. Dat geldt voor maar liefst 14 van de 23 rassen.

Duizendkorrelgewicht, eiwit- en vochtgehalte

Het duizendkorrelgewicht (DKG) is het gewicht van 1.000 graankorrels, uitgedrukt in gram. Het duidt de grootte en het gewicht van de korrels. In 2026 bedraagt het DKG van de wintertarwe 45,6 g per 1.000 zaden gemiddeld over alle rassen en proefplaatsen. In 2025 was dit 50,7 g en in 2024 40,8 g.

KWS Keitum en SY Revolution zijn de rassen met het hoogste DKG. Ze worden gevolgd door een groep van 6 rassen met een tamelijk hoog DKG: KWS Extase, Hybiscus, KWS Sverre, KWS Sabrum, RGT Farmeo en SU Horizon.

Ambientus, LG Tomjol en Intensity behaalden het voorbije jaar het hoogste eiwitgehalte in proef, gevolgd door KWS Erruptium, dat een tamelijk hoog eiwitgehalte liet noteren.

Het vochtgehalte van granen is het percentage water dat in het graan aanwezig is. Dat wordt uitgedrukt als een percentage van het totale gewicht van het graan. Het is een interessante parameter om de vroegheid van een variëteit te beoordelen, maar het is ook belangrijk voor de opslag, kwaliteit en verwerkbaarheid van het graan. Een te hoog vochtgehalte kan leiden tot bederf door schimmelgroei en/of insectenschade, terwijl een te laag vochtgehalte kan resulteren in broze korrels en verminderde kwaliteit. Het vochtgehalte van de wintertarwe bij de oogst bedraagt in 2026 gemiddeld over alle rassen en proefplaatsen 12,4% vocht, tegenover 13,5% in 2025 en 13,4% in 2024.

KWS Sverre, Geluck, LG Tomjol en SU Hybingo zijn de rassen met het hoogste vochtgehalte. Ze worden gevolgd door een groep met 3 rassen die een tamelijk hoog vochtgehalte noteerden: KWS Keitum, SY Revolution en Ambientus.

Vroegrijpheid, strolengte en tolerantie tegen legeren

Tussen de stadia ‘in aar komen’ en ‘bloei’ wordt van alle rassen op een bepaald moment het gewasstadium beoordeeld. Hoe hoger het cijfer dat ze bij die beoordeling meekrijgen, hoe verder het ras zich op het waarnemingsmoment bevindt in ontwikkeling. Een hoge waarde betekent dus een vroege variëteit.

Hybiscus, Celebrity en Intensity toonden zich in de proefveldwerking als zeer vroege rassen, gevolgd door Godzilla en RGT Farmeo, die als vroege rassen beoordeeld werden. Champion is dan weer een zeer laat ras. KWS Sverre, Geluck, KWS Keitum en SY Revolution zijn late rassen. De overige 13 variëteiten die in proef meeliepen, zijn ‘gemiddeld’ beoordeeld op het vlak van vroegheid van aarvorming.

De lengte van het stro wordt op het einde van het seizoen gemeten van de grond tot de onderkant van de aar. Op elke locatie zijn er groeiregulatoren toegepast volgens regionale landbouwpraktijk. In 2026 is de gemiddelde strolengte 88,5 cm, tegenover 80,8 cm in 2025 en 81,5 cm in 2024.

Kort vóór de oogst van de wintertarwe trad op diverse proefplaatsen lichte legering op. KWS Sverre, SU Tammo, King Kong, Godzilla, Olaf en Ambientus toonden zich dit jaar het gevoeligst voor legering.

Zowel in proef- als praktijkomstandigheden lagen de wintertarweopbrengsten op een hoog niveau.
Zowel in proef- als praktijkomstandigheden lagen de wintertarweopbrengsten op een hoog niveau. - Foto: TD

Ziektedruk

Het LCG volgde ook dit jaar de rassen op inzake hun ziektegevoeligheid. Daar de ziektegevoeligheid van de rassen kan wijzigen in de loop der jaren, beschikken ze ook over een meerjarige beoordeling, gebaseerd op de beschikbare data van de variëteiten in de voorbije 5 jaar. Deze parameter houdt rekening met het jaarlijkse gemiddelde, en dus met de ziektedruk van het betreffende seizoen. Het kan dus interessant zijn om bij de rassenkeuze ook de meerjarige beoordeling te raadplegen, want een cijfer van het ene seizoen is niet hetzelfde in een ander seizoen. Dit is afhankelijk van de ziektedruk dat jaar. Daarnaast evolueren ziektes ook met de jaren, dus dit kan ook een impact hebben.

