Startpagina Akkerbouw

Een terugblik op het vorige teeltseizoen voor voedergewassen

De medewerkers van het Landbouwcentrum voor Voedergewassen (LCV) blikken in dit artikel terug op het teeltseizoen voor voedergewassen dat we vorig jaar kenden. Hierbij trekken ze ook enkele lessen voor het verbouwen van maïs, gras en voederbieten.

Leestijd : 9 min

Na 2 kletsnatte jaren was de vraag wat het weer in 2025 in petto zou hebben. Januari betekende alvast niet veel goeds. De eerste maand van het jaar startte somber en kletsnat. Vanaf februari sloeg het weer om. Van somber en nat ging het naar zonnig en droog.

Droog en warm

Vanaf maart stegen de temperaturen en omschreef het KMI het weer als zonnig, droog en warm. De hoeveelheid neerslag bleef tot juli ruim onder het gemiddelde. Maart werd een van de droogste maanden sinds het begin van de metingen. Juli was enigszins een normale maand. Zowel de temperatuur als neerslag waren gemiddeld te noemen.

Augustus en september waren dan weer terug warmer en droger volgens de metingen in Ukkel. Aan het droge weer kwam in oktober een einde. Deze maand was natter dan gemiddeld, maar ook een stuk somberder. November was een maand van grote verschillen. De eerste helft was droger en warmer dan gemiddeld, daarna werd het kouder en viel er regelmatig neerslag.

December was overwegend warmer en droger dan gemiddeld, de laatste week van het jaar kregen we enkele dagen met vorst. Het contrast met 2024 kon niet groter zijn, van een somber jaar met een record hoeveelheid neerslag gingen we naar een zonnig en extreem droog jaar.

Grote regionale verschillen

Het weer wordt telkens beoordeeld op basis van de metingen bij het KMI in Ukkel. Ook dit jaar werden er grote regionale verschillen vastgesteld, soms zelfs binnen eenzelfde gemeente. Globaal gezien kreeg het westelijke deel van Vlaanderen in februari iets meer neerslag dan het oostelijke deel, vanaf maart werd dit een omgekeerde situatie. Toch bleven ook in het oostelijke deel de hoeveelheden onder het gemiddelde.

De neerslag in juli viel vooral in het midden van het land. De kustregio, delen van het Waasland en Noord-Limburg kregen minder neerslag. In september concentreerde de neerslag zich hoofdzakelijk op Zuid-Limburg, In oktober viel de regen vooral in het oostelijke deel van West-Vlaanderen, het westelijke deel van Oost-Vlaanderen en het midden van de provincie Antwerpen. West-Vlaanderen en delen van Vlaams-Brabant en Antwerpen kregen in november meer neerslag te verwerken.

Grasland had het moeilijk

Het grasseizoen startte in 2025 op tijd. De percelen oogden, ondanks een eerdere natte maand januari, oppervlakkig droog genoeg toen mest uitgereden mocht worden vanaf midden februari. In de ondergrond was het echter niet altijd droog genoeg. Later in het groeiseizoen zou dit nog verder tot uiting komen.

Omstreeks 1 maart werd er een temperatuursom van 200 °C bereikt en deze ging door de warmere temperaturen gestaag omhoog. De nodige kunstmest kon op tijd gegeven worden. Eind april-begin mei werd er dan ook volop de eerste snede gemaaid. De opbrengsten vielen echter niet altijd mee. De droogte, die vooral de werking van de kunstmest remde, had hier een invloed op. In de weken die volgden, bleef de droogte parten spelen.

De grasgroei, maar ook de kwaliteit, bleef achter, zeker op de percelen die niet konden beregend worden. Op de percelen met een behoorlijk aandeel (rode) klaver en/of kruiden, was het effect van deze componenten duidelijk merkbaar. Rode klaver, weegbree, cichorei, maar ook bijvoorbeeld rietzwenkgras, leken de droogte een stuk beter te doorstaan dan raaigras.

