Heeft het traditionele gezinsbedrijf nog wel een toekomst?
Op een ontbijtsessie tijdens de Agridagen in Ravels vroeg onderzoeksinstituut ILVO zich af hoe het gezinsbedrijf nog een toekomst kan hebben. Meer samenwerken is de boodschap, maar dat kan op verschillende manieren.

Het gezinsbedrijf is nog steeds belangrijk in de Vlaamse land- en tuinbouw. Driekwart van de landbouwbedrijven draait volledig of voor meer dan de helft op familiale arbeid: vooral gezinsleden doen het bedrijf draaien. Terwijl het aantal landbouwbedrijven echter gestaag daalt, stijgt het aandeel niet-gezinsbedrijven wel volgens cijfers die het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) voorstelde op de Agridagen in Ravels.
De boodschap op een ontbijtsessie georganiseerd door ILVO was dan ook duidelijk: het traditionele gezinsbedrijf staat onder enorme druk. Boeren gaan gebukt onder economische zorgen en investeringsnoden, de werkdruk, administratieve overlast door complexe regelgeving en extra taken bovenop de gewone landbouwactiviteiten (marketing, personeelsdossiers...).
Daarom zijn boeren op zoek naar hulp om hen te verlossen van (enkele van) deze zorgen, zoals Anne-Marie Vangeenberghe, consulent coöperatief ondernemen en samenwerking bij Boerenbond, aangaf tijdens de ontbijtsessie. “Tegelijk willen boeren het familiaal model behouden”, merkte ze op, waardoor het een gevoelig onderwerp is.
Zakelijke ondernemingen
Een studie van KBC over de toekomst van de Vlaamse landbouwsector geeft al een indicatie van hoe landbouwbedrijven het hoofd zullen bieden aan de toenemende druk. “In 2040 blijven er nog ongeveer 10.000 professionele landbouwbedrijven over, een derde minder dan vandaag”, lichtte KBC-directeur Jan Leyten toe. ”80% daarvan zullen nog steeds gezinsbedrijven zijn, maar de rest zal sterk groeien door meer samen te werken en door fusies en overnames.”
Die gezinsbedrijven evolueren naar een zakelijke onderneming. Omdat deze bedrijven hard groeien, wordt management steeds belangrijker, leggen Jan Leyten en Lies Messely (ILVO) uit. Een CEO of algemeen directeur staat aan het hoofd ervan. De bedrijven trekken extern kapitaal aan om de groei te financieren en om sterk in te zetten op technologie, waardoor aandeelhouders een vinger in de pap te brokken krijgen. Er is ook meer nood aan arbeidskrachten. Tegenover efficiëntiewinst en schaalgrootte staan wel grotere afhankelijkheid van kapitaal en voor een stuk een verlies van autonomie, waarschuwt Messely.
Den Berk Délice
Den Berk Délice in de Noorderkempen is een voorbeeld van een tuinbedrijf dat dit pad is ingeslagen. Ondertussen is het een groot bedrijf met meer dan 1000 werknemers, maar 25 jaar geleden waren het nog 4 aparte gezinsbedrijven, legt Luc Beirinckx, een van de bedrijfsleiders, uit.
De samenwerking tussen de 4 gezinsbedrijven begon naar aanleiding van enkele moeilijke jaren in de jaren 90. “Die boden kansen om naar elkaar toe te groeien, juist om een antwoord te bieden op die problemen. We voelden bij elkaar eenzelfde visie over kwaliteit, innovatie en perfectionisme.”
De samenwerking tussen de bedrijven is door de jaren heen gegroeid op een bedje van vertrouwen. “Eerst versterkten we elkaar bij de optimalisatie van de teelten. Dan hebben we steeds naar verdere verbeteringen gezocht, bijvoorbeeld door samen aankopen te doen om de kosten te drukken. Telkens zagen we dat één en één meer is dan 2 bij onze samenwerking.” In 2014 volgde dan ook de fusie van de verschillende bedrijven onder de noemer Den Berk Délice.
