Startpagina Aardappelen

Aardappelen bemesten in functie van bodemvruchtbaarheid

Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij van de Vlaamse overheid organiseerde tijdens de afgelopen winter studiedagen in Bierbeek en Ninove voor de akkerbouwer. Tijdens die studiedagen bekeek Jan Bries van de Bodemkundige dienst van België de bemesting bij aardappelen in functie van de bodemvruchtbaarheid en recente proefervaringen.

Leestijd : 5 min

Het thema bodemvruchtbaarheid wordt volgens Jan Bries door velen geclaimd. “Als je naar de bodemkwaliteit kijkt, kom je 3 kenmerken tegen: chemische, fysische en biologische. Je kan daar veel metingen op doen om verschillende zaken in kaart te brengen. De Bodemkundige Dienst van België (BDB) maakt een selectie in meerdere waardes. Wij kijken vooral naar wat we effectief moeten gaan meten om advies over te geven”, aldus Jan Bries.

Organische stof is de basis

“Organische stof in de grond is de basis van bodemvruchtbaarheid”, stelde hij heel duidelijk. Het bodemleven beïnvloedt sterk de mineralisatie in die bodem. Dan zitten we bij de biologische processen. Dat bodemleven kan je in kaart brengen door een fosfolipidenvetzuuranalyse. Hier worden de membranen van schimmels en bacteriën geanalyseerd en dat levert een verslag met beoordelingen op. “Maar”, maakte Bries enkele kanttekeningen, “het bodemleven kan doorheen het jaar sterk fluctueren, dus je moet opletten in welke periode je een beoordeling maakt. Hiernaast wordt het bodemleven sterk beïnvloed door organische stof, maar ook door bijvoorbeeld niet-kerende bodembewerkingstechnieken.”

Ook voor de fysische eigenschappen speelt organische stof een belangrijke rol. Denk hierbij aan de mate van aggregaatstabiliteit en de kruimelstructuur. Een bodem met goede fysische eigenschappen stimuleert zo de wortelgroei en de verluchting van die bodem. Zijn de eigenschappen net niet goed, dan hebben die een nadelige invloed op de slempgevoeligheid, erosiegevoeligheid en bodemverdichting.

Een bodem in een goede fysische conditie is belangrijk voor de bodemvochtdynamiek en dan zeker ter hoogte van de wortelzone. “Een kapot gereden, verdichte bodem kan heel weinig vocht vasthouden”, illustreerde Jan Bries. Ook op fysisch vlak is werken aan de koolstof in de bodem een werk van lange adem.

Vocht en weersomstandigheden hebben grote invloed

Gaan we de chemische processen in een bodem bekijken, dan belanden we bij de processen van mineralisatie en nitrificatie van organische stof tot plantopneembare nutriënten. “De processen hier kunnen heel sterk beïnvloed worden door de temperatuur, maar nog meer door de vochthoeveelheid”, erkende Bries. “Dit maakt het voor de aardappelteler niet makkelijk om voor het seizoen de juiste beslissingen inzake bemesting te nemen. Daarom wordt er steeds meer gefractioneerd in de bemesting.”

Op chemisch vlak verwijzen velen naar de CEC-waarde of kationenuitwisselingscapaciteit van de bodem. “Je kan dat inderdaad gaan meten, maar hoe ga je hier dan verder mee om?, vraagt Bries zich af. “Daarom heeft de Bodemkundige Dienst een selectie gemaakt van parameters die ze analyseren en die ze gebundeld hebben in de standaardgrondontleding. Als onder andere het calcium- en magnesiumgehalte zich binnen de streefzone bevindt, weerspiegelt dit een goede bezetting van het CEC-complex.

Zorg er vooral voor dat het koolstofgehalte en de pH binnen de streefzone zitten”, luidt zijn advies. “Maar van een humusarme zandgrond met lage CEC kan je nog steeds geen leembodem maken”, bemerkte hij fijntjes.

Specifiek voor aardappelen is geweten dat ze een relatief hoge bemestingsbehoefte hebben en maar een beperkt wortelstelsel. Dit zorgt voor een lage opname-efficiëntie. Daarnaast kent het aardappelgewas periodes met intensieve nutriëntenopname. Dat zorgt voor verleiding om ruim te bemesten.

Jan Bries bemerkte dat sommige adviseurs bij het opstellen en bespreken van een bemestingsadvies kijken naar wat het gewas uit de bodem haalt. Anderen kijken dan weer naar wat het gewas nodig heeft gedurende het groeiseizoen voor een optimale productie. Hij waarschuwde dan ook voor het vergelijken van verschillende adviessystemen.

