Welke suikerbietrassen volgend jaar zaaien?

De uitzaai van suikerbieten ging in 2020 door de lange natte winter ietsje later van start.
De uitzaai van suikerbieten ging in 2020 door de lange natte winter ietsje later van start. - Foto: TD

Het jaar 2020 was er een met een moeilijke start voor de suikerbietteler. We kwamen net uit een ongunstig einde van de winter, en de weersomstandigheden in het voorjaar die daarop volgden, hielpen niet. Zware regenval in februari en de eerste helft van maart (meer dan 150 l/m²) heeft de bodem echt verdicht, waardoor het moeilijk was om opnieuw aan de slag te gaan voor de zaai.

Lang nat

Door deze lange periode van regenval kon het land niet worden bewerkt om de groenbemester, die in het najaar werd gezaaid, mechanisch of chemisch te vernietigen in geval van niet-kerende bodembewerking. Het gebrek aan vorst heeft ook gevolgen gehad voor de grondbewerking, vooral op de zwaardere gronden.

De zaai begon rond 25 maart, maar toen al droogde de noordoostelijke wind het zaaibed uit. Er werd aanbevolen om met Force behandeld zaad op een diepte van 2,5 cm te zaaien. De uitdrogende weersomstandigheden beïnvloedden ook de opkomst in velden met heterogene texturen en kleikoppen: ook al was er vocht aanwezig op het moment van de zaai, het zaaibed droogde toch snel uit.

Zwakke regenval begin mei heeft misschien geholpen om het gebrek aan opkomst aan te vullen, maar de bieten hebben zich niet altijd goed ontwikkeld.

Onkruidbestrijding was ook moeilijk onder deze droge omstandigheden. De rassenproeven zijn tussen 25 maart en 17 april gezaaid. De opkomst was zeer variërend tussen de locaties als gevolg van de bodemvoorbereiding en het gebrek aan neerslag na de zaai. We merkten een lagere opkomst op voor de rassen Annemonika KWS en BTS 1280 N.

Bladluizen

De bieten waren nauwelijks opgekomen wanneer de groene bladluizen (voornamelijk Myzus persicae) opdoken, een maand eerder dan in 2019. In totaal waren er soms 4 specifieke bladluisbehandelingen nodig om de bieten te beschermen tegen virale vergeling, soms met teleurstellende resultaten als gevolg.

De eerste sterke warmte wordt waargenomen na half juni, gevolgd door een niet minder hete zomer en nog steeds met een neerslagtekort tot eind juli. Door het zeer warme (meer dan 40°C) maar droge zomerklimaat kon cercospora niet erg vroeg optreden en zich verspreiden. Hierdoor kon de fungicidebehandeling vaak worden uitgesteld, tenzij er zich witziekte ontwikkelde. Als er goed beredeneerd werd met een goede rassenkeuze, volstaat een enkele behandeling.

Al deze gegevens zijn weergegeven bij de tabel in dit artikel. Deze tabel geeft de opbrengstkenmerken (wortel, suikerrijkheid, grondtarra) per ras, alsook de resistentie voor bladziekten, risico op schieters, enzovoort.

Sinds enkele jaren geeft het KBIVB een belangrijke plaats aan de ‘bladgezondheid’ in de rassenkeuze. Witziektetolerantie is een evidente raseigenschap, maar cercosporatolerantie dient vooruitgeschoven te worden. Dat speelt een belangrijke rol in het potentieel van het ras. Die tolerantie wordt graag uitgedrukt met een objectief cijfer.

Figuur 1: Rassen weerhouden door het KBIVB, gemiddelde resultaten (2018-)2019-2020 klassieke situatie.
Figuur 1: Rassen weerhouden door het KBIVB, gemiddelde resultaten (2018-)2019-2020 klassieke situatie. - Bron: KBIVB

Roest en laattijdige ontwikkeling cercospora

We zien al enkele jaren dat roest vóór half juli in de velden optreedt. De ontwikkeling is traag, en met een lage relatieve vochtigheid en grote zomerhitte ontwikkelen de meeste puistjes zich niet. Roest blijft tijdens de zomermaanden aanwezig en de ontwikkeling ervan versnelt dan tegen september en oktober.

Een overhaaste fungicidebehandeling tegen deze ziekte moet worden vermeden en moet gemotiveerd zijn op basis van het verschijnen van cercospora. De ontwikkeling van cercospora is pas half augustus echt begonnen en de goed aangebrachte fungicide heeft met slechts één behandeling een gezond bladgestel in stand gehouden. De hoge temperaturen eind september waren bevorderlijk voor de herbesmetting van de meest gevoelige rassen.

