Startpagina Granen

Hoe winteronkruiden systeemgericht beheersen?

Door steeds zachtere en vochtigere winters komen de winteronkruiden vogelmuur, straatgras en echte kamille prominenter in beeld. In 2025 werd de zaadbank van deze onkruiden op 50 biologische praktijkpercelen gekoppeld aan diverse bodem- en managementparameters.

Leestijd : 7 min

Winteronkruidflora omvat zowel jaarrond kiemende soorten, zoals straatgras en vogelmuur, als facultatieve herfstkiemers, zoals echte kamille. In tegenstelling tot echte kamille kiemen, groeien en bloeien straatgras en vogelmuur het hele jaar door. Deze 3 soorten zijn vorsttolerante onkruiden. Ze komen de laatste jaren steeds sterker naar voren door de klimaatverandering, waarbij zachtere en vochtigere winters hun ontwikkeling bevorderen. Daardoor vormen ze een toenemend probleem in de biologische wintergraan- en groenteteelt, vooral in systemen met wintergewassen of groenten die tijdens de winter op het perceel blijven staan (zoals bij CSA-bedrijven, zie foto hieronder). Bovendien bemoeilijkt een hoge druk van winteronkruiden in het vroege voorjaar het verkrijgen van een proper zaaibed, zeker in systemen met niet-kerende bodembewerking en bij vroeg ingezaaide voorjaarsgewassen. Mechanische onkruidbestrijding in het najaar toepassen in wintergranen (zoals schoffelen, precisiewiedeggen) biedt vaak onvoldoende soelaas, omdat bodem- en weersomstandigheden dit beperken.

Proactieve aanpak

In het project ‘Winteronkruiden proactief aanpakken in de biologische akkerbouw en groenteteelt’ onderzochten we daarom welke cultuurtechnische teeltmaatregelen bijdragen aan de onderdrukking van winteronkruiden via een reductie van de zaadbank in de bodem. Daarvoor werd de zaadbank van winteronkruiden op 50 biologische praktijkpercelen (wintergraan- en groentegebaseerde systemen) bepaald. Deze gegevens koppelden we aan de perceelshistoriek van de 5 jaar voorafgaand aan de bodembemonstering (met info over onder meer vruchtwisseling, bemesting en bodembewerking). We koppelden deze gegevens ook aan de fysische, chemische en biologische bodemkwaliteit (gehalte en kwaliteit van de organische stof, omvang, activiteit en samenstelling van de microflora, voedingstoestand en zuurtegraad).

CSA-winterpreiperceel met vogelmuur en straatgras.
CSA-winterpreiperceel met vogelmuur en straatgras. - Foto: Inagro

Aanpak en metingen in de praktijk

Tussen 1 maart en 15 april 2025 screenden we 50 praktijkpercelen bij Vlaamse biotelers. Daaronder bevonden zich zowel kleinschalige CSA-bedrijven als meer grootschalige akkerbouw- en groentebedrijven. Op elk perceel namen we 100 bodemstalen (met de gutsboor, 20 cm diep), waarbij we in totaal ongeveer 15 kg bodem per perceel verzamelden. Daaruit werden 2 substalen genomen: een klein substaal (1 kg) voor de laboanalyses en een groot (6 kg) voor de zaadbankanalyses.

Het kleine substaal (1 kg) analyseerden we op een brede waaier aan vaste fysico-chemische bodemparameters, zoals de textuur, zuurtegraad, het organischestofgehalte en de voedingstoestand (stikstof, fosfor en kalium).

Het grote substaal (6 kg) werd gebruikt voor de zaadbankanalyses. Om de zaadbank van echte kamille, vogelmuur en straatgras te bepalen, spoelden we per perceel het substaal van 6 kg over een zeef van 200 µm. De restfractie (waar de onkruidzaden in zitten) werd 2 dagen gedroogd, om vervolgens uitgestrooid te worden op een kiembak gevuld met potgrond. Na het aanbrengen van een dun deklaagje met potgrond, plaatsten we de kiembakken in de serre. Via subirrigatie werden de bakken volgens behoefte voorzien van vocht. Tot en met het voorjaar van 2026 volgden we de kieming van de 3 (hoger genoemde) onkruiden op. Op deze manier konden we de zaadbankgrootte van deze onkruiden bepalen, uitgedrukt als het aantal levende zaden per m² in de 0-20 cm bouwvoor.

