Startpagina Schapen

Het herkauwproces en mogelijke probleemsituaties bij schapen

Schapen zijn herkauwers. Dat betekent dat ze via een complex magensysteem cellulose- en vezelrijke planten kunnen benutten om zich te voeden. We gaan in dit artikel dieper in op hoe dit verteringsproces verloopt, maar ook op eventuele problemen die we als veehouder kunnen ervaren als er bij de vertering iets verkeerd loopt, zoals groenkauwen of enterotoxaemie.

Leestijd : 7 min

Een herkauwer heeft 4 magen: de netmaag, de pens, de boekmaag en de lebmaag. Een pasgeboren lam is echter nog geen herkauwer bij de geboorte. De lebmaag neemt dan nog ongeveer 50% van het maagvolume in en speelt de hoofdrol bij de opname en vertering van melk. Het lam evolueert geleidelijk door opname van structuurrijk voeder gedurende de eerste levensweken en maanden naar een volwaardige pensontwikkeling (tot 80% van het maagvolume) en naar de herkauwfunctie.

Het opgenomen voeder (gras, hooi, voordroog…) wordt een eerste maal gekauwd en gaat via de slokdarm naar de netmaag en de pens, waar het door de aanwezigheid van micro-organismen een voorvertering ondergaat. De voedselbrokken worden tijdens het herkauwen terug naar de muil gestuurd, om verder door het kauwen verkleind te worden tot deeltjes kleiner dan 1 mm. Deze worden onder inwerking van de pensflora (de micro-organismen) verder afgebroken tijdens een anaeroob fermentatieproces (zie verder in dit artikel). Zo kunnen deze brokjes dan via de boekmaag, waar vocht aan de brij onttrokken wordt, doorstromen naar de lebmaag. De lebmaag is vergelijkbaar met de maag van de mens, waar onder invloed van spijsverteringssappen de verdere afbraak van het voedsel gebeurt en de doorstroming naar de dunne en de dikke darm, om te eindigen in de endeldarm. Ondertussen worden voedingsstoffen (energie/eiwit) en vitamines via maag- en darmwand opgenomen in de bloedbaan.

Rol van de micro-organismen

De vertering in de netmaag en pens gebeurt door de pensflora/-microbioom, bestaande uit een complex van micro-organismen (bacteriën, protozoa (= eencelligen) en schimmels). Door anaerobe fermentatie worden cellulose en hemicellulose afgebroken tot korte ketens waarmee micro-organismen zich voeden en vermeerderen. Die micro-organismen staan verder in voor de productie van vetzuren (acetaat, butyraat en propionaat). Deze vetzuren worden opgenomen via de wand van de pens en de netmaag en fungeren als energiebron. Bij deze pensfermentatie komen evenwel ook CO2, methaan en ammoniak vrij, die dan via oprisping (boeren) uitgestoten worden en die zo de herkauwers medeplichtig maken aan de stijging van de broeikasgassen in de atmosfeer.

Hoe vormt zich nu dit pensmicrobioom? Dit gebeurt stapsgewijs. Het pasgeboren lam neemt bacteriën, en andere stoffen op tijdens de geboorte in de geboorteweg, en via de huid van de moeder bij het zoeken naar de tepel, maar ook door de biestopname. Deze startmicro-organismen vestigen zich in de pens van het lam en gaan zich daar vermeerderen. Het lam neemt na 1 à 3 weken geleidelijk aan wat ruwvoeder en krachtvoeder op en zo start de pensvertering en de pensontwikkeling. De micro-organismensamenstelling past zich aan aan het rantsoen. En na 8 à 12 weken zijn de voormagen klaar om vezelrijk voeder af te breken.

De ontwikkeling van een stabiel pensmicrobioom is belangrijk voor de vlotte ontwikkeling van het lam, voor de groei, maar ook voor de weerstand. De aanwezigheid van voldoende ‘nuttige’ micro-organismen vormt een barrière tegen de overmatige ontwikkeling van ‘pathogenen’ of ziekteverwekkers.