Ondertussen heeft een externe partner voor een kapitaalinjectie gezorgd, waardoor de tomatentelers kunnen investeren in bijvoorbeeld vooruitstrevend rassenonderzoek.
Naast een passie in innovatie in de tomatenteelt, is het voor Luc belangrijk dat ondernemers ver in de toekomst vooruitkijken en een bedrijfsplan opstellen. “Vandaag denken we al na waar we binnen 10 jaar willen staan en hoe we dit kunnen realiseren.”
Ambitieuze plannen hebben natuurlijk de juiste expertise nodig. “Op een bepaald moment beseften we dat we een groeibedrijf zoals het onze niet meer alleen kunnen runnen. Daarom zochten we een algemeen directeur die bij ons past.”
Op maat van het bedrijf
Moet elk land- en tuinbouwbedrijf nu fel groeien om te overleven? Ook al zullen volgens de studie van KBC dit soort bedrijven tegen 2040 80% van de omzet in de sector draaien, toch is er nog plaats voor gezinsbedrijven. “Gezinsbedrijven zullen zelf stabiel groeien en zich differentiëren van het bulkproduct”, zei Leyten. “Door meer in te zetten op verbreding en door meer samen te werken met toeleveranciers en afnemers, maar ook door zich te engageren voor het milieu en het klimaat, zullen ze een bijkomend stuk inkomen genereren en het grootste deel van de subsidies krijgen.”
Tijdens de ontbijtsessie schoof ILVO dan ook nog andere organisatiemodellen naar voren, zoals het community-model, waarbij landbouwers partnerschappen sluiten met de consument. “Een bekend voorbeeld zijn de CSA-bedrijven (Community Supported Agriculture). Leden kopen op voorhand een aandeel van de oogsten en verdelen zo het risico voor de boer onder zich”, aldus Messely. Dat zorgt enerzijds voor meer financiële stabiliteit voor de landbouwer, maar de consumenten kunnen boeren ook helpen op de boerderij en hen zo ontzorgen. “De mate van betrokkenheid van de consumenten kan verschillen, van enkel een aandeel kopen tot meehelpen bij de oogst, marketing of sociale media bijvoorbeeld.” Terug identificeert Messely een aantal knelpunten, zoals de beperkte schaal of problemen bij de vergunningverlening.
Elk organisatiemodel heeft zijn beperkingen. “Maak daarom keuzes over bijvoorbeeld eigendom, grond en kapitaal op maat van je eigen bedrijf en denk na over samenwerkingsverbanden in functie van de visie en waardes die je hebt voor je bedrijf”, zei Messely. “Waarom wil je samenwerken? Om samen grondstoffen aan te kopen, samen te produceren, machines en infrastructuur te delen, samen afzet te zoeken...? Denk ook na over de intensiteit van de samenwerking. Dat kan gaan van een losse, informele samenwerking tot structurele samenwerking met contracten, een coöperatie of zelfs een geïntegreerd bedrijf.”
Het Vlaams Hoeverund
De producentencoöperatie Het Vlaams Hoeverund toont een samenwerkingsverband met een andere intensiteit dan Den Berk Délice. Een honderdtal familiale vleesveebedrijven produceren nog steeds op (relatief) kleine schaal rundvlees onder de paraplu van de coöperatie. Zo leveren ze jaarlijks 3.000 karkassen aan onder andere warenhuisketen Colruyt.
Ondertussen bestaat het Vlaams Hoeverund al meer dan 6 jaar. “Het was de bedoeling om met verschillende boeren samen te werken om afzet te zoeken en een goede prijs te krijgen”, legde Peter Haagen, bestuurder bij de producentenorganisatie, uit.