In de zomer en het najaar van 2025 bevroegen we alle deelnemende landbouwers. Daarbij polsten we naar de activiteiten op de bemonsterde percelen tussen 2020 en 2025. Concreet vroegen we naar teeltrotatie (+ zaai- en oogstdata), zaai- of plantdichtheden, type bodembewerking (kerend/niet-kerend), bemesting (type, dosis), groenbemesters (type, zaaitijdstip), vals zaaibed (methode) en onkruidbestrijding (type, tijdstip). Het doel was om te bepalen welke teeltmaatregelen de zaadbank van winteronkruiden effectief kunnen terugdringen.

Verborgen onkruiddruk verschilt sterk tussen percelen

De zaadbankgrootte varieerde sterk tussen de onderzochte percelen. Op sommige percelen bleef de onkruidzaadbank beperkt (minder dan 5.000 zaden/m²), terwijl op andere meer dan 50.000 onkruidzaden/m² werden aangetroffen. Opmerkelijk hierbij: een hoge onkruidzaadvoorraad in de bodem gaat niet noodzakelijk samen met veel winteronkruiden. Ook het aandeel winteronkruiden varieerde sterk. Sommige percelen hadden nauwelijks problemen met winteronkruiden, terwijl op andere percelen soorten zoals straatgras of echte kamille duidelijk domineerden. De zaadbank van de overige onkruiden (honderdtal soorten) bestond vooral uit knopkruid, melganzenvoet, greppelrus, herderstasje en perzikkruid.

Straatgras was op de meeste percelen veruit het dominantste winteronkruid, vaak met duizenden zaden per m². Vogelmuur kwam veelal in lagere aantallen voor, maar was zelden afwezig. Echte kamille ontbrak op 21 percelen, maar kon op sommige percelen sterk domineren. De sterke variatie in winteronkruidzaadbanken tussen percelen biedt interessante mogelijkheden om verbanden te leggen met het lokaal gevoerde bodem- en gewasbeheer.

Hoe teeltrotatie winteronkruiden maakt of kraakt

De term ‘breedrijige zomergewassen’ omvat alle gewassen die in het voorjaar of in de zomer gezaaid of geplant worden, op een minimum rijafstand van 20 cm (schoffelbaar), zoals aardappelen, bijna alle groenten en maïs. Meer breedrijige zomergewassen in de rotatie betekent minder echte kamille in de zaadbank. Dit kan worden verklaard doordat echte kamille vooral in het najaar kiemt en in het voorjaar tijdens de zaadbedbereiding voorafgaand aan de installatie van het zomergewas wordt bestreden vóór zaadzetting (verwacht omstreeks midden juni). Vermits deze zomerteelten op relatief grote rijafstand worden geïnstalleerd, zijn er bovendien ook meer fysische beheermogelijkheden om de voorjaarskiemingsgolf van echte kamille fysisch te beheersen, bijvoorbeeld via schoffelen. Een nauwe wintergraanrotatie werkt echte kamille in de hand: de grote najaarskiemingsgolf valt samen met wintergranen en als de onkruidsoort in het najaar niet bestreden geraakt, blijven de mogelijkheden om zaadzetting in het gewas te verhinderen beperkt.

Meer breedrijige zomergewassen betekent minder echte kamille in de zaadbank, maar tegelijk meer vogelmuur, een typische jaarrondkiemer. Vogelmuur ontwikkelt zich in amper 5 tot 7 weken van kieming tot zaadzetting. Deze soort vergt daarom continu aandacht, zeker in weinig competitieve breedrijgewassen. Veel breedrij-zomergewassen omvatten bovendien groenten die tot laat in het najaar op het veld blijven staan, zoals prei, wortelen, sommige koolsoorten en pastinaak, vaak ook gepaard gaand met grote reststikstofvoorraden. Deze teelten, en vooral die met een open bladerdek (bijvoorbeeld door een langgerekte oogst) en stikstofbehoefte, bieden vestigings- en groeikansen voor vogelmuur. Dit gebeurt vooral in het najaar wanneer effectieve onkruidbeheersing moeilijker is en wanneer er optimale kiemingsomstandigheden voor vogelmuur zijn, zoals voldoende vocht en temperaturen boven 2 °C.

