Kiezen voor ‘net iets anders’
Kies je voor het conventionele varken of voor de ‘gewone’ vleeskip, of ga je liever voor een nichemarkt? Hiervoor opteren kan de deuren openzetten voor een meerprijs voor je vlees. Als je koeien hebt, heb je misschien al gedacht aan biozuivel. Het afwegen waard, volgens Anne Vuylsteke en Erwin Wouters.

Sommige landbouwers zoeken naar net die nichemarkt waarvoor de klant graag een meerprijs zou willen betalen. Anne Vuylsteke van het Departement Landbouw en Visserij en Erwin Wouters, landbouweconoom aan het ILVO vertellen wat er mogelijk is met het differentiëren in de veehouderij.
Differentiatie in
de varkenshouderijConventioneel kiezen varkenshouders voor Piétrain, met vlees dat vooral bedoeld is voor export en op de binnenlandse markt vooral voor de supermarkten. Contracten zijn heel belangrijk. Er wordt belang gehecht aan karkaskwaliteit. De prijs is afhankelijk van de Duitse prijs en de prijsvorming is niet altijd even transparant. Verder worden de minimumvereisten vastgelegd door de sectorgids.
Als men gaat kijken naar differentiatie, dan kan dat heel veel zijn; van productkenmerken tot andere kanalen,... Er zijn 17 initiatieven geïnventariseerd die inspelen op ras, voeder, milieu, dierenwelzijn, gezondheid of bio. Meestal spelen ze in op een combinatie van die factoren. De initiator is de sector, de vleesverwerker, de overheid, de keten, de retail of zelfs de varkenshouder. De generieke labels overspannen meer van de sector, focussen op ketenlogica, kwaliteitscontrole en traceerbaarheid. Ze worden dan ook door de sector, de keten in het geheel of bepaalde ketenactoren opgestart.
Bij de specifieke labels zijn het eerder de varkenshouders en producenten die aan het stuur zitten. Hier wordt vaak gedifferentieerd naar een combinatie van voeder en ras omdat die onlosmakelijk van elkaar afhangen als men naar smaak wil kijken. Er zijn een aantal initiatieven die op de topsector mikken en zich willen onderscheiden op kwaliteit en smaak en zo de horeca willen aanspreken. Voorbeelden zijn Brasvar, Duroc d’olives en Livar Kloostervarken. Andere initiatieven zijn dan weer veel kleiner en gericht op hoevewinkels met een lokale verankering en een ander ras. Voorbeelden zijn De Donderij en Hof ter Meulen. Drie andere initiatieven, zoals Porc Bio, Porc Fermier en Porc Plein Air, zijn Waalse initiatieven die coöperatief worden georganiseerd.
Er is zeker nog potentieel om bestaande initiatieven uit te breiden, en ook nieuwe initiatieven zijn welkom. Voor de varkenshouder levert dit meestal een meerprijs op via afspraken, een fonds, of omdat het wettelijk verplicht is. Het gaat echter wel gepaard met kosten en risico’s, bijvoorbeeld voor aanpassingen aan de infrastructuur of het gebruik van duurdere productiemiddelen. “Ten slotte vergt het andere verdienmodellen, vaardigheden, onderzoek, kennis, slimme samenwerking en marketing/communicatie om zo’n initiatief te doen werken”, besluit Anne Vuylsteke voor de varkenssector.
Differentiatie in de vleeskippensector
Ook hier zijn een aantal initiatieven in kaart gebracht. De Belgische standaard Belplume, Belplume-plus en de standaardkip zijn vooral gericht op markttoegang. De initiatieven die meer gericht zijn op meerwaardecreatie zijn de maïskip, Mechelse koekoek en de Biokip. Ze onderscheiden zich door het soort kip, waarmee de slachtleeftijd gepaard gaat, maar ook op door de dichtheid en voeder.