De regen in juli bood soelaas en het gras kon terug groeien. Op een aantal percelen bleek de groei echter moeilijker op gang te komen. Hier liet de combinatie van de extreme weersomstandigheden, nat in 2024 en droog en warm in 2025, al dan niet in combinatie met structuurschade, zijn sporen na. Alleszins konden er vanaf september tot heel soms zelfs tot in december nog enkele goede najaars-snedes geoogst worden.

Snel gestart met maïs zaaien

Ondanks dat februari een droge maand was, kon het veldwerk niet zomaar starten. Veel percelen waren na 2 natte jaren verzadigd met water en hadden tijd nodig om te drogen. Het droge weer zette zich ook in maart en april verder, waardoor we van te natte omstandigheden naar quasi ideale omstandigheden gingen. Mits wat geduld konden de gemaakte sporen van de oogst 2024 weggewerkt worden en kon de grond verder bewerkt worden.

Het droge weer zorgde ervoor dat de voorjaarswerkzaamheden vlot konden verlopen. Begin april werd al maïs gezaaid. Eind april-begin mei was een belangrijk deel van het maïsareaal gezaaid. Voldoende vocht in de bodem en warme temperaturen zorgden ervoor dat de opkomst vlot verliep.

Bij de maïs die na gras werd gezaaid, was het effect van de droogte wel al zichtbaar bij de opkomst. Zeker op de percelen waar er een zware snede werd gemaaid en rond 10-15 mei nog werd gezaaid verliep de opkomst moeilijk en wisselvallig. De snede gras neemt immers een aanzienlijke hoeveelheid vocht op die niet meer ter beschikking is van de maïs. Dit effect was in eerdere droge jaren ook al duidelijk merkbaar en men pleit er nogmaals voor om tijdig de voorteelt gras te maaien.

Ondanks dat er voldoende vocht in de bodem zat, zeker wat de vroeg gezaaide percelen betreft, waren vooropkomstbehandelingen minder efficiënt in 2025. Vooral op percelen die ruim op voorhand werden geploegd, leek de vooropkomstbehandeling minder goed aan te slaan. Op lichtere gronden verdient het ploegen met een vorenpakker de voorkeur of zaaien kort na de bodembewerking.

Begin juni kregen heel wat regio’s een hoeveelheid neerslag. In combinatie met de zachte temperaturen zorgde dit voor ideale groeiomstandigheden. Er werden 2-3 bladeren per week gevormd, zodoende dat half juni de maïs op de vroege percelen al 12–14 bladeren telde en 60 cm hoog stond. Ook op de percelen die reeds last hadden van de droogte, werd de groei gestimuleerd, maar de heterogeniteit bleef op deze percelen zichtbaar.

Oogst tijdig je gras als je nog maïs wil inzaaien, luidt het advies van het LCV.
Oogst tijdig je gras als je nog maïs wil inzaaien, luidt het advies van het LCV. - Foto: TD

Daarna volgde weer een langere droge periode. De hoge temperaturen vanaf half juni zorgden ervoor dat de maïs terug droogtestress kreeg. Zeker op de lichte gronden was dit effect snel zichtbaar. De regen begin juli was dan ook meer dan welkom, zeker omdat de maïs voor een cruciale periode stond. Droogte en te warm weer tijdens de bloei zou problemen geven voor de bevruchting en kolfvulling. Er kwam in juli wel regen, wat positief was voor de bevruchting. Het warme en droge weer in augustus zorgde er echter voor dat de maïs begon af te rijpen.

Maïs werd noodrijp

Enerzijds droegen de vele uren zonneschijn bij tot een snelle groei, anderzijds was er heel wat maïs noodrijp door droogtestress. De cijfers van het LCV-netwerk ‘Schatting oogstdatum’ lieten zien dat omstreeks 10 augustus de vroegste rassen, die tijdig werden gezaaid, hakselklaar waren. De afrijping ging gestaag verder, zodat er in augustus en begin september volop werd gehakseld.