Net als vorig jaar kwam meeldauw in 2026 eerder beperkt voor. Dit blijkt ook uit de gemiddelde score van 8,3. Dat ligt in lijn met 8,1 vorig jaar. Een score van 9 duidt op een heel gezond gewas. De variëteiten Godzilla, Geluck en Chevignon uiten zich in een meerjarige beoordeling gevoelig voor meeldauw. KWS Extase, Ambientus en KWS Sverre zijn tamelijk gevoelig. SY Revolution is dan weer tolerant voor meeldauw.

In 2026 was er een gematigde druk van septoria aanwezig. Dit valt ook op te maken uit het gemiddelde cijfer, over alle rassen heen: 6,7 (op 9). In 2025 was er een lage druk van septoria: 7,6. In 2024 hadden we een nat voorjaar, en dus met een hogere druk van bladvlekkenziekte: 5,3. Een meerjarige beoordeling toont dat de variëteiten KWS Sabrum en Godzilla gevoelig zijn voor septoria, gevolgd door Celebrity, Intensity, KWS Erruptium, KWS Keitum en Geluck, die tamelijk gevoelig zijn. SU Horizon en SU Ecusson zijn dan weer tolerant.

Voor gele roest maakt het LCG een onderscheid tussen het binnenland en de kustregio, omdat er gemiddeld gezien een hogere druk van gele roest is in de kustregio. Dit seizoen was de druk relatief gezien niet zo hoog. In de kustregio was er bij bepaalde variëteiten wél een duidelijke aantasting van gele roest. Uit de data van het LCG leiden we af dat dit bijvoorbeeld zo was voor de rassen Geluck, Hybiscus, KWS Sabrum, Celebrity en Champion.

Dit seizoen was de aanwezigheid van bruine roest relatief laag. Dit blijkt ook uit het algemeen gemiddelde: 7,8 op 9, waarbij het cijfer ‘9’ duidt op een gezond gewas. KWS Keitum, SU Tammo en Champion bleken dit jaar het meest gevoelig voor bruine roest.

Meeropbrengst: behandeld versus onbehandeld

De ziektedruk lag dit jaar relatief laag, waardoor de verschillen in ziektegevoeligheid tussen de rassen minder uitgesproken waren. Op alle proeflocaties worden extra proeflotjes aangelegd, die doorheen het seizoen volledig onbehandeld blijven. Ze worden gebruikt om de ziektegevoeligheid van de rassen doorheen het seizoen te beoordelen. Op 2 locaties (Zwevegem en Lennik) werden deze onbehandelde plotjes geoogst, waardoor ook de invloed van de ziektetolerantie op de opbrengst zichtbaar wordt. De resultaten daarvan vind je in tabel 6.

34-tab-wintertarwe-06-web

Zo is te zien dat rassen met een betere ziekteweerbaarheid onder extensieve omstandigheden een hogere relatieve opbrengst noteren, terwijl gevoeligere rassen eerder een terugval vertonen. Hoe groter de procentuele meeropbrengst, die behandeld vergelijkt met onbehandeld, hoe meer impact er is te verwachten in extensievere uitbating op de opbrengst door ziekteaantasting. De verschillen zijn echter klein, door de beperktere ziektedruk. Deze opbrengstbepaling gebeurde onder volledig onbehandelde omstandigheden en is daarom vooral te beschouwen als een indicator van de rasgevoeligheid.

Jan Van Bavel

Lees ook in Granen

België bij de top voor graanopbrengsten

Granen Het is niet verwonderlijk dat de hittegolf van eind mei de graanopbrengsten in sommige Europese regio's zal beïnvloeden. De impact van de hittegolf in juni zal echter waarschijnlijk veel groter zijn wegens de grotere ‘waterstress’ die de gewassen ondervonden.
Meer artikelen bekijken