Startpagina Varkens

Varkenshouderij Porcus houdt mestverwerking en voeders in eigen handen

Op de Dag van de Landbouw (13 september) opent Jan Arnouts de deuren van zijn vleesvarkensbedrijf Porcus. Hij wil bezoekers tonen welke inspanningen hij levert voor het milieu en dat ook de varkenshouderij een lokaal verhaal is. “Ons vlees is echt niet bedoeld voor de export, ondanks wat buitenstaanders dikwijls denken.”

Leestijd : 8 min

Juist voor ons bezoek begon met de komst van 588 biggen een nieuwe ronde bij Porcus, het vleesvarkensbedrijf van Jan Arnouts met 6.500 plaatsen in Wuustwezel. “Eigenlijk begint het al ervoor”, legt Jan ons uit. “We hebben eerst de stallen gereinigd, helemaal ontsmet en klaargemaakt.” De biggen komen onmiddellijk van de vrachtwagen in een warme stal terecht, waar een bak voer klaarstaat. “Dan zijn we in principe vertrokken. Overmorgen, als de rust een beetje is teruggekeerd in de stal, krijgen ze nog een extra vaccinatie tegen longproblemen. Vijf weken later ontwormen we ze tegen parasieten.”

Voor de rest is het volgens Jan niet meer dan ervoor zorgen dat de varkens blijven eten en gezond blijven. Na 16 à 17 weken zijn ze op gewicht om geslacht te worden.

De juiste voeders

Als halftijdse onafhankelijke voederadviseur weet Jan als geen ander dat er niets belangrijker is bij het afmesten dan de juiste voeders. Met ventielen kan de hoeveelheid voeder elke dag aangepast worden per voerbak voor 20 varkens. “Dagelijks kijken we na of ze de portie van die dag helemaal op hebben. Op basis van de voederopname kunnen we de gezondheid van de varkens voor een groot deel monitoren.”

Zelf stelt hij sinds 2020 zijn eigen voeders samen. “Daarvoor kochten mijn ouders en ik altijd commercieel voer aan, maar geregeld was er discussie over de kwaliteit van het voer. Zeker door mycotoxines hadden we problemen met de immuniteit van de zeugen die we toen nog hadden.”

In 2020 breidde hij het bedrijf uit met 4.500 extra dierplaatsen. “Plots hadden we de schaalgrootte waarop het efficiënt is om volle camions granen te laten komen. De investering van de voerkeuken was ook realistisch afschrijfbaar. Toen hebben we de stap gezet om de voeders in eigen handen te nemen.”

Elke dag controleren Jan Arnouts of zijn medewerker of de varkens hun voederbak hebben leeggegeten.
Elke dag controleren Jan Arnouts of zijn medewerker of de varkens hun voederbak hebben leeggegeten. - Foto: Jan Arnouts

Samen met een onafhankelijke nutritionist heeft Jan de samenstelling van de voeders helemaal op punt gesteld. De basis bestaat uit tarwe en gerst, met soja als eiwitbron en een vezelmix waarmee Jan flexibel kan sturen op de darmgezondheid. Dat vult hij aan met restproducten uit de voederindustrie, zoals een koekmix als bron van vet en snelle suikers en tarwekortmeel om de kostprijs te drukken. Het laatste puzzelstukje van de voedersamenstelling zijn de vitaminen, mineralen en aanvullende aminozuren, ‘helemaal afgesteld op de genetica van de biggen die hier aankomen’.

Jan maakt 4 soorten voeders: voor de starters, voor de groeiers tussen 50 en 80 kg, voor de zeugen en voor de beren in de eindfase. “Omdat Colruyt graag intacte beren wil, dus niet gecastreerd, moeten wij volgens het lastenboek ofwel inspuiten met Improvac, ofwel de laatste 2 weken voederen met een speciaal voeder om de beergeur te onderdrukken.” Omdat hij zo goed uit de voeten kan met voeders, koos Jan voor het laatste.

Omdat hij de samenstelling van de voeders volledig zelf in handen heeft, kan de varkenshouder snel schakelen indien de genetische lijn van de biggen significant zou veranderen of de grondkosten zouden stijgen. Anderzijds kan hij op schakelmomenten de voeders aanpassen naar rijker voer indien de varkens net iets minder goed groeien of een eiwittekort hebben.

Zelf mest verwerken

De varkensstallen van Jan staan naast een aantal grote tanks, die deel uitmaken van een biologische mestverwerkingsinstallatie. “Onze varkensmest en externe mest worden in een tank gehomogeniseerd. Daarna gaat die mest naar een centrifuge, waarbij de vaste en vloeibare fractie gescheiden worden. In de vaste fractie zit vooral de fosfor. Vijf à 6 keer per jaar komen ze onze opslagloods van 400 ton leegmaken, waarna ze de vaste fractie composteren en in Frankrijk afzetten.”

