Proefhoeve Bottelare is schakel tussen onderzoek en praktijk
Vorige week belichtten we het eerste deel van ons proefveldbezoek in Bottelare. We stonden toen stil bij enkele proeven omtrent voedergewassen. Er was echter meer dan proefveldwerking in voedergewassen te zien.

In Bottelare (Merelbeke) realiseren de onderzoekers een mooie samenwerking tussen de Hogeschool Gent en de Universiteit van Gent. Op een 50-tal ha landbouwgrond of op 25.000 proefplots doen zo’n 20 medewerkers fundamenteel en praktisch onderzoek. De proefhoeve vormt een belangrijke schakel tussen dat onderzoek, maar is ook een belangrijke schakel met de praktijk en het onderwijs.
Tijdens de proefveldrondgang werden enkele onderzoeksthema's in de kijker gezet, zoals geïntegreerde gewasbescherming (IPM), kruidenrijk grasland, agrobiodiversiteit en de rol van ecosysteemdiensten. Nieuw dit jaar was de aandacht voor innovatieve technologieën en precisielandbouw. In samenwerking met partner CityMesh werden de mogelijkheden van drones in de landbouw getoond.
IPM bij aardappelen
In aardappelen werd een proef bezocht die volgt uit de Bayer Leerstoel en die een samenwerking is tussen Bayer en de Universiteit Gent. Bayer doet hierbij een financiële bijdrage voor praktijkgericht onderzoek naar duurzame landbouw. De focus ligt hier volledig op het IPM-concept. Valérie Claeys, wetenschappelijk medewerker aan de proefhoeve, zorgde voor de toelichting. “IPM is eigenlijk het beheersen van ziekten, plagen en onkruiden door een reeks maatregelen toe te passen zonder direct naar chemische gewasbescherming te grijpen”, legde ze uit.
In de proef die we bezochten wordt vooral gekeken naar de beheersing van phytophthora bij aardappelen. “De eerste hoofdpijler van IPM is preventie en dat doen we met een goede rassenkeuze. Daarom liggen er ook meerdere rassen aan om te screenen hoe gevoelig ze zich uiten voor phytophthora. Een tweede preventieve maatregel is de toepassing van een biostimulant die de natuurlijke weerstand van het gewas tegen de aardappelplaag verhoogt.”
De tweede pijler binnen IPM is monitoring. Dat werd op het proefveld gedaan door ziektewaarnemingen in het gewas, chlorofylmetingen en door een drone te laten vliegen die het gewas monitort. De derde pijler is interventie. Dat werd gerealiseerd door 2 ziektebeheersingsstrategieën naast elkaar uit te voeren en te vergelijken. De eerste is om zelf te spuiten, de tweede strategie volgt het Viaverda- waarschuwingssysteem.
Door de droge zomer was er maar weinig ziektedruk in de proef, waardoor tijdens het proefveldbezoek begin september dan ook nog maar weinig conclusies konden meegegeven worden. Een conclusie was dat het meest droogteresistente ras (Edison) ook het meest gevoelig was voor phytophthora. Fontane bleek dan weer het meest aangetast door alternaria, maar had het minst last van de droogte en had begin september nog het meeste groen loof.
Functionele agrobiodiversiteit
Bram Vanthournout, wetenschappelijk onderzoeker aan de Hogeschool Gent, gaf duiding bij de proefveldwerking rond functionele agrobiodiversiteit. Hij noemt dit een breder begrip dan dat er enkel gekeken wordt naar de biodiversiteit die je in het landschap vindt. Welke biodiversiteit is nuttig voor de landbouwer én kan hij gebruiken voor zijn gewassen, dat is de onderzoeksvraag waarrond gewerkt wordt.
“Een van de maatregelen die we al vaak gebruiken en verder proberen te ontwikkelen, is het aantrekken van natuurlijke vijanden en bestuivers naar het gewas door het aanleggen van bloemenranden.” Tijdens het proefveldbezoek toonde Vanthournout de geïnteresseerden een bloemenrand die al voor de vierde zomer op rij aanlag. “Normaal merk je na verloop van tijd vergrassing in de bloemenrand, maar dat valt bij deze nog bijzonder goed mee. Door de droogte van de afgelopen zomer is de bloemenrand wel veel sneller uitgebloeid.”