De markt van meerwaardevleeskippen is goed voor 95.000 kippenslachtingen per week. 6.000 ervan worden voor de Belgische markt ingevoerd uit Frankrijk, maar die kippen zouden ook in België kunnen worden geproduceerd. In het totaal is er nog groei mogelijk. Anne Vuylsteke zegt dat 120.000 slachtingen per week haalbaar zijn. Vanuit Frankrijk is er ook een invoer van hoevekippen, en ook hier is er groeipotentieel. Globaal is het aandeel van de meerwaardevleeskippen in België net iets boven de 2 %. In België is het aandeel biologisch vrij hoog. Vooral de Waalse landbouwers spelen hierin een rol omdat ze meer grond beschikbaar hebben.
Meerwaarde
door biozuivelBiozuivel biedt kansen voor meerwaardecreatie in de melkveehouderij. Het is echter een uitdaging van de biosector om de consument te blijven overtuigen van het feit dat hij een product met meerwaarde koopt. Verder is er de vraag of die meerwaarde verdeeld kan worden over alle actoren die meedoen in de bioketen, en dat op een manier dat ze hun activiteiten kunnen blijven ontplooien. Een belangrijke implicatie is ook dat meerwaarde niet enkel te zoeken valt in het product, maar ook in de organisatie van de keten en de spelers. De meerwaarde moet zodanig verdeeld worden dat iedereen die meedoet een motivatie heeft om verder te doen.
Biomelk en biozuivel zitten in de lift, zowel qua productie als qua consumptie. Op enkele uitzonderingen na (vb Denemarken en Oostenrijk) stagneerde de biosector in Europa een beetje, maar het omslagpunt kwam toen bio niet meer vanuit ideologische motieven werd aangezien, maar als een marktopportuniteit. Er is mogelijk meer mee te verdienen dan met de conventionele producten. Hier kan echter ook een bedreiging in gezien worden: de consument moet steeds overtuigd blijven van de waarde van bio.
De productie is al een tijdje aan het stijgen. Men verwacht dat die ook in de komende jaren zal stijgen. Ook in België is de consumptie toegenomen. Het feit dat de productie zo snel toeneemt, hoeft echter geen bedreiging te zijn voor de prijs want ook de consumptie neemt toe. Die toegenomen consumptie is te wijten aan het feit dat biomelk bijna overal te verkrijgen is, tot in de hard discounters toe.
SWOT op biomelk
Wat op dit moment echt een sterkte is, is de prijs van biomelk. De prijs van de conventionele melk kan ook een sterkte zijn. Als die laag is, zou er een meerwaarde gecreëerd kunnen worden als wordt overgeschakeld naar de biosector. Verder is er een heel apparaat ontwikkeld rond de biologische sector: zo wordt er heel wat promotie rond gemaakt. Bovendien is er ook veel kennis en ondersteuning, wat heel motiverend werkt naar de biozuivel toe. Dat is niet in alle landen het geval.
Een zwakte van het systeem is onder andere de kostprijs: biomelk is duurder om te produceren. “Een belangrijke zwakte is het productiesysteem”, vertelt Erwin Wouters. “De conventionele productiesystemen staan vrij ver van de biologische productiesystemen, en het is moeilijk om van zo’n conventioneel systeem een biologisch systeem te maken dat kan produceren aan aanvaardbare kostprijzen.” Een tip is om bij het omschakelen te durven denken aan een volledig redesign in plaats van het conventioneel op bepaalde punten aan te passen om een biologisch productiesysteem te verkrijgen.
Als kansen worden de beschikbare ondersteuning en op korte termijn de vooruitzichten in de markt vernoemd. Er is veel vraag naar biomelk. Mogelijke bedreigingen zijn hier aan gekoppeld: hoe groot gaat de markt zijn op lange termijn? Verder weten veel mensen niet goed wat het biolabel inhoudt en weet men niet in welke mate de consumenten overtuigd moeten worden van biomelk. Ten slotte zijn er nog vragen rond de verdeling van de meerwaarde. Als het om de bedreigingen gaat, gaf Erwin ook hier een tip mee: “Men kan nadenken over ketens waarin naast een meerwaarde aan het product ook een meerwaarde wordt gesteld aan de relatie tussen de spelers.”