De algemene bladgezondheid en de verschillende ziekten worden vandaag uitgedrukt in een ‘percentage’: het percentage gezond bladoppervlak. Hoe hoger het cijfer, hoe resistenter het ras is tegen de ziekte(n): dat is het aandeel dat door het ras wordt gebracht, terwijl de rest onder de fungicidenbescherming moet vallen .

Figuur 2: Nematodentolerante rassen weerhouden door het KBIVB, gemiddelde resultaten (2018-)2019-2020, nematoden situatie.
Figuur 2: Nematodentolerante rassen weerhouden door het KBIVB, gemiddelde resultaten (2018-)2019-2020, nematoden situatie. - Bron: KBIVB

Nematoden

Ondanks de droge omstandigheden van het voorjaar hadden de nematoden een meetbaar effect op de opbrengst. De zeer hoge temperaturen van eind juni veroorzaakten bladverwelking, maar zonder bladverlies.

De nematodentolerante rassen hebben hun resultaat zowel in opbrengstpotentieel als in velden met een matige of hoge nematodenbesmetting bevestigd. Deze rassen werden op niet minder dan 65% van het areaal gezaaid in 2020.

Rhizoctonia

De rastolerantie voor rhizoctonia werd dit jaar in gekende besmette percelen bestudeerd, maar er konden geen nieuwe observaties dit jaar uitgevoerd worden. De rassen Hendika KWS, BTS 4190 RHC, Tucson, Annemonika KWS, en FD Clima zijn de aanbevolen rassen voor 2021. In sterk besmette percelen heeft het ras BTS 605 een te lage tolerantie.

De opbrengsten

De oogst startte einde september voor enkele dagen in droge omstandigheden, maar is snel gestopt door meerdere dagen regen met niet minder dan 100 liter/m². Rond 10 november heeft plaatselijk de regenval 250 liter per m² overschreden. De zeer hoge suikerrijkheid van einde september (19,9°) daalde vanaf oktober naar 17,5° om rond 18° te eindigen in november. De suikeropbrengst in de proeven neemt amper toe tijdens de oogstperiode.

Om een rassenkeuze te maken voor 2021 mag men niet stoppen bij één jaar ervaring, zijnde goed of minder goed. De rassenkeuze maken op basis van het jaarresultaat zal het gedrag van het ras in de komende omstandigheden, die we niet controleren, niet kunnen voorspellen. De analyse van de resultaten, rekening houdend met het potentieel van de rassen over meerdere seizoenen (de bevestigde rassen over 3 jaar geven meer gegevens), alsook de stabiliteit van de opbrengst tussen de jaren, zal zorgen voor een rationele keuze.

Bladgezondheid

Het klimaat van de laatste jaren is geëvolueerd en brengt ziekten met zich mee. Cercospora is zo meer en meer aanwezig. Hiernaast is er een grotere druk op het gebruik van de fungiciden, zowel maatschappelijk, met invloed op milieu, als de ontwikkeling van resistenties.

Een goed antwoord is de rastolerantie voor schimmelziekten. De ‘bladgezondheid’ van de rassen heeft al een belangrijke rol gespeeld, ook in 2019 en 2020, wat nochtans geen jaren met een hoge ziektedruk waren.

Wanneer een fungicidebehandeling samen met de rastolerantie wordt gecombineerd kadert dit volop in de IPM-richtlijnen om een gezond bietenblad te behouden en het risico op resistentie tegenover de fungiciden te minimaliseren. Hoe later de oogst, hoe belangrijker het is om de rastolerantie te benutten om het opbrengstpotentieel van het perceel tot laat in het seizoen te garanderen.

Roest is reeds enkele jaren één van de eerste ziekten die aangetroffen wordt in de bietenpercelen, maar deze ziekte is vooral in de kuststreek een probleem. In die streken kan het loof door deze ziekte vanaf september gedeeltelijk vernietigd worden (2015 en 2017).

Witziekte kan plots in juli of in augustus opduiken en snel in enkele dagen een sterke uitbreiding kennen. Vandaag zijn de meeste fungiciden zeer efficiënt tegen witziekte, maar het is ook voor deze ziekte dat de grootste rasverschillen bestaan.

Van de verschillende bladschimmelziekten is zeker cercospora diegene die de grootste opbrengstderving geeft, ook omdat onze fungiciden niet curatief werken en slechts een korte werkzaamheid hebben. Een minder gevoelig ras kiezen is dan ook belangrijk om een gezond bietenblad lang te behouden.