In de vloeistoffractie blijft de stikstof uit de mest achter. “Die gaan we verder verwerken met een proces dat vergelijkbaar is met waterzuivering. In een bekken met zuurstof zetten nitrificerende bacteriën de ammoniak om naar nitraat. Dan circuleert de mest naar een niet-belucht bekken, waar andere bacteriën van de nitraat stikstofgas maken. Dat is compleet onschadelijk, bijna 80% van de atmosfeer bestaat uit stikstofgas.” Op deze manier haalt Jan zo’n 90% van de stikstof en fosfaat uit de mest.

Een tank van de mestverwerkingsinstallatie op het varkensbedrijf Porcus. Op de achtergrond zie je de silo’s met de voederingrediënten.
Een tank van de mestverwerkingsinstallatie op het varkensbedrijf Porcus. Op de achtergrond zie je de silo’s met de voederingrediënten. - Foto: ThD

“In het restproduct, het bruine water of effluent, zit de rest van de stikstof en de fosfaat. Landbouwers die mest brengen, pakken in retour meestal effluent mee terug. Melkveehouders rijden het effluent uit op hun grasland in ruil voor korting op hun kosten voor de mestverwerking. Op deze manier raakt het netjes verspreid over verschillende hectaren zonder het land te verzouten.”

Jaarlijks verwerkt de installatie van Jan 15.000 kuub mest, waarvan 6.000 kuub eigen varkensmest. Zo’n 60% van de mest komt van andere veehouders, vooral van melkveehouders en de biggenleveranciers. “De vraag is groter dan het aanbod, ze staan aan de poort te drummen om mest te mogen brengen. Maar voor ons is het belangrijker dat we op een verantwoorde manier het effluent kunnen afzetten.”

Zes jaar geleden begon Jan met zelf mest te verwerken. “Mijn vader was een van de pioniers die 25 jaar geleden met een hoop andere boeren de centrale mestverwerking in Brecht oprichtte. Hij heeft dus de knowhow. Toen we in 2020 uitbreidden met 4.500 varkens stonden we voor een keuze: meer aandelen kopen bij de verwerking en duurdere transportkosten, of het zelf doen.”

Lokaal verhaal

In 2024 deed Jan zijn eigen 800 zeugen weg. Dat betekende het einde van het gesloten varkensbedrijf. “Mijn ouders gingen toen op pensioen, waardoor er minder arbeid beschikbaar kwam. De zeugenstal was ook versleten, en een vergunning krijgen voor een nieuwe stal is moeilijk door de vele natuurgebieden rondom ons, los van de financiering en de zoektocht naar nieuw personeel. Die factoren kwamen op dat moment samen met de opkoopregeling voor varkenshouders, waardoor het voor ons bedrijf interessant was om daarin te stappen.” De overblijvende emissiearme varkensstallen baat Jan nog samen met een Roemeense medewerker uit. “Het was een moeilijke beslissing, omdat je het biggen kweken uit handen geeft. Maar het was gezien de omstandigheden de meest logische beslissing.”

Nu heeft hij 2 biggenleveranciers waarmee hij structureel samenwerkt. “We vonden geen biggenleverancier die van één locatie alle biggen kon voorzien. We hebben hier 4 stallen, 2 stallen gevuld met biggen van de ene leverancier, 2 met die van de andere om de ziektedruk zoveel mogelijk gescheiden te houden.” Beide leveranciers zitten elk in hun eigen systeem: van de ene leverancier komen ze om de 3 weken, bij de andere elke 2,5 weken. “Zo komen er om de week 600 tot 700 biggen toe op ons bedrijf.”

Links de varkensstallen, rechts de loods voor de opslag van de droge fractie.
Links de varkensstallen, rechts de loods voor de opslag van de droge fractie. - Foto: ThD

Jan vindt het belangrijk om een goede verstandhouding te hebben met zijn biggenleveranciers. “We proberen allemaal een win-winsituatie uit onze samenwerking te halen. Wij nemen hun biggen af, en zij geven ons informatie over de gezondheid en het voer van de biggen, zodat we daar naadloos op kunnen aansluiten. Als er problemen zijn, moeten we er ook gewoon over kunnen praten. Met getrokken messen tegenover elkaar staan, daar kom je meestal niet ver mee.”

Een van de leveranciers zit maar op 5 minuten van het bedrijf van Jan. Op de Dag van de Landbouw zet Jan een groot scherm waarop beelden van op het bedrijf van de leverancier te zien zullen zijn. Daarmee wil Jan zijn bezoekers tonen dat zijn bedrijf deel uitmaakt van een groot, maar lokaal, ecosysteem. “De biggen komen van 2 km hiervandaan, ze worden hier afgemest, een halve km verder is het slachthuis dat ze slacht en versnijdt, waarna ze in de Spar en Colruyt van het dorp belanden. Ons vlees is echt niet bedoeld voor de export, ondanks wat buitenstaanders dikwijls denken. Het is hier een lokaal verhaal.”