Bovendien is mechanische bestrijding van goed gevestigde vogelmuur onder vochtige omstandigheden lastig, vermits stengelfragmenten opnieuw kunnen wortelen. In combinatie met zijn korte levenscyclus, kan vogelmuur daardoor ook tijdens zachte wintermaanden aanzienlijke zaadvoorraden opbouwen. Dergelijke teelten laten bovendien vaak geen ruimte voor de tijdige inzaai van een onkruid-onderdrukkende groenbemester. Voor straatgras, dat net als vogelmuur een korte levenscyclus (6-10 weken) kent en jaarrond kan kiemen, werd evenwel geen eenduidig effect van de teeltrotatie vastgesteld.

Ploegen pakt sommige soorten harder aan

Ploegen bleek niet erg populair bij de deelnemende biotelers: op 33 van de 50 percelen werd in de periode 2020–2024 niet geploegd, terwijl slechts 6 percelen meer dan 1 keer werden geploegd. Nochtans kan ploegen wel bijdragen aan onkruidbestrijding. Ploegen bleek vooral tegen straatgras effectief te zijn. De gemiddelde zaadbank van straatgras daalt sterk (van grofweg 5.000 naar 2.000 zaden/m²) als er minstens 2 keer geploegd wordt in 5 jaar, ten opzichte van een situatie zonder ploegen. Vermoedelijk door een beperkte representatie binnen deze categorie was dit verschil net niet statistisch significant. Straatgras heeft een beperkte zaadlevensduur (doorgaans 4 à 6 jaar, afname met 55% per jaar zonder nieuwe zaadinput).

Bij kerende bodembewerking worden vers geproduceerde zaden diep ondergewerkt, onder hun maximale kiemingszone (optimaal 0-2,5 cm, maximum 5 cm). Tegen de tijd dat deze zaden opnieuw naar boven worden geploegd, heeft het merendeel zijn kiemkracht verloren. Bij echte kamille lijkt ‘rotationeel ploegen’ effectiever dan niet of frequent ploegen. De zaadbank van echte kamille is immers vrij persistent: er is pas een halvering van de zaadvoorraad na ongeveer 6,5 jaar en het zijn zaden die langer dan 11 jaar kiemkrachtig kunnen blijven. Begraven zaden kunnen daardoor later opnieuw naar boven worden geploegd en kunnen alsnog kiemen.

Ploegen is vooral nuttig na jaren met sterke kamilleontwikkeling en hoge zaadproductie, omdat vers uitgevallen zaden diep worden ondergewerkt. Vermits echte kamille een oppervlaktekiemer is (optimale kiemdiepte 0-1 cm, maximale diepte 2 cm), kunnen deze zaden vanuit diepere bodemlagen niet meer kiemen. Voor vogelmuur was er ook een lagere abundantie (mate van aanwezigheid) aanwezig in de zaadvoorraad naarmate er vaker werd geploegd, maar de effecten waren minder sterk dan voor straatgras. Dat is waarschijnlijk het gevolg van de lange zaadlevensduur (tot 24 jaar; jaarlijkse afname circa 33%).

Vals zaaibed loont tegen ondiepe kiemers

Een vals zaaibed beoogt een gereduceerde onkruidopkomst in het gewas. Daartoe wordt de bodem 2 à 4 weken voor zaai zaaiklaar gemaakt. Daardoor worden onkruidzaden gestimuleerd om te kiemen, waarna de opgekomen zaailingen vervolgens via herhaalde brand-, schoffel- of wiedegbeurten worden gedood. Bodembewerkingen moeten voldoende oppervlakkig blijven (1,5-2,5 cm), om te vermijden dat diep begraven zaden opnieuw in kiempositie terechtkomen. Deze techniek blijkt vooral nuttig om de zaadbank van echte kamille te reduceren (zie figuur 1).