Het resultaat van de samenwerking zien de vleesveehouders in hun portemonnee. Naast de marktprijs voor het karkas, krijgen de leden een dividenduitkeringen en besparen ze kosten door samen te werken. De coöperatie organiseert samenaankopen van bijvoorbeeld genetisch materiaal en voeders, en de slachtkosten liggen lager door de grotere hoeveelheden karkassen die tegelijk naar het slachthuis gaan.
De leden leren ook van elkaar, waardoor de kwaliteit van het vlees verbeterde op 6 jaar tijd. “Vroeger gaf een rundveehouder zijn vlees mee met de koopman en kreeg je geen feedback. Nu krijgen we de kans om in het slachthuis onze karkassen te vergelijken met die van de andere leden van de coöperatie.”
Een marktmanager komt ook op het bedrijf om te kijken of de runderen slachtrijp zijn. “Dat krengt het ego een beetje”, gaf Haagen toe. “Het vraagt moed en inspanning van de rundveehouders.” Maar het resultaat is een betere prijs/kwaliteitsverhouding. “Een win-win.”
Geen enkel lid is trouwens verplicht om aan Colruyt of een andere klant te leveren. “Maar het is financieel de beste keuze. We krijgen van onze klanten de beste prijs voor onze runderen.”
Integrator Danis
Op de ontbijtsessie van ILVO kwam nog een andere manier van samenwerkingsverbanden in de land- en tuinbouw aan bod: zelfstandige varkenshouders die samenwerken met een breed uitgebouwde integrator als Danis. “Sinds de oprichting van Danis, 72 jaar geleden, zijn er enkel maar meer manieren bijgekomen om samen te werken met varkensboeren”, legt CEO Joris Brams uit.
Voor Danis hangt de volledige keten samen, van genetica, voeding en de slacht, tot het versnijden van het varkensvlees en de eindconsument. “Alle opgedane kennis, ook die we geleerd hebben uit de fouten die we in 70 jaar gemaakt hebben, zijn we bereid te delen met de sector.”
Brams maakt de vergelijking met een buffet om de samenwerking tussen Danis en varkensboeren uit te leggen. “Een boer kan kiezen of hij honger heeft en welk stukje van ons buffet hem smaakt. Varkensboeren kunnen onze oplossingen inpassen in de puzzel van hun bedrijf.”
Door samen te werken met Danis reduceren varkensboeren volgens Brams de risico’s voor hun bedrijf. “We willen de varkensboeren die overblijven helpen met professionaliseren. Ze hoeven de risico’s niet langer alleen te dragen en bouwen dankzij efficiëntiewinsten in de goede jaren een buffer op voor de slechte jaren.
Ik zie de toekomst van gezinsbedrijven in de varkenssector bijna rooskleurig in door de professionaliteit die we elke dag zien bij hen. Dat zijn mensen die beseffen dat we samen sterk staan, en die daarrond een toekomst willen bouwen”, besluit Brams.
Opdracht van ons allemaal
Consumenten en de retail stellen meer dan ooit eisen aan landbouwers, reflecteerde Joris Relaes, administrateur-generaal van ILVO, op het einde van de ontbijtsessie. “Landbouwbedrijven staan op hun zelfstandigheid, maar kunnen hier niet langer aan voldoen zonder samen te werken, op welke manier dan ook. Door gewoon nog wat harder te werken, zal het niet goed komen. Het is tijd voor boeren om even achterover te leunen en goed na te denken over de toekomst van hun bedrijf.”
Hoe die toekomst eruit ziet, is aan boeren zelf om te beslissen, maar (gezins)bedrijven een toekomst geven is een opdracht voor ons allemaal, besloot Relaes. “We moeten landbouwers helpen om modellen uit te dokteren die in de toekomst nog werken.”
ILVO doet momenteel onderzoek om gevoelsmatige bedrijfsevoluties te kwantificeren. Ze verzamelen data om beter te begrijpen welke keuzes werken voor welk profiel. Het onderzoeksinstituut deelde op de ontbijtsessie nog een warme oproep om ervaringen met samenwerkingsverbanden en geleerde lessen te delen met hen.





