Opinie: Publieke gronden verkopen, quick win of structureel verlies?
Steden en gemeenten staan onder financiële druk. In die context klinkt de verkoop van publieke gronden vaak als een logische oplossing: een snelle opbrengst, een gat in de begroting gedicht, een dossier afgesloten. Maar wie even verder kijkt dan de jaarrekening, ziet dat we hiermee vooral tijd kopen en tegelijk onze toekomst verkopen, stelt Linde Camps van Wervel in dit opiniestuk.

Wervel is de beweging voor agro-ecologie en korte keten die streeft naar een gezond en eerlijk voedselsysteem.
Van verkoop naar visie
Publieke gronden zijn geen overtollige activa. Ze zijn strategische hefbomen. Hefbomen voor voedsel, gezondheid, klimaat, sociale cohesie en lokale economie. Door ze van de hand te doen, geven steden en gemeenten niet alleen ruimte weg, maar ook beleidskracht.
Wat als we publieke gronden niet langer bekijken als een last op de balans, maar als een investering in veerkracht? Veel van die gronden hadden historisch een landbouwfunctie. Waarom zouden ze die rol vandaag niet opnieuw opnemen, aangepast aan de noden van de 21ste eeuw? Stadslandbouw, korte keten, agro-ecologische initiatieven: het zijn geen nostalgische ideeën, maar concrete antwoorden op actuele uitdagingen.
Voedsel als publieke infrastructuur
Met een doordacht grondenbeleid verbinden steden en gemeenten hun publieke instellingen rechtstreeks met lokale voedselproductie. Ziekenhuizen, woonzorgcentra, scholen en kinderopvang die voorzien worden van gezond, lokaal en seizoensgebonden voedsel: dat is geen utopie, maar een beleidskeuze.
Gezonde voeding draagt bij aan preventieve gezondheidszorg. En gezondere burgers hebben meer ruimte – fysiek én mentaal – om deel te nemen aan het maatschappelijk leven, zich vrijwillig in te zetten, en samen hun buurt vorm te geven. Wat vandaag een kost lijkt, betaalt zich morgen dubbel en dik terug.
Groen, nabij en toegankelijk
Publieke gronden zijn ook groene longen in en rond woonkernen. Plekken waar voedselproductie, biodiversiteit en recreatie samenkomen. Ze helpen steden en gemeenten om werk te maken van verkoeling, mentale gezondheid en leefkwaliteit, en om te voldoen aan principes zoals de 3-30-300-regel. Die regel bepaalt dat elke woning nood heeft aan 3 zichtbare bomen, 30% ‘klimaatgroen’ in zijn omgeving en toegankelijk groen op 300 meter. Groen is geen luxe. Het is basisinfrastructuur.
Diversiteit als sterkte
Door publieke gronden in publieke handen te houden, behoudt het lokaal bestuur ook de regie. Het maakt keuzes over wie er komt werken en wonen op die grond. Dat opent de deur naar diversiteit: een pluktuin naast een educatieve boerderij, een agro-ecologisch bedrijf dat samenwerkt met sociale tewerkstelling, een plek waar voedselproductie en zorg elkaar versterken. Zo wordt grond geen monofunctioneel vastgoed, maar een meervoudige ruimte met maatschappelijke meerwaarde.
De echte vraag
De kernvraag is dus niet: hoeveel brengt de verkoop vandaag op? Maar wel: wat kost het ons morgen als we deze grond kwijt zijn?
Een stevig, doordacht grondenbeleid vraagt tijd, visie en samenwerking. Maar het levert iets op wat met geen verkoopprijs te evenaren valt: beleidsruimte, veerkracht en een leefbare toekomst. Misschien is het tijd dat steden en gemeenten niet langer vragen wat publieke gronden waard zijn, maar waar ze van onschatbare waarde voor zijn.