Een vals zaaibed blijkt vooral nuttig om de zaadbank van echte kamille te reduceren.
Een vals zaaibed blijkt vooral nuttig om de zaadbank van echte kamille te reduceren. - Foto: Inagro

Zonder toepassing van een vals zaaibed lag de gemiddelde zaadbank van kamille boven de 2.500 zaden/m². Wanneer echter in de periode van 2020 tot en met 2024 minstens 1 keer een vals zaaibed werd toegepast, daalde de zaadbank tot minder dan 300 zaden/m². Echte kamille reageert sterk op deze techniek, doordat ze als lichtkiemer erg oppervlakkig kiemt (0-1 cm). Dankzij de penwortel is ze ook heel gevoelig voor bijvoorbeeld oppervlakkig rolschoffelen. Ook de zaadbank van straatgras kan sterk dalen door regelmatig een vals zaaibed toe te passen (zie figuur 1).

Hoewel de verschillen niet statistisch significant waren, halveerde de zaadbank van straatgras wanneer er minstens 2 keer (op 5 jaar tijd) een vals zaaibed werd aangelegd, vergeleken met een situatie zonder vals zaaibed. Ook straatgras kiemt relatief oppervlakkig (0-2,5 cm), wat de gevoeligheid voor een vals zaaibed mee verklaart. Vogelmuur werd echter nauwelijks beïnvloed door een vals zaaibed (zie figuur 1). Doordat deze soort vanuit grotere diepte (0-5 cm) kan kiemen, blijven ook na ondiepe bodembewerkingen voldoende zaden in kiempositie aanwezig.

Figuur 1: De zaadbank van echte kamille, straatgras en vogelmuur (uitgedrukt in aantal per m2, bodemlaag 0-20 cm), in functie van het aantal keer dat een vals zaaibed aangelegd werd in een 5-jarige teeltrotatie. Het aantal percelen in elke categorie wordt weergegeven door het ‘N’ nummer. Significantieletters gelden enkel voor de vergelijking van zaadbanken tussen categorieën binnen 1 bepaalde onkruidsoort.
Figuur 1: De zaadbank van echte kamille, straatgras en vogelmuur (uitgedrukt in aantal per m2, bodemlaag 0-20 cm), in functie van het aantal keer dat een vals zaaibed aangelegd werd in een 5-jarige teeltrotatie. Het aantal percelen in elke categorie wordt weergegeven door het ‘N’ nummer. Significantieletters gelden enkel voor de vergelijking van zaadbanken tussen categorieën binnen 1 bepaalde onkruidsoort. - Bron: Inagro

Besluit

De zaadbank van vogelmuur bleek het laagst op percelen met relatief weinig plantbeschikbare fosfor, met bovendien een laag aandeel van breedrijige, laatgeoogste zomergewassen in de rotatie. Bij echte kamille was de zaadbank minimaal bij een laag aandeel van wintergewassen in de rotatie, gecombineerd met de regelmatige toepassing van een vals zaaibed en een zeer beperkt aantal ploegbeurten. Straatgras daarentegen kan maximaal worden gereduceerd door regelmatiger te ploegen, en door bovendien regelmatig een vals zaaibed toe te passen.

Joran Barbry, Lieven Delanote (Inagro), Jeroen Feys, Mattie De Meester, Benny De Cauwer (UGent), Koen Willekens (ILVO)

Lees ook in Granen

Nieuwe onkruidbestrijdingsstrategie in het najaar

Granen Vanaf de tweede helft van september start de uitzaai van wintergerst, waarna de wintertarwe volgt vanaf midden oktober. De zaai van wintergranen gaat tevens gepaard met een onkruidbestrijding in het najaar. Toch blijven we hier zoals altijd afhankelijk van de zaai- en weersomstandigheden.
Meer artikelen bekijken