Opvallend was dat kolven soms al rijp waren, terwijl het gewas nog groen was en bijgevolg niet rijp oogde. Bij een hoog kolfaandeel lag het drogestofpercentage vaak hoger dan verwacht. Omgekeerd waren er ook percelen waar het gewas droog stond en de kolf zich nog in het melkstadium bevond. Op deze percelen was het gewas te snel verdroogd, waardoor de kolf geen kans meer kreeg om verder af te rijpen. Deze laatste percelen zijn in een aantal gevallen als MKS geoogst.

Grote variatie

Een oogst als MKS lijkt de laatste jaren in de lift te zitten. De eerste maïs werd al in september gedorst. Net als bij de kuilmaïs was er hier een grote variatie in opbrengsten en vochtgehalte te zien.

De verschillen tussen percelen waren bij oogst groot. Op vroeg gezaaide percelen, waar voldoende regen viel of waar er werd beregend, zagen we goed gevulde kolven. Elders bleef de maïs kort en verdroogd, met amper ontwikkelde kolven. Soms traden zelfs binnen één perceel grote verschillen op, onder meer door structuurschade door te vroeg bewerkte natte gronden in het voorjaar. Dat leidt tot verdichting en ongelijke groei. De opbrengst van de maïs, zowel qua kilo’s als voederwaarde, is dan eerder wisselvallig te noemen.

Na de maïsoogst kon er overal vlot een groenbedekker gezaaid worden. De droge omstandigheden boden ook de kans om in goede omstandigheden diepere grondbewerkingen uit te voeren en om verdichtingen op te heffen.

Onkruidbestrijding vergt vocht en kennis

Door de mindere werking van de vooropkomst, was een correctie veelal noodzakelijk. Ook hier was het moment van spuiten, zowel qua omstandigheden als qua ontwikkeling van het onkruid, cruciaal. Behandelingen die na een (kleine) regenbui werden uitgevoerd, bleken beter te slagen dan wanneer er werd gespoten onder droge omstandigheden. Behandelen op klein onkruid geniet nog steeds de voorkeur. Qua onkruiden blijven gierstgrassen een probleem, maar ook melganzenvoet bleek moeilijk te bestrijden.

Knolcyperus en doornappel waren ook in 2025 prominent aanwezig in de maïspercelen. De warme weersomstandigheden boden enerzijds ideale omstandigheden voor de ontwikkeling van deze onkruiden. Belangrijk om weten is dat knolcyperus zaad kon vormen in 2025. Anderzijds waren ook de naweeën van de moeilijke bestrijding in 2024 zichtbaar. Uit ervaring weten we dat één keer een onvoldoende aanpak van knolcyperus een stap terug is in de beheersing ervan. Zeker op percelen waar er in 2024 een faunamengsel werd gezaaid of braak bleef liggen, waren de probleemonkruiden frequent aanwezig. Dat stemt tot nadenken of we op deze percelen nog zulke niet-productieve teelten moeten zaaien.

Voederbieten hadden stress

Net als bij de maïs konden de voorjaarswerkzaamheden onder goede omstandigheden gebeuren en konden eind maart bieten gezaaid worden. Wat de opkomst betrof, waren er percelen die vlot en homogeen opkwamen. Op andere percelen was er eerder een heterogene opkomst merkbaar, wat veelal te wijten was aan de droogte.

In eerste instantie verliep de groei voorspoedig. Half mei hadden de meeste percelen het 4-6 bladstadium bereikt. Begin juni waren er op heel wat percelen 10 of meer bladeren te tellen en lag het veld nagenoeg dicht. Ook hier begon de droogte de percelen echter parten te spelen. Op de lichtere gronden, voornamelijk in de Kempen, lagen de bieten half juni al te slapen. Eerst was dit enkel op de warmste momenten van de dag te zien, naarmate de zomer vorderde was dit al van ’s ochtends. In september werd het weer wat koeler en viel er zo nu en dan een bui, waardoor er terug frisgroene bladeren groeiden. Het spreekt voor zich dat deze stressomstandigheden een impact hadden op de opbrengst.

