Opinie: Wanneer de Grondwet moet wachten
Een democratische rechtsstaat leeft niet alleen van wetten, maar vooral van tijdige rechtsbescherming. Dat is precies waar het vandaag wringt in het dossier van het Vlaamse stikstofdecreet, aldus Peter De Swaef, ondervoorzitter Verenigde Veehouders.

Het advies van de Raad van State over dit decreet was uitzonderlijk scherp. De Raad stelde vast dat de wetgever niet aantoont hoe het decreet verenigbaar is met 5 bepalingen van het Europees Handvest van de grondrechten en 4 kernartikelen van de Grondwet. Het gaat niet om detailkritiek, maar om fundamentele vragen over eigendomsrecht, gelijkheid, economische vrijheid en proportionaliteit.
Toch wordt het decreet, gestemd op 24 januari 2024, ondertussen volop toegepast. Vergunningen worden geweigerd, bedrijven worden in hun werking beperkt, en vermogensrechten verdwijnen. Dat alles terwijl het Grondwettelijk Hof — de instantie die precies moet oordelen over de grondwettigheid — nog geen uitspraak heeft gedaan.
Die spanning is problematisch. Want grondrechten verliezen hun betekenis wanneer ze pas worden beschermd nadat de schade is aangericht.
Rechterlijke stilte als politiek feit
In de rechtsleer bestaat er een naam voor dit fenomeen: constitutionele inertie. Dat is geen formele weigering om recht te spreken, maar een situatie waarin een grondwettelijk hof door talmen of terughoudendheid zijn beschermende rol feitelijk neutraliseert.
Dat kan soms verdedigbaar zijn. Niet elke betwisting vraagt onmiddellijke rechterlijke tussenkomst. Maar wanneer een wet volgens het hoogste adviesorgaan voor wetgeving ernstige mensenrechtelijke en grondwettelijke gebreken vertoont, wordt stilzitten een keuze met gevolgen.
Die gevolgen zijn reëel. Regels die mogelijk ongrondwettig zijn, creëren ondertussen voldongen feiten. Burgers en bedrijven moeten zich aanpassen, investeren of stoppen, zonder te weten of de juridische basis daarvan stand zal houden. Als het arrest er uiteindelijk komt, zal het voor velen te laat zijn.
Effectieve rechtsbescherming is ook tijdige rechtsbescherming
In het Europees recht geldt een fundamenteel beginsel: rechtsbescherming moet effectief zijn. Dat betekent niet alleen dat men ooit gelijk kan krijgen, maar dat dat gebeurt op een moment waarop het nog zin heeft.
Een Grondwet die pas bescherming biedt nadat eigendom is verloren, activiteiten zijn stopgezet en rechten zijn uitgehold, functioneert niet als schild maar als archiefstuk. Dan wordt de Grondwet niet afgeschaft, maar in de praktijk opgeschort.
Dat is geen semantische discussie. Het raakt aan de kern van het vertrouwen in de rechtsstaat.
Wat is dan de rol van het Grondwettelijk Hof?
Het Grondwettelijk Hof is geen politiek orgaan. Het hoeft geen beleid te maken en geen knopen door te hakken over milieukeuzes. Maar het heeft wel één cruciale taak: bewaken dat beleid binnen de grenzen van de Grondwet blijft.
Wanneer ernstige aanwijzingen bestaan dat die grenzen worden overschreden, mag van het Hof verwacht worden dat het duidelijkheid verschaft — niet pas wanneer de maatschappelijke gevolgen onomkeerbaar zijn, maar wanneer rechtsbescherming nog betekenis heeft.
Doet het dat niet, dan ontstaat een ongemakkelijke waarheid: niet het recht, maar de tijd bepaalt dan wie gelijk krijgt.
Een rechtsstaat op proef gesteld
Dit betekent niet dat de democratische rechtsstaat ‘niet bestaat’. Maar wel dat hij onder spanning staat. Een rechtsstaat is geen vanzelfsprekendheid; hij leeft van instituties die hun rol opnemen, ook wanneer dat moeilijk of politiek gevoelig is.
De vraag die vandaag voorligt, is dus geen ideologische, maar een institutionele: kan een rechtsstaat blijven functioneren wanneer grondrechten wel principieel worden erkend, maar operationeel te laat worden beschermd?
Het antwoord op die vraag zal niet alleen het stikstofdecreet bepalen, maar ook het vertrouwen van burgers in de belofte dat de Grondwet er is wanneer het erop aankomt.





