Bladluizen in graanvelden zijn niet verdwenen door de winter
De partners van het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen (LCG) voerden bladluistellingen uit tussen 2 en 4 maart op 32 percelen. Ze concluderen alvast dat de bladluispopulaties niet verdwenen zijn afgelopen winter.

De waarnemingen gebeurden op 24 percelen wintergerst, 7 percelen wintertarwe en 1 perceel triticale.
Wintergerst
Het merendeel van de gerst bevindt zich in het stadium van einde uitstoeling. Enkele percelen hebben het stadium ‘oprichten’ bereikt. Op de onbehandelde percelen is gemiddeld 3,3 % van de planten bezet met minstens één bladluis, gaande van 0 tot 11,5 % bezette planten.
Op de percelen die voor de winter wel behandeld werden, is gemiddelde 1,5 % van de planten bezet met minstens één bladluis. Op deze percelen situeerde dit percentage zich hoofdzakelijk tussen 0 en 3,5% met een uitschieter van 8 % bezette planten in Sint-Niklaas.
Wintertarwe
De wintertarwe die wordt opgevolgd is nog aan het uitstoelen en begint op enkele percelen op te richten. Zowel op de behandelde als de onbehandelde percelen wintertarwe werden geen bladluizen waargenomen.
Op het perceel triticale in Sint-Niklaas is 2 % van de planten bezet met minstens één bladluis.
Conclusies
De bladluispopulaties zijn dus niet volledig verdwenen tijdens de winter. Slechts op 13 van de 32 waarnemingspercelen werden geen bladluizen waargenomen bij deze eerste waarneming.
Op het einde van de winter, in het voorjaar wordt een bladluisbehandeling aanbevolen vanaf het ogenblik dat er levende bladluizen aanwezig zijn, ongeacht hun aantal.
Dit betekent dat momenteel niet overal behandeld moet worden maar dat het perceel per perceel moet bekeken worden. Gezien de positieve weersvoorspellingen, kalm weer zonder nachtvorst en maxima boven 10 °C tot midden maart, is een goede monitoring noodzakelijk.