De voederbieten kenden vorig jaar wel wat stress door droogte en belagers.
De voederbieten kenden vorig jaar wel wat stress door droogte en belagers. - Foto: TD

Qua onkruidbestrijding bepaalden de opkomst van de bieten en hoeveel regen er ondertussen viel de effectiviteit. Bij een homogene opkomst en een kleine bui af en toe, konden de bespuitingen volgens plan afgewerkt worden. Bij te droge percelen was er, net als bij de maïs, een verminderde werking van de bodemherbiciden. De onkruiden bleven echter wel kiemen en de intervallen tussen de behandelingen dienden indien nodig verkort te worden.

Bij een heterogene opkomst stonden de bieten nog in diverse groeistadia op het veld, wat de dosering en middelenkeuze er niet eenvoudiger op maakte. Melganzenvoet bleek hier en daar het probleemonkruid te zijn, waardoor de onkruidtrekmachines in zomer van stal werden gehaald.

Bieten hadden belagers

Het warme voorjaarsweer was niet alleen gunstig voor de groei van de bieten, maar ook voor de ontwikkeling van bladluizen. Op de meeste percelen werden er groene bladluizen, die het vergelingsvirus overdragen, waargenomen, maar de behandelingsdrempel werd eerder beperkt overschreden. In de meeste gevallen werd er echter toch een behandeling tegen bladluizen uitgevoerd, eerder als verzekering. Kolonies zwarte bonenluizen waren ook frequent aanwezig, maar eerder in lage aantallen.

Wanneer er bieten na een gescheurde weide werden gezaaid, doken er hier en daar wel problemen op met bodeminsecten (ritnaalden, emelten …). Dat komt omdat heel wat gras lang stond in het najaar van 2024. Langpootmuggen en anderen kregen zo de kans om eitjes te leggen. In een aantal gevallen was het nodig om te herzaaien. Naast bodeminsecten zorgden ook schimmels als rhizoctonia voor uitval bij de jonge bietenplanten.

De natte omstandigheden van 2024 zorgden voor een constante en hoge druk van cercospora. Het KBIVB stelde hun advies bij om vanaf de eerste symptomen een behandeling uit te voeren en om het interval van 4 weken naar 3 weken te brengen Vanaf half juli was cercospora aanwezig. Eind juli kwamen de eerste signalen van roest en witziekte. De regen in juli zorgde voor een gestage uitbreiding van bladziekten en dan voornamelijk van cercospora. De druk van bladziekten bleef constant aanwezig. Het was een kwestie van het blad gezond te houden. Veel percelen voederbieten zijn dan ook tweemaal behandeld en soms gaven de waarnemingen aan dat een derde behandeling ook aan te bevelen was.

Net als bij maïs zijn de opbrengsten van de voederbieten wisselvallig. Er zijn topopbrengsten gerealiseerd op percelen, al dan niet beregend, waar de bieten konden doorgroeien. Percelen die te lijden hadden onder de droogte, en bijgevolg een groeistilstand kenden, bleven echter sterk achter in productie. De groeistagnatie zorgde hier en daar wel voor meer rotte bieten. In een aantal gevallen zal hier rhizoctonia een belangrijke rol spelen. Toch mag men ook andere bodemschimmels, zoals Aphanomyces of fusarium, niet uitsluiten.

An Schellekens, Gert Van de Ven (LCV/Hooibeekhoeve)

Ellen Versavel (Inagro)

Eva Wambacq (HoGent-UGent-Proefhoeve Bottelare)

Marijke Gijbels (PVL-Bocholt)

Wietse Vangilbergen (Pibo-Campus)

Lees ook in Akkerbouw

Meer artikelen bekijken