Biobed-luchtwasser

Daarnaast opent Jan zijn deuren op de Dag van de Landbouw om te tonen dat hij effectief inspanningen levert voor het milieu. “Mensen denken dat wij subsidieslurpers zijn zonder dat zij er iets voor terug krijgen. Ik wil laten zien wat voor inspanningen wij doen om onze uitstoot te minderen, regenwater te recycleren en mest te verwerken.”

Elke stal, zelfs de oudere varkensstal van 50 jaar oud, is helemaal up-to-date ingericht en emissiearm. Een oude biggenstal die nu dienst doet als back-up, is in 2018 nog emissiearm uitgevoerd met een water-mestkanaal in de put.

De andere 4 stallen zijn aangesloten op een biobed-luchtwasser van 1.500 m2. Dat is een forse oppervlakte en meer dan eigenlijk nodig is. Metingen van ILVO leren dat het 85% van de ammoniak en 93% van de geur wegneemt. “Dat is stukken beter dan de wettelijke normen, maar we voelen ons comfortabel bij de extra marge.”

Voor de bouw van de nieuwe stallen in 2020 werkte Jan met een chemische luchtwasser, maar eigenlijk gebruikt hij liever geen zware chemicaliën. Bij een collega zag hij de mogelijkheden van een biobed-luchtwasser. De kostprijs van de installatie is vergelijkbaar met die van een chemische luchtwasser, door de grote hoeveelheid beton en roosters die nodig zijn voor het bekken.

Maar het scheelt veel in onderhoud. Je hebt enkel een circulatiepomp nodig die continu werkt, maar voor de rest zijn er geen chemicaliën. Het houtpakket in het bekken moet elk half jaar gekeerd worden met een kraan. Elke 2 jaar moet het hout eraf gehaald en uitgezeefd worden. Het grof hout mag terug op de hoop en wordt aangevuld met houtresten die Jan krijgt van loonwerkers uit de buurt. “We laten juist ervoor een grote maler komen om al die stronken te verwerken. Dan moet je nog het hout sproeien als het droog is, maar qua onderhoud valt het goed mee.” In tegenstelling tot andere luchtwassers verwijdert een biobed voor een groot stuk de geur uit de stallen en zijn er geen restproducten.

De biobed-luchtwasser heeft een oppervlakte van 1.500 m2 en is gevuld met houtresten.
De biobed-luchtwasser heeft een oppervlakte van 1.500 m2 en is gevuld met houtresten. - Foto: ThD

“Het is een andere schaal, een andere methodiek, maar microbiologisch werkt het zoals klassieke mestverwerking.” De lucht in de stallen wordt verzameld in een centraal kanaal bovenin de nok, zoals bij de meeste nieuwe vleesvarkensstallen. Ventilatoren drukken de lucht vervolgens naar beneden door een interne koker, waarin een voorvernevelaar zit die de lucht bevocht voordat het naar het hout gaat. Zo haalt het al het stof en een deel van de geurcomponenten eruit. “De lucht moet ook vochtig zijn, omdat het houtpakket nooit mag uitdrogen. De nitrificerende bacteriën die de ammoniak vangen en omzetten naar nitraat zitten in het hout.”

De nitraat is opgelost in water en hangt in het houtpakket tot het regent of besproeid wordt met gerecycleerd regenwater tijdens droogte. Het water met het nitraat druppelt dan door het pakket tot het in een kelder komt waarin permanent een halve meter stilstaand water staat. ”Daarin zitten bacteriën die het nitraat omzetten in onschadelijk stikstofgas, de denitrificatie.”

De toekomst

Het bedrijf is volledig in orde voor de stikstofdeadline van 2030. Het is uitgerust om snel en veel varkens te produceren en ook de afzet van de mest is in kannen en kruiken. “We kunnen op deze manier gerust 15 jaar verder.”

Technisch gezien zou een vergister om energie op te wekken nog perfect in te passen zijn in het mestverwerkingsproces. “Nu produceren we maar een kwart van onze energievraag via zonnepanelen. Met een vergister zouden we nog meer groene energie produceren en zouden we misschien zelfs voldoen aan onze volledige vraag. Vergunningstechnisch is een vergister echter moeilijk, omdat we tegen de limieten van de geur stoten. Jammer eigenlijk, maar we hebben geen zin om 5 jaar te procederen voor enkel die vergister. Misschien willen we er opnieuw naar kijken als er een duidelijk kader komt waarin is vastgelegd wat wel en niet mag met vergisters.”

Op de Dag van de Landbouw kan je het bedrijf van Jan bezoeken via een afgebakend parcours met op 7 plaatsen extra uitleg. “Voor elke bezoeker hebben we nog een braadworst voorzien van ons vlees, zodat ze kunnen proeven wat we hier maken.”

Thor Deyaert

Lees ook in Varkens

Meer artikelen bekijken