Vanthournout raadde ook aan om geen bloemenranden aan te leggen die insecten aantrekken die schadelijk zijn voor de teelt. “Zo wordt er het best naast een veld wortelen geen bloemenrand met schermbloemigen aangelegd, of geen kolen na een bloemenrand met veel gele mosterd. Daar moet je dus ook rekening houden met de vruchtwisseling.”
De nieuwste techniek om te weten welke insecten in de bloemenrand zitten, is de automatische camera. Daardoor kan er continu gemonitord worden. De camerabeelden kunnen geanalyseerd worden door een intelligent algoritme dat de aanwezigheid van soorten, hun hoeveelheden en hun verspreiding in de tijd in beeld brengt.
Verder onderzoek willen ze aan de proefhoeve nog doen naar bloemenranden langs en in beschermingsstroken. “Momenteel wordt er te nauw gekeken naar erosie en nutriëntenuitspoeling op beschermingsstroken, maar ze kunnen misschien nog meer ecosysteemdiensten leveren, bijvoorbeeld richting de natuurlijke bestrijders”, aldus nog Vanthournout.
Rassenproeven maïs
De rassenproef kuilmaïs die op het proefplatform in Bottelare aanlag, was op het moment van proefveldbezoek al geoogst. “Uitzonderlijk vroeg”, merkte onderzoeker Joos Latré op. De rassenproef korrelmaïs konden we nog wel bezoeken. Het voorlopige en het normale netwerk vertegenwoordigen samen ergens rond de 100 rassen die aanliggen op het proefplatform. Ze hier allemaal bespreken zou ons te ver leiden. Wel gaf Latré enkele interessante teelttechnische handvaten mee. Zo werd er uitgezaaid aan 90.000 korrels/ha, wat zeer goed uitpakte dit jaar. In een droog jaar, zoals 2026, kan je door niet te dik te zaaien toch een voldoende kolfopbrengst hebben.
De week voor het proefveldbezoek werden de maïsrassen opgevolgd inzake het voorkomen van builenbrand, zowel op de kolf als op de stengel. Ook legering en planten zonder kolf werden opgevolgd. “Statistisch zijn er geen verschillen te zien, maar er zijn rassen die duidelijk meer planten zonder kolf tonen dan andere.”
Naast builenbrand kon begin september ook al fusariumaantasting gezien worden. Dat is iets wat Latré dit jaar niet echt verwacht had, omdat we fusarium altijd linken met regen en we net een droge zomer hadden. Hij zoekt de verklaring dan ook bij het feit dat de planten stress moeten gehad hebben door de weersomstandigheden en dat dit nu door het verschijnen van fusarium tot uiting komt. “In normale jaren zie je pas in oktober, november, december de fusariumaantasting in maïs. Nu zien we dat al begin september, iets om op te volgen in de toekomst”, concludeerde Joos Latré.
Drone biedt mogelijkheden
Ten slotte werd er nog een demonstratie gegeven met een drone. Die werd verzorgd door CityMesh en toegelicht door hun onderzoeksmanager Jens Buysse. CityMesh is een telecomoperator die hoofdzakelijk voor bedrijven, lucht- en zeehaven-uitbaters, onderzoeksinstellingen enzomeer werkt. “We verzorgen hun privaat 5G-netwerk en zijn daarnaast droneoperator. Verdeeld over België hebben we 70 ‘droneboxen’, dit is een soort mobiele stijg- en landingsplaats voor drones. In zowel het Vlaamse, Franse als Duitse landsgedeelte hebben we een droneoperator op kantoor. Die kan de drones vanop afstand aansturen. Voor Vlaanderen bevindt de droneoperator zich in Oostkamp.”

De drone die gedemonstreerd werd, heeft een RGB-kleurencamera en een warmtecamera.“ De data die de drone maakt, worden via het 5G-netwerk naar het platform van de operator gestuurd. CityMesh werkt onder meer samen met de brandweer en kan voor die ter plaatse is, al met de drone beelden hebben verzameld en geanalyseerd. Zo wordt snel duidelijk of bijvoorbeeld een ziekenwagen nodig is, hoeveel brandweerlieden moeten uitrukken of er slachtoffers getrieerd moeten worden...”
Ook andere sectoren bieden mogelijkheden voor CityMesh, zoals de landbouw. Op de proefhoeve in Bottelare brachten ze met de drone de toestand van het aardappelveld in kaart. “Aan de hand van de warmte die de aardappelen uitstralen zou je bijvoorbeeld kunnen afleiden hoe erg ze getroffen zijn door phytophthora. Je kan tevens zien welke deel van het veld meer warmte afgeeft, zieker is of meer water nodig heeft. Ook schadegevallen door onweer of andere in het veld kunnen makkelijk in beeld gebracht worden en vlot richting verzekering doorgegeven worden”, legde Jens Buysse uit.
Wie in de buurt van een dronestandplaats zit, zou binnen de 5 minuten na aanvraag een drone boven zijn veld kunnen hebben. “Het voordeel is dat er beperkte kosten zijn. Wie ter plaatse moet komen om met een drone een vlucht uit te voeren, kampt doorgaans met hogere werkingskosten. De grote schaal van het systeem van CityMesh is voordelig richting kostenbeheersing”, aldus Buysse. De drone vliegt op minstens 90 m hoogte en maximaal 150 m hoogte, omwille van de wetgeving waaraan dit type drone moet voldoen. De drone heeft een autonomie van 20 minuten. Dat is afhankelijk van de hoeveelheid wind die er staat en de drone beslaat ongeveer 5 km. Hem opladen duurt 40 minuten.
“De kostprijs bedraagt enkele honderden euro’s voor enkele vluchten. Als landbouwers samenwerken en omliggende akkers kunnen in 1 keer ge-scand worden door de drone, dan daalt de kostprijs per individuele boer wel stevig”, gaf Buysse aan. “Schaalvergroting kan de kostprijs naar beneden brengen. Verschillende partijen moeten elkaar hiervoor vinden. Wij ontzorgen hen voor wat betreft de administratie en vergunningen rond de drone, zo kan de klant zich enkel focussen op het agronomische en op het analyseren van de beelden.”