Het hoeft daarbij niet meer herhaald te worden dat voldoende biestopname de eerste 24 tot 48 uren na de geboorte tevens essentieel is om in de bloedbaan van het lam voldoende antistoffen (immunoglobulines) in te brengen om het lam de eerste levensmaanden te beschermen. Soorteigen biest helpt daarnaast ook om ontwikkeling van het pensmicrobioom op te starten. Hier wordt al een basis gelegd voor de latere vlotte ontwikkeling van het lam.

Impact op de bedrijfsvoering

Het zojuist beschreven ontwikkelingsproces van het magenstelsel en het pensmicrobioom heeft consequenties voor de bedrijfsvoering van de schapenhouder.

Het is vooreerst belangrijk dat pasgeboren lammeren vanaf de eerste levensweken de kans krijgen om ruwvoeder en krachtvoeder beetje bij beetje te gaan verkennen en opnemen. Zo kan de penswerking geleidelijk opgestart worden. Bij lammeren die met kunstmelk opgekweekt worden, moet men na enkele weken de melkopname beperken (tot 1 à 2 l per dag), zodat ze gedwongen worden om te leren om ruwvoeder (hooi, voordroog) en krachtvoeder op te nemen. Zo zijn ze (qua maagontwikkeling) klaar om op 8 weken leeftijd of/en als ze 15 kg wegen gespeend te worden. Dan kunnen ze echter nog niet verder met ruwvoeder (gras, hooi) alleen. Er dient ook nog krachtvoeder bijgevoederd te worden om een vlotte doorgroei te garanderen.

Het soort micro-organismen in de pens past zich aan aan het soort voeding, maar dit gaat geleidelijk aan. Dit impliceert voor volwassen dieren dat plotse overgangen van stal naar wei of van wei naar stal nogal wat implicaties hebben voor deze interne populatieverschuivingen in de magen van de dieren. In die zin is een stapsgewijze overgang, met bijvoorbeeld in de eerste weken van weidegang nog wat hooi of voordroog bijvoederen, bevorderlijk voor deze geleidelijke aanpassing.

Anderzijds is bij het plots bijvoederen van dieren die geen krachtvoeder gewoon zijn met energierijk en snelverteerbaar krachtvoeder grote voorzichtigheid vereist. Men moet hier geleidelijk en met kleine hoeveelheden starten, anders kan men zelfs het volledig spijsverteringsproces van de dieren verstoren. De micro-organismen moeten zich geleidelijk kunnen omscholen om die energieboost de baas te kunnen. Plots veel energie toevoegen kan aanleiding geven tot pensverzuring en kan een belangrijk deel van de pensflora doen afsterven. Alle interne evenwichten worden verbroken en de dieren weigeren het voeder. Plots grote hoeveelheden krachtvoeder geven aan dieren die dit niet gewoon zijn, kan echter ook tot een dodelijke afloop leiden.

Door het magencomplex van de schapen is dus een geleidelijke overgang vereist. Bepaalde probleemsituaties hebben schapenhouders minder in de hand.

Groenkauwers

In de kudde zien we af en toe een volwassen dier dat ‘een groene bek’ heeft. De muil, de kin en eventueel ook de vacht zijn doordrongen van een groen sap. En we zien soms, als het dier liggend herkauwt, op de grond een plas groene massa liggen (zie foto).