Kali is van belang

Jan Bries ging op dit onderwerp verder in door specifiek naar de kalitoestand te kijken. “Arme gronden kunnen zo niet genoeg kali leveren naargelang het gewas vraagt. Omgekeerd kan ook waarbij ‘goed voorziene’ gronden meer leveren en we met een verlaagd bemestingsadvies toekomen.” Een advies dat hij verstrekte, was om zeker bij seizoenspacht goed te kijken wat die bodem kan leveren en wat het gewas nodig heeft. Jan Bries wou tijdens zijn uiteenzetting zeker geen pleidooi houden om minder kali te geven, maar wel om dit te doen in functie van de bodembeschikbaarheid.

Hij erkent dat kalium een invloed heeft op de productie en kwaliteit van aardappelen. Kalium stimuleert de koolhydratenproductie, verhoogt de weerstand tegen droogte en zorgt voor een betere sortering. Daarnaast dalen door een goede kaliumvoorziening het onderwatergewicht, de blauwgevoeligheid en de zwartverkleuring. Bij de toediening van sulfaathoudende kalimeststoffen zouden er positieve smaakeffecten zijn.

Proefveldwerking van enkele jaren terug laat zien dat er een meeropbrengst is dankzij de kalibemesting. Dat effect neemt wel gradueel af, afhankelijk van de extra toegediende dosis kali.

Door de organische stof en de pH in het oog te houden, stimuleer je het bodemleven, aldus Jan Bries.
Door de organische stof en de pH in het oog te houden, stimuleer je het bodemleven, aldus Jan Bries. - Foto: TD

Meerdere bemestingsstrategieën

Wat betreft stikstofbemesting zijn er verschillende mogelijkheden. De landbouwer kan bemesten met dierlijke mest of met kunstmest of met een combinatie van beide. Ieder landbouwbedrijf wordt dan nog eens geconfronteerd met verschillen in beschikbaarheid van mest, kostprijs, samenstelling, bodemtype… Ook het toedieningstijdstip kan variëren van alle bemesting toedienen voor het planten van aardappelen, tot het fractioneren van de bemesting en al dan niet bijbemesten in functie van de omstandigheden van het seizoen.

Jan Bries gaf aan dat wanneer je de samenstelling/bemestingswaarde van je dierlijke mest goed kan inschatten, je hetzelfde opbrengstniveau kan halen als met kunstmest. Hij raadde aan om voorzichtig te zijn met ‘gemiddelde’ bemestingswaarden, want die kunnen toch stevig verschillen in de praktijk.

Vorig jaar werkte de BDB nog mee aan bemestingsproeven in het kader van het Landbouwcentrum Aardappelen (LCA) op de proefplatformen van de Vlaamse overheid in Assent en Lennik. Er werden 5 verschillende objecten aangelegd, gaande van het volledig bemestingsadvies toegediend voor het planten van de aardappelen over gefractioneerde bemestingsadviezen en gereduceerde adviezen al dan niet aangevuld.

Uit de proefveldwerking van vorig jaar komt duidelijk naar voren dat wanneer er tijdens het teeltseizoen een vochttekort is, het potentieel van de bemestingstoestand van de bodem niet tot uiting komt en de opbrengst achterblijft. “Ook het toedienen van bladvoeding kan het tekort aan water of neerslag niet opvangen”, legde Jan Bries uit. Het proefperceel in Lennik kreeg iets meer water dan dat in Assent en dat was onmiddellijk merkbaar in het opbrengstniveau.

Wat de maatsortering van de aardappelen en het nitraatresidu na oogst betreft, lieten de verschillende proefobjecten vorig jaar maar weinig verschillen optekenen. Wel werd gezien dat wanneer je door neerslagtekort onvoldoende aardappelen van je veld kan halen, je ook hogere nitraatresidu’s hebt.. Dat pleit dan toch voor de mogelijkheden om de bemesting te fractioneren en om te starten met een verlaagde bemesting, al dan niet aangevuld met een bijbemesting gedurende het seizoen.

Conclusie

In zijn conclusie stelde Jan Bries duidelijk dat je werken aan de bodemvruchtbaarheid globaal op jouw landbouwbedrijf moet bekijken. “Door de organische stof en de pH in het oog te houden, stimuleer je het bodemleven, waardoor je verder kan werken aan de bodemstructuur en het vochthoudende vermogen.”

Daarnaast attendeerde hij er nog op om het belang van de kalibemesting bij aardappelen niet te vergeten, maar op kalirijke percelen kunnen de aardappelen de voorraad goed benutten en kan dus bespaard worden op de kaligift. Tijdens het groeiseizoen van de aardappelen moet terdege rekening gehouden worden met de weersomstandigheden om de N-bemesting bij te sturen.

Tim Decoster

Lees ook in Aardappelen

Brouns wil producentenorganisatie voor aardappelsector

Aardappelen Vlaams minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v) pleit ervoor dat er in Vlaanderen één of meerdere producentenorganisaties komen in de aardappelsector. Die moeten landbouwers helpen om samen te onderhandelen en zo sterker te staan tegenover grote afnemers.
Meer artikelen bekijken