Startpagina Actueel

Wat zijn de normen voor (vrijloop)kraamhokken?

Wie wil investeren in kraamhokken, moet onvermijdelijk een aantal knopen doorhakken zonder alle gevolgen volledig te kunnen inschatten. Een aantal zeugenhouders kiest resoluut voor vrijloopkraamhokken, omwille van persoonlijke voorkeuren, maar ook deels om te anticiperen op mogelijke wettelijke of commerciële/maatschappelijke druk in die richting. Het is echter koffiedik kijken of die druk er komt, op welke termijn dit gebeurt en aan welke specifieke normen vrijloopkraamhokken dan zullen moeten voldoen.

Leestijd : 5 min

We overlopen hieronder de (beperkte) informatie die momenteel wel al beschikbaar is.

Huidige EU-normen bieden weinig houvast

Momenteel geldt de Europese Richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens. Dit is een licht aangepaste versie van een eerdere richtlijn uit 2001. Naast de algemene regels die gelden voor alle varkens vermeldt deze Richtlijn onderstaande regels voor kraamzeugen en kraambiggen.

• In de laatste week vóór het werpen moeten zeugen en gelten over voldoende en adequaat nestmateriaal kunnen beschikken, tenzij dit met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

• Achter de zeug of gelt moet een vrije ruimte zijn om het natuurlijke of begeleide werpen te vergemakkelijken.

• Kraamhokken waarin de zeugen zich vrij kunnen bewegen, moeten voorzien zijn van een bescherming voor de biggen, bijvoorbeeld een zeugenbeugel.

• Een deel van de totale vloeroppervlakte dat groot genoeg is om alle biggen tegelijk te laten rusten, moet bestaan uit een dichte vloer of een mat, of moet worden voorzien van stro of ander geschikt materiaal.

• Wanneer een kraamkooi wordt gebruikt, moeten de biggen voldoende ruimte hebben om ongehinderd gezoogd te kunnen worden.

In deze regelgeving wordt dus geen minimale oppervlakte vooropgesteld, noch voor kraamhokken met kooien, noch voor vrijloopkraamhokken, noch voor de eventuele kooien.

De (voorloper van de) richtlijn vermeldt wel dat er op Europees niveau een verslag moest worden opgemaakt waarin onder andere het volgende aan bod zou komen: de verdere ontwikkeling van op de behoeften van de zeugen afgestemde huisvestingssystemen voor zeugen in dekafdelingen en voor zeugen in de perinatale periode, waarbij de dieren vrij kunnen rondlopen, zonder dat dit resulteert in extra uitval van biggen.

Hiervoor werd door het Europese Voedselagentschap (EFSA) in 2007 een advies uitgebracht waarin naast de knelpunten van kraamkooien op het vlak van zeugenwelzijn onder meer ook staat: “het gebruik van vrijloopkraamhokken zou alleen geïmplementeerd moeten worden als de biggensterfte niet hoger is dan het gemiddelde niveau in het geval de zeugen in kraamkooien worden gehouden. Er moeten inspanningen worden gedaan om de biggensterfte te reduceren.”

Voorlopig heeft het EFSA nog geen recenter advies uitgebracht. Er zijn dus geen concrete indicaties dat op Europees niveau op korte termijn wetgevende initiatieven zullen worden genomen.

Internationale normen

In Vlaanderen geldt nog altijd de regelgeving in het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen, dat hoofdzakelijk een getrouwe omzetting is van de (voorloper van de) Europese richtlijn. Er zijn dus ook geen bijkomende regels voor kraamhokken.

In Nederland geldt wat kraamhokken betreft voorlopig hetzelfde. In Duitsland is dit jaar de nieuwe Tierschutz-Nutztierhaltungsverordnung gelanceerd. Deze legt onder meer op dat voor nieuwe kraamhokken per zeug minstens 6,5 m² zal vereist zijn en zeugen maximaal 5 dagen mogen gefixeerd worden in een kooi. Hiervoor is een overgangstermijn van 15 jaar vooropgesteld. In Oostenrijk moeten bestaande kraamhokken sinds 2013 minstens 4 m² groot zijn en worden vrijloopkraamhokken van minstens 5,5 m² verplicht vanaf 2033. Minstens een derde van de bodem moet dicht zijn. In Zweden zijn vrijloopkraamhokken van minstens 6 m² verplicht, kooien zijn in principe niet toegelaten. In Finland en Noorwegen zijn kooien verboden. Noorwegen legt een minimale oppervlakte van 6 m² op, maar in de praktijk zouden de meeste vrijloopkraamhokken minstens 7 m² groot zijn. In Zwitserland zijn vrijloopkraamhokken zonder fixering al sinds 2007 verplicht. Er is 5,5 m² bodemoppervlak en 2,25 m² ligruimte vereist. In de praktijk zijn de hokken 6,5 tot 7 m² groot. Denemarken heeft zich als doel gesteld dat in 2021 minstens 10% van de kraamzeugen in vrijloopkraamhokken wordt gehouden.