De groene massa die het schaap achterlaat, is halfverteerd voedsel dat bij een groenkauwer verloren gaat.
De groene massa die het schaap achterlaat, is halfverteerd voedsel dat bij een groenkauwer verloren gaat. - Foto: AC

Een dier dat herkauwt, stuwt een voorverteerde voedselprop naar de muil, maalt deze fijn en slikt deze dan terug door. Bij groenkauwers loopt door een defect aan het gebit (de kiezen) of door de stand van de onderkaak, evenwel een deel van het herkauwde voedsel uit de muil en gaat verloren. Dat verklaart de groenkleuring van muil en kin en resulteert er normaal in dat het dier zo energie en voedingselementen verliest en gaat vermageren. Dat kan finaal de dood tot gevolg hebben, als het lang genoeg aansleept. Men kan vragen aan de dierenarts om het gebit en de kiezen na te kijken, om zo na te gaan of er iets kan verholpen worden. Meestal is het echter beter om dergelijke dieren uit de kudde te verwijderen/te verkopen vooraleer het te erg wordt en ze te mager worden. En opgelet dit defect blijkt waarschijnlijk erfelijk te zijn. Het is dus aan te raden om geen nakomelingen van groenkauwers aan te houden!

Een typisch beeld van een groenkauwer: groen verteringssap aan de muil en de kin.
Een typisch beeld van een groenkauwer: groen verteringssap aan de muil en de kin. - Foto: AC

Enterotoxaemie

Bij enterotoxaemie of ‘het bloed’ zien we plots snelgroeiende lammeren zonder schijnbare reden dood op de wei of in de stal liggen. Ook dit heeft met micro-organismen in het spijsverteringsstelsel te maken. Bij stabiele voeding bestaan er bepaalde evenwichten in de magen tussen de diverse soorten micro-organismen. De bacterie Clostridium perfingens komt normaal in het spijsverteringsstelsel voor, maar kan zich onder invloed van energierijke voeding plots zeer snel gaan ontwikkelen. Daarbij komen toxines vrij en komen deze in de bloedbaan terecht. Die toxines tasten dan de zenuwbanen en de hersenen aan en de dieren sterven op zeer korte tijd, met spartelen en zenuwsymptomen, die men ziet als men in de omgeving aanwezig is. Voor dieren die deze symptomen vertonen, is geen redding meer mogelijk. Men kan echter preventief de ooien 3 weken voor lammeren laten vaccineren tegen clostridium, om via de biest de lammeren te beschermen. De lammeren zelf kan men dan bij het spenen ook laten vaccineren, als men van dit probleem bedrijfsmatig last heeft.

Natuur- en terreinbeheer en graasgedrag

Het typische eet- en herkauwgedrag van schapen heeft ook implicaties voor geherderde kuddes, die aan natuur- en terreinbeheer doen. De vraag is altijd, afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare voeding, hoeveel uren een begrazingsdag moet tellen om ervoor te zorgen dat de dieren voldoende voeder kunnen opnemen. Normaal grazen de dieren tussen 9 en 13 uur per dag en slapen ze ongeveer 9 uur. De graasbeurten overdag van 20 à 90 minuten wisselen echter af met rustperiodes om te herkauwen van 45 tot 90 minuten. De dieren nemen dus voeder op, maar moeten geregeld kunnen herkauwen om de spijsvertering haar normale gang te laten gaan. Dit resulteert erin dat, als een herder maar 8 uur per dag zou werken, de dieren te weinig tijd hebben om zich normaal te voeden. Het alternatief is natuurlijk om bij te voederen in de nachtweide of op stal.

Besluit

De spijsvertering bij herkauwers maakt het mogelijk dat vezelrijke gewassen, die voor eenmagigen niet verteerbaar zijn, voor vlees- en melkproductie kunnen benut worden. Voor de bedrijfsvoering is het echter belangrijk om zich bewust te zijn van de evenwichten die binnen de pensflora heersen en ook van de geleidelijkheid waarmee de soortensamenstelling zich kan aanpassen. Bij rundvee is men ondertussen al volop bezig om door bepaalde toevoegingen aan het voeder te proberen om de emissies van broeikasgassen te verminderen. Wellicht komt dit punt straks bij de intensievere schapenhouderij, maar zeker bij de melkgeitenhouderij, ook aan de orde.

André Calus

Lees ook in Schapen

Meer artikelen bekijken