PAS-maatwerk maakt duidelijke doorstart
Met de aanstelling van Frank Smeets als nieuwe intendant voor de maatwerkgebieden stikstof maakte het PAS-maatwerk een duidelijke doorstart. Er zijn volgens Vlaams minister Jo Brouns (cd&v) stappen vooruit gezet om op termijn doorgesproken keuzes te kunnen maken.

“De doelstelling blijft zekerheid en duidelijkheid bieden voor economische activiteiten en natuur”, zei de minister daarover in de commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement op 21 april.
Nieuw probleemgebied
Brouns’ partijgenote Mien Van Olmen haalde er in die bijeenkomst het eerste rapport voor de maatwerkgebieden stikstof van de intendant bij. Daarin stelt de nieuwe intendant dat, met de geactualiseerde berekening van de KDW’s (kritische depositiewaarde), in 3 van de 5 maatwerkgebieden de generieke inspanningen zullen volstaan om tegen 2030 de doelstellingen te bereiken. Enkel in het Turnhouts Vennengebied en op de Kalmthoutse Heide zou er nog een overschrijding zijn.
Het viel Van Olmen op dat er in het rapport een nieuw gebied opduikt dat als probleemzone omschreven zou kunnen worden. Het gaat om Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske, Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop, op het grondgebied van de gemeente Hoogstraten, Rijkevorsel en Merksplas. In het Stikstofdecreet is dit gebied niet aangeduid als maatwerkgebied. Het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw (VILT) trekt dan ook snel de conclusie dat Vlaanderen er een nieuw maatwerkgebied bij heeft... De intendant geeft echter aan dat hij het een en ander grondiger wil analyseren en er bij de volgende rapportering verder op zal ingaan.
Ongeruste landbouwers
Ondertussen leeft er ongerustheid onder lokale landbouwers en landbouworganisaties in het gebied. Zij vrezen volgens Mien Van Olmen dat er inderdaad sprake is van een zesde maatwerkgebied.
Minister Brouns leert uit het rapport dat we op de goede weg zijn. “De oplijsting van aandachtspunten en vervolgstappen voor elk maatwerkgebied toont dat de blik vooruit is gericht. Een belangrijke conclusie is dat, op basis van de actualisatie van de doelafstand, de doelstelling voor 2030 voor de maatwerkgebieden binnen handbereik komt”, concludeert hij.
De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) actualiseerde de doelafstand op basis van nieuwe wetenschappelijke gegevens, waaronder nieuwe emissie-inschattingen in Vlaanderen, aanpassingen van het meteojaar, nieuwe data over bemesting, aanpassingen van de kritische depositiewaarden en het buiten beschouwing laten van opgeloste organische stikstof. De resultaten geven aan dat voor de speciale beschermingszone Heesbossen, Vallei van Mark en Merkske, en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop, volgens de nieuwe berekeningen de doelstellingen niet zouden worden gehaald met louter generieke inspanningen. Brouns geeft aan dat deze bevindingen verder worden onderzocht. Dat onderzoek zal de basis vormen voor eventuele verdere beleidskeuzes.
Speciale beschermingszone
Het gaat om een SBZ-gebied (speciale beschermingszone) dat hoofdzakelijk in de gemeente Hoogstraten ligt. De intendant is ook in contact getreden met het lokale bestuur. In de eerste analyse gaat het om kleine, geïsoleerde percelen waar stikstofgevoelige habitats voorkomen, zoals oligotroof en zuur overgangsveen. Het merendeel van de percelen is eigendom van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), onder andere het domein De Elsakker en Wortel-Kolonie, en is al opgenomen in een natuurbeheerplan. Brouns verduidelijkt dat het Stikstofdecreet van 26 januari 2024 de basis vormt en de maatwerkgebieden opsomt. Het SBZ-gebied Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop is hierin niet opgenomen en is dus geen maatwerkgebied.
De minister deelt naar eigen zeggen niet de analyse van VILT om dat gebied te catalogeren als nieuw maatwerkgebied. De intendant kan geen nieuwe maatwerkgebieden aanduiden. Die zijn nominatief vastgelegd in het Stikstofdecreet. Dat kan dus enkel door het parlement aangepast worden. De opdracht van de intendant werd wel zo geformuleerd dat hij op basis van wetenschappelijke inzichten en met ondersteuning van de Vlaamse administraties alle gebieden kan opvolgen waar specifiek maatwerk nodig is of zou blijken. In die zin zegt minister Brouns dat het correct is dat hij in zijn verslag aan de Vlaamse Regering melding maakt van de geactualiseerde berekeningen van VITO. Daaruit blijkt dat er ook in het genoemde SBZ een overschrijding is van de KDW’s na toepassing van generieke maatregelen. Brouns benadrukt dat verder onderzoek nodig is om de juiste toedracht hiervan te kunnen inschatten. Op basis daarvan zullen verdere vervolgstappen eventueel worden bepaald. “Als gevolg van dit rapport verandert er dus ook niets voor de omliggende landbouwers”, sust de minister.