Dit is des te meer waar als de rotatie in bieten kort is en/of het gezaaide perceel langs een perceel ligt dat besmet is met cercospora en/of de rooi laat is.

Daarom hebben wij gekozen om voor alle rassen een ‘globale bladgezondheid’ te geven in de rasbeschrijving, waarbij de rasgevoeligheid voor cercospora de belangrijkste factor speelt.

Figuur 3: Percentage van de bladgezondheid dat met rastolerantie wordt bekomen.
Figuur 3: Percentage van de bladgezondheid dat met rastolerantie wordt bekomen. - Bron: KBIVB

Een nieuw cijfer voor de rastolerantie voor ziekten

Tot nu toe werd de rastolerantie voor schimmelziekten steeds uitgedrukt met een waarderingscijfer tussen 1 en 9, met 9 als volledig tolerant. Deze cijfers zijn gebaseerd op gemiddelden van alle waarnemingen van de verschillende proeven. De belangrijkste proeven zijn speciaal aangelegde proeven waar alle rassen worden uitgezaaid en er geen fungicidebehandeling wordt uitgevoerd, zodat alle ziekten zich vrij kunnen ontwikkelen: dat zijn de observatieproeven. In deze proeven wordt de evolutie van de verschillende ziekten gevolgd door het seizoen.

Waarnemingen kunnen ook in de opbrengstproeven gedaan worden (vooral cercospora en roest) om de gegevens aan te vullen met ziekten die ondanks een fungicide toch nog aanwezig zijn.

Tijdens de 3 jaren beproeving hebben wij voor de verschillende ziekten niet minder dan 20 observatiecijfers per ras voor witziekteaantasting, 60 voor cercospora en 32 voor roest, voor alle bestudeerde rassen.

Al deze gegevens geven een percentage gezond bladgestel ten opzichte van het aangetaste bladoppervlak. Dat percentage wordt bekomen door het bladgestel waar te nemen en de aantasting te bepalen. Voor een perfecte tolerantie voor witziekte bijvoorbeeld wordt een quotering ‘100’ gegeven, wanneer de bieten volledig wit zijn geven we een ‘0’.

Idealiter worden 3-4 waarnemingen op regelmatige tijdstippen uitgevoerd om de evolutie van de ziekte per perceel te berekenen (AUDPC). Dat laat toe om precies de gevoeligheid of tolerantie van de rassen beter te beschrijven. Voor sommige ziekten is dat niet zo makkelijk, ook als de ziekte zich pas laat ontwikkelt.

Prestaties van de nematodentolerante rassen in nematodensituatie

De keuze voor een nematodentolerant ras is een noodzaak in elk perceel dat besmet is met de bietencystenematode Heterodera schachtii. Zodra de besmetting hoger is dan 150 eieren+larven per 100 g grond kunnen de verliezen tot meerdere procenten oplopen. Dit verlies kan door het gebruik van nematodentolerante rassen sterk verminderd worden. Het effect van nematodentolerante rassen is des te groter naarmate de aantasting toeneemt, ook is deze aantasting in diepere grondlagen te vinden (onder 30 cm). Vele nematodentolerante rassen hebben nu een opbrengstpotentieel dat in een klassieke situatie op het niveau ligt van de beste rhizomanierassen.

De detectie van de aanwezigheid van nematoden gebeurt door een bodemanalyse, maar gebeurt nog beter via observaties tijdens de laatste bietenteelt: verbleking van het gewas met magnesiumgebrek, haarden met verwelking, (witte) cysten op de wortelharen en lage wortelopbrengst.

Nematodentolerante rassen kunnen nog steeds de nematoden vermeerderen tijdens de teelt, maar minder dan de klassieke rhizomanierassen.

Eind september startte de oogst in droge  omstandigheden,  maar dit sloeg  snel om.
Eind september startte de oogst in droge omstandigheden, maar dit sloeg snel om. - Foto: TD

Potentieel van alle rassen in klassieke situatie

Alle rassen werden onder klassieke situaties getest zonder specifieke problemen om het opbrengstpotentieel en de eigenschappen te vergelijken. In deze situatie zal de keuze voor een ras niet zozeer naar het type ras ‘rhizomanie’, ‘nematodentolerant’ of ‘rhizoctoniaresistent’ gaan, maar naar specifieke eigenschappen die de opbrengst bepalen.

Naast de opbrengst zullen de ziektetolerantie, veldopkomst en schietergevoeligheid belangrijke parameters zijn voor het kiezen van een ras.

