Startpagina Maïs

Maïsproefveldnetwerk heeft gedegen structuur achter zich

Seed@bel, de Belgische Federatie van Zaaizaadbedrijven, gaf net voor het moment waarop de landbouwers stilstaan bij de maïsrassenkeuze, meer toelichting bij de maïsproeven die in ons land lopen.

Leestijd : 6 min

De manager van Seed@bel, Marc Ballekens, vond het om diverse redenen verantwoord om hierrond een persmoment te organiseren. Vooreerst bemerkte hij dat het de grootste teelt in Vlaanderen is, met een stabiel areaal dat ongeveer 230.000 tot 250.000 ha beslaat. Het is een akkerbouwgewas dat het grootste raakvlak heeft met de veehouderij. “De rassenkeuze is echter sterk bepalend voor het resultaat, na de weersomstandigheden. Maïs wordt gezaaid, daarna volgt nog eens een onkruidbestrijding, en dan is het gedaan met de teeltzorgen. Dat is bijvoorbeeld heel wat anders dan de zorgen die een teelt zoals wintertarwe vraagt”, meent hij.

Weg vinden in doolhof

Naar schatting worden er rond de 300 verschillende maïsrassen gecommercialiseerd in ons land. Dat is nagenoeg een doolhof om je weg in te vinden als je een rassenkeuze moet maken. Ook het aantal proeven met maïs kan een doolhof zijn, net als de variatie in publicaties.

Om alle voornoemde redenen vond Marc Ballekens het opportuun om de vakpers eens grondig te informeren in aanwezigheid van diverse Varmabel- proefveldhouders.

Van voorlopig naar basisnetwerk

Federatiemanager Ballekens gaf aan dat wanneer een ras op de Europese rassenlijst staat, het in ieder land verkocht kan worden volgens de geldende Europese wetgeving. “De rassen komen België binnen, soms zelfs zonder naam, maar met een nummer, zonder dat iemand ze kent. Daarom worden ze opgenomen in het voorlopige netwerk en gaan de proefcentra bepalen in welke groep ze terechtkomen”, legde Ballekens uit. “Daar kunnen rassen bijstaan van aanbieders die geen lid zijn van Seed@Bel, maar dit gaat slechts over enkele procenten van de totale markt.”

Na het voorlopige netwerk worden de maïsrassen opgenomen in een basisnetwerk. Zowel het voorlopige netwerk als het basisnetwerk omvat 2 groepen kuilmaïs, namelijk ‘zeer vroeg-vroeg’ en ‘halfvroeg-halflaat’. Wat korrelmaïs betreft, is er één groep, namelijk ‘zeer vroeg-halflaat’ (in het voorlopige en basisnetwerk). Dit maakt in totaal 6 groepen. Daarmee is er voor 2026 één groep weggevallen, die van de rassen ten zuiden van Samber en Maas. Voor de maïsteelt in Vlaanderen is dat dus van geen belang.

Nieuw is nog dat zowel het voorlopige als het basisnetwerk op alle locaties worden aangelegd vanaf 2026. In het verleden werd het voorlopige netwerk maar op een beperkt aantal locaties aangelegd.

Sneller communiceren

Marc Ballekens wees ons op het belang om het voorlopige en het basisnetwerk op alle locaties aan te leggen. “Zo kan er sneller gecommuniceerd worden over het nieuws. Vanaf het tweede jaar is er immers al degelijke info van de geteste rassen beschikbaar. Om dit te kunnen doen, heb je een goede connectie nodig tussen het voorlopige en basisnetwerk, anders kan je er geen conclusies uit trekken.”

Hij kwam nog even terug op het schrappen van de proeven ten zuiden van Samber en Maas. “Het was niet makkelijk om daar afscheid van te nemen. Er werken immers ook boeren, die vaak in een plaatselijk microklimaat maïs telen. ‘Ten zuiden van Samber en Maas’ weerspiegelt zo’n 40% van de grondoppervlakte in België en zo’n 7% van het maïsareaal in ons land.”

Ballekens wees op de grote afstanden die in het gebied afgelegd moeten worden, waardoor de proefveldwerking kostelijk wordt in een regio waar er sterke variaties in het microklimaat zijn. Daarnaast merkte hij op dat het niet evident is om er proeven vrij te houden van everzwijnschade. “Maar die bedreigen ondertussen nagenoeg volledig Vlaanderen.”

Conclusies die in het verleden steeds genomen werden, zijn dat de beste variëteiten uit de groep ‘zeer vroeg-vroeg’ uit het voorlopig’ en basisnetwerk van elders in ons land doorgaans ook de betere zijn ten zuiden van Samber en Maas.

Specifieke Belgische situatie

Kuilmaïs wordt op 8 locaties beproefd in ons land en korrelmaïs op 7 locaties. Maar liefst 150 kuilmaïsrassen lopen hierin mee en 111 korrelmaïsrassen. Daarmee is er een echt ‘speciale’ situatie in ons land. Marc Ballekens gaf daar verschillende redenen voor. Vooreerst zijn er verschillende grondsoorten in een heel klein land. Daarnaast gaan we van 0 m tot 694 m boven zeespiegelniveau in ons land. Een derde reden is dat ons land zowel een sterk ontwikkelde kuilmaïs- als korrelmaïsmarkt kent. Kuilmaïs neemt met zo’n 180.000 ha ongeveer 78% van het maïsareaal in, aangevuld met 50.000 ha korrelmaïs.