Andere (niet-wettelijke) normen

Het Beter Leven Keurmerk (BLK) – een initiatief van de Dierenbescherming in Nederland met een marktaandeel voor varkensvlees van meer dan 50%– legt vrijloopkraamhokken op vanaf het tweede niveau (2 sterren), zie tabel 1.

3284-VARKENS (2)

De normen voor biologische productie zijn vergelijkbaar met de normen voor BLK***: een kraamhok moet minstens 7,5 m² groot zijn met minimaal 2,5 m² buitenruimte.

In Denemarken heeft de overheid in 2017 een keurmerk ontwikkeld met 3 niveaus van bovenwettelijk dierenwelzijn, gaande van 1 tot 3 groene hartjes. Op het laagste niveau (één hartje) mogen de kraamzeugen 4 dagen opgesloten worden in een kooi, op het tweede niveau 2 dagen en op het derde niveau helemaal niet.

Anticiperen op vrijloop?

Onderzoek heeft aangetoond dat in vrijloopkraamhokken van 5 tot 9,5 m² de laagste uitval wordt vastgesteld. Normen zullen zich dus wellicht in die reikwijdte situeren.

Het wordt sowieso sterk afgeraden om nog kraamhokken van minder dan 4 m² te bouwen. Huidige aanbevelingen voor klassieke nieuwbouwkraamhokken voor hoogproductieve zeugen stellen eerder 5 of zelfs 5,6 m² voorop, wat dicht in de buurt van de minimale afmetingen voor vrijloop komt.

In figuur 1 wordt uitgegaan van een standaardkraamhok van 4,25 m² (1,7 m breed op 2,5 m diep). Om te verbouwen naar vrijloop wordt een breedte van 2,5 m vooropgesteld (6,25 m²). Op die manier kunnen 3 standaardkraamhokken indien nodig worden omgebouwd naar 2 vrijloopkraamhokken. Om die reden wordt aangeraden om rijen kraamhokken in veelvouden van 3 te bouwen.

Figuur 1: Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken naar 2 vrijloopkraamhokken (Bron: naar IFIP-Massabie, 2009).
Figuur 1: Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken naar 2 vrijloopkraamhokken (Bron: naar IFIP-Massabie, 2009). - Foto: Dep. Landbour&Visserij

Een andere (minder aan te bevelen) optie is om bij het bouwen van klassieke kraamhokken zowel voor als achter de hokken een controlegang te voorzien (figuur 2). Dit kost extra ruimte en vergt dus bijkomende investeringen, maar is qua arbeidsgemak gunstig. Op het ogenblik dat het relevant zou worden om te bouwen naar vrijloop kan een van de controlegangen worden opgeofferd. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijke hokken breed genoeg zijn (minstens 1,6 m, maar bij voorkeur breder). Hoewel mogelijk de oppervlaktenorm voor vrijloop op die manier wordt gehaald, zal het resultaat naar alle waarschijnlijkheid door de hokvorm niet optimaal zijn qua bewegingsmogelijkheden voor de zeug en qua arbeid.

Figuur 2: Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken met 2 controlegangen naar 3 vrijloopkraamhokken met 1 controlegang.
Figuur 2: Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken met 2 controlegangen naar 3 vrijloopkraamhokken met 1 controlegang. - Foto: Dep. Landbouw&Visserij

Een derde optie is om het kraamhok voldoende ruim te dimensioneren, zodat het eventueel door het wegnemen van de kooi of door de kooi te laten opklappen of openschuiven kan gebruikt worden als een vrijloopkraamhok.

Streven naar meer ruimte bij vrijloop

De laagste (wettelijke) minimumnorm die momenteel voor vrijloop wordt gehanteerd is 5,5 m², wat in principe overeenstemt met de huidige aanbeveling voor (klassieke) kraamhokken voor hoogproductieve zeugen. Voor vrijloopkraamhokken wordt nochtans eerder aanbevolen om te streven naar minstens 5,7 à 5,8 m². Ook 6 en 6,5 m² worden momenteel in Europese landen als (wettelijke) minimumnormen vooropgesteld. Dit volstaat echter niet voor de strengste labels.

Suzy Van Gansbeke, dep. Landbouw en Visserij

Lees ook in Actueel

Eindrapport voedselstrategie accentueert tegenstellingen

Actueel “Als Vlaams landbouwminister Brouns rechtszekerheid wil voor de boeren en als hij een passende beoordeling wil voor zijn GLB, dan is het 5 over 12 om te horen wat de bezwaren van de verschillende diensten zijn. Ook die van mezelf.” Zo maakte minister Zuhal Demir (N-VA) duidelijk op de bijeenkomst van de commissie voor Leefmilieu van 29 november.
Meer artikelen bekijken