Meerjarige resultaten van de klassieke proeven geven altijd een beter beeld van het algemeen gedrag van het ras, onder de verschillende jaarinvloeden: klimaat, ziektedruk, en andere.

Rhizoctonia-bruinwortelrot

Alvorens de keuze te maken voor een ras dat tolerant is voor rhizoctonia (bruinwortelrot), zal men eerst de risicofactoren op het perceel moeten bestuderen:

- Een (frequente) rotatie met maïs, vooral korrelmaïs. De inwerking van onverteerde materie is een verzwarende factor;

- Gebrek aan bodemstructuur, door rooiingen die uitgevoerd zijn in vochtige omstandigheden, zelfs tijdens de laatste 5 jaar;

- Aanwezigheid van rhizoctonia bruinwortelrot, dat geïdentificeerd is op het perceel.

Het gebruik van een tolerant ras sluit de aanwezigheid van rotte bieten niet uit, maar verzwakt ze sterk. Opbrengst en tolerantie zijn dikwijls omgekeerd gelinkt. Hier moet men opletten voor het gewenst tolerantieniveau. “De tolerante rassen bieden geen oplossing indien zij niet gepaard gaan met passende landbouwkundige maatregelen met betrekking tot rotatie, respect voor de structuur, een optimale pH en beredeneerde bemesting”.

Elk jaar bestudeert het KBIVB het potentieel van de rhizoctoniatolerante rassen samen met de klassieke rassen. De tolerantie voor het wortelrot wordt bestudeerd in specifieke besmette proeven. De waarnemingen van wortelrot op alle geoogste bieten laat ons toe om een goede beoordeling van de tolerantie te geven.

Stabiliteit van de rassen

Onder stabiliteit van de variëteiten verstaan we de variatie in opbrengst/suikerrijkheid. Deze wordt bekomen door het ras tussen de verschillende proefjaren te vergelijken. De (on)stabiliteit is soms het gevolg van een genetische verandering van het ras (genetische stabiliteit), maar komt meestal door een interactie tussen het ras en het milieu (klimaat, opkomst, ziektedruk, enzovoort; hier gaat het om landbouwkundige stabiliteit). Vooral de landbouwkundige stabiliteit is belangrijk.

Een goede rassenkeuze in 2021

Een goede rassenkeuze voor de uitzaai 2021 is gebaseerd op een goede kennis van de karakteristieken van de percelen. De eerste vraag betreft de aanwezigheid van ziekten/plagen die in het verleden op het perceel ontdekt zijn en waarvoor rassenkeuze een belangrijke oplossing biedt:

• cercosporagevoelig perceel: kies een ras met een goede cercosporatolerantie;

• bij aanwezigheid van nematoden is een nematodentolerant ras aanbevolen, ook al ligt de besmetting laag (150 eieren+larven gemiddeld);

• in een perceel met een gekend probleem van Rhizoctonia solani of in percelen met een intensieve vruchtopvolging met (korrel)maïs / raaigras, kiest men voor het uitzaaien van een rhizoctoniatolerant ras. Opbrengst en tolerantie zijn dikwijls omgekeerd gelinkt, men moet hier opletten voor het gewenst tolerantieniveau.

Men kiest ook niet voor één enkel ras of één kweekbedrijf: diversiteit is belangrijk om eventuele risico’s van het zaad, schieters, ziekten… te spreiden. Omdat elk jaar anders is, zal men ook voorkeur geven aan rassen met meerjarige resultaten, én voor rassen die hun resultaten bevestigd hebben.

Voor het cliënteel van Iscal Sugar

Na het einde van het quotum-systeem en de veranderingen in de receptie van de bieten in functie van de suikerindustrie, heeft de Raad van Bestuur van het KBIVB beslist uniformiteit te houden voor de oogst en de berekening van de resultaten van de rassen. Er werd beslist om voort te gaan op de oogst van de hele, ontbladerde biet zonder nakopping. Alle resultaten in de tabellen zijn bekomen op basis van de aankoop van een hele biet.

Op vraag van de Landbouwkundige Dienst van Iscal Sugar en om de planters van de suikerfabriek van Fontenoy toe te laten de koptarra van de rassen te vergelijken, werden in Henegouwen & Vlaanderen 2 proeven met hele bieten geoogst, maar manueel nagekopt in de bietenreceptie.

De grafiek geeft de gemiddelde koptarra (%) van alle rassen ten opzichte van het gemiddelde (8%) van alle rassen weer. Het cijfer werd bekomen vanaf volledige, niet ontkopte bieten in het veld.

André Wauters, KBIVB vzw

Meest recent

Meest recent