Ter vergelijking: in Nederland gaat het om 186.000 ha kuilmaïs en 9.000 ha korrelmaïs. De verhoudingen zijn daar toch helemaal anders. Daarom zijn zowel de kuilmaïs- als de korrelmaïsrassen ook goed vertegenwoordigd op onze markt. Dat komt ook doordat de veevoederindustrie bij ons veel korrelmaïs afneemt, naast bio-ethanol, maïskolvenschroot (MKS), aangevuld door varkens en pluimvee die veel korrelmaïs vragen.

Marc Ballekens haalde ook de ligging van ons land aan, namelijk tussen Frankrijk en Duitsland, de 2 grootste maïslanden in de Europese Unie. In Duitsland zou er zo’n 2,5 miljoen ha maïs staan en in Frankrijk 2,7 miljoen ha. Die landen hebben dan ook dé grote maïszaadveredelaars en doen veel zaadproductie voor de rest van Europa. “Aan voornoemde situatie zal niet snel iets veranderen.”

Het Varmabel-netwerk heeft meerwaarde, daar de beste maïsrassen erin naar boven komen.
Het Varmabel-netwerk heeft meerwaarde, daar de beste maïsrassen erin naar boven komen. - Foto: LCV

Gezamenlijk overeengekomen proefprotocol

Voor het uitvoeren van proeven is een gezamenlijk overeengekomen proefprotocol uitgeschreven. Dat is een document van maar liefst 26 pagina’s. Marc Ballekens benadrukte dat alle maïszaadbedrijven en alle proefveldhouders dat zijn overeengekomen. Hij wees erop dat correcte maïsproeven aanleggen niet eenvoudig is. Maïs blijkt sterk te reageren op heterogeniteit in het perceel. De rassen onderling reageren ook verschillend op de zaaidatum. In de praktijk wordt gezien dat landbouwers maïs zaaien van half april tot half juni, maar die spreiding is te groot voor de proeven.

Een andere moeilijkheid is dat de rassen allemaal verschillend afrijpen en dat er toch eenzelfde oogstdatum per proef moet zijn. Mede daarom zijn de rassen opgedeeld in een groep ‘zeer vroeg- vroeg’ en ‘halfvroeg-halflaat’. Nogmaals hamerde Marc Ballekens erop dat beproeving over meerdere jaren noodzakelijk is om een correct beeld te krijgen van een ras. “Een proef op 1 locatie gedurende 1 jaar brengt totaal onvoldoende info op en is quasi waardeloos.”

13 puntenplan

Het proefprotocol bevat ook een 13 puntenplan. Dat gaat van de perceelskeuze over de grondbewerking naar bemesting en onkruidbestrijding, naar waarnemingen, monstername, verwerking en publicatie van resultaten. De keuze van het proefveld is zeer moeilijk, gezien de grote omvang van de proeven. Homogeniteit van het veld en van de waterhuishouding hierop is essentieel. Vooralsnog wordt hier geen beregening toegepast. De kans is immers klein dat ieder ras exact evenveel water ter beschikking krijgt.

In tegenstelling tot wat in de landbouwpraktijk wordt waargenomen, is het proefprotocol voor de uiterste zaaidatum heel wat strikter. In bijvoorbeeld een uitzonderlijk laat voorjaar kan, mits akkoord van Seed@Bel en Varmabel, besloten worden om de uiterste zaaidatum een week te verlengen. Er wordt in de proeven steeds op eindafstand gezaaid, er worden geen planten achteraf gedund.

Ieder proefveld krijgt ook een controle ergens rond het 8-10 bladstadium door de leden van Seed@Bel en in aanwezigheid van de proefveldhouder. Meestal is dat in de periode van 15 juni tot 10 juli.

Wat de oogst van kuilmaïs betreft, is het uitgangspunt dat de volledige proef, dus alle rassen, op 1 dag geoogst worden met een proefveldhakselaar. De oogst gebeurt zodra de potentiële getuigerassen voor de totale plant een gemiddelde drogestofgehalte bereikt hebben tussen 32 en 38% droge stof.

Bij korrelmaïs wordt de proef geoogst met een proefvelddorsmachine, zodra het gemiddelde van de getuigerassen voor het bepalen van het oogsttijdstip 35% in de korrel heeft.

Tot slot werd nog aangegeven dat het CIPF de algemene coördinatie doet, startend bij de inschrijving van de rassen en eindigend bij de definitieve resultatentabellen.

Het persmoment werd afgesloten met de ondertekening van de vernieuwde overeenkomst tussen Seed@Bel en Varmabel. Dat protocol werd verfijnd. Voor het eerst is er hier nu een driejaarlijkse overeenkomst getekend. Dat duidt volgens Marc Ballekens op het grote vertrouwen dat onderling bij alle betrokken partijen leeft. Hij sloot af met te stellen dat het Varmabel-netwerk echt zijn waarde heeft. “De beste maïsrassen komen bovendrijven.”

Tim Decoster

Lees ook in Maïs

Maïsoogst al volop aan de gang

Maïs De maïsoogst is ondertussen volop aan de gang. Hier en daar wordt er zelfs al korrelmaïs geoogst. Er blijken grote verschillen tussen, maar ook binnen de percelen te zijn. Dit maakt het niet altijd even gemakkelijk om het oogstmoment te bepalen. Er moet ook extra aandacht besteed worden aan het inkuilen.
Meer artikelen bekijken