Startpagina Aardappelen

Zoeken naar de beste bemestingsstrategie in aardappelen

Bemesting blijft een zeer belangrijke factor. Het is bepalend voor de opbrengst en kwaliteit en bij aardappelen is dit niet anders.

Leestijd : 5 min

Aardappelen zijn als belangrijke akkerbouwteelt echter niet de meest makkelijke teelt wanneer gekeken wordt naar de nitraatrest op het einde van het groeiseizoen. Met deze insteek legde de Bodemkundige Dienst van België (BDB) enkele proeven aan.

Met een behoorlijk opbrengstpotentieel hebben aardappelen inderdaad een relatief hoge bemestingsbehoefte. Deze moet bovendien voldaan worden in een beperkte periode, waarin de nutriëntenopname dus zeer intensief is. De belangrijkste stikstofopname gebeurt tot 60 dagen na de opkomst.

Daartegenover staat echter dat aardappelen een relatief zwak, ondiep en beperkt wortelstelsel hebben, waardoor de opname-efficiëntie bij aardappelen laag is. Bijkomend doet de aardappelplant niet aan luxeconsumptie. Er wordt niet meer stikstof opgenomen dan noodzakelijk voor een optimale groei. Dit betekent dat de aardappelen na half (tot einde) juli, wanneer de grootste stikstofopname gebeurd is, nog maar een beperkte hoeveelheid stikstof opnemen. Stikstof die nadien door mineralisatie vrijkomt, wordt slechts met mondjesmaat benut. Wat niet opgenomen is, wordt nitraatresidu.

Ook de economische realiteit is drastisch veranderd. Aardappelen, een van de meest rendabele teelten, was eerder de laatste teelt waar beknibbeld moest worden op de bemesting. Het kostenplaatje wordt momenteel met de moeilijke marktsituatie voor aardappelen en de sterk gestegen prijzen van de minerale meststoffen belangrijker. Ook op het vlak van bemesting is het tijd voor een efficiëntieoefening. Het blijft dus zoeken naar wat de beste bemestingsstrategie is in de aardappelteelt: teelttechnisch, milieutechnisch en economisch.

Wat zijn de mogelijkheden?

In de globale efficiëntieoefening rond bemesting moet overwogen worden welke meststoffen gebruikt worden, hoeveel ervan moet worden toegepast en wanneer ze het best worden toegepast.

In het kader van het Landbouwcentrum Aardappelen (LCA) legde de BDB de voorbije 2 jaren enkele veldproeven aan rond fractionering, dosis en type meststof. In 2024 en 2025 werden deze proeven aangelegd in Assent, Bertem en Lennik met Fontane en Challenger.

Inzake tijdstip van bemesting werd gedifferentieerd tussen de volledige bemesting voor het planten en het gefractioneerd toedienen van de bemesting. In de gefractioneerde schema’s werd 70% van de totale dosis gegeven voor het planten en werd ongeveer 6 weken na het planten bijbemest.

De dosis in de bemestingsproeven werd bepaald op basis van de N-indexmethode van de BDB. Dit advies werd verder gedifferentieerd. Dit werd volledig toegediend en werd in een volgende bemestingstrap met 30% gereduceerd. De totale stikstofbemesting varieerde zo tussen 140 en 211 kg N/ha.

Dierlijke mest als mogelijk onderdeel van de bemesting werd niet meegenomen in deze proeven. Toch kan die in de huidige economische context aan belang winnen. Belangrijk in dit geval is het kennen van de samenstelling van de dierlijke mest. Het kan een goedkopere samengestelde mest zijn, maar het kan sterk verschillen van inhoud.

In de proeven werd gewerkt met minerale meststoffen. De basisbemesting voor het planten gebeurde steeds met KAS. In de gefractioneerde schema’s werd bij de bijbemesting gekeken naar mogelijke verschillen tussen vaste en vloeibare minerale meststoffen.

Verschillende proefobjecten

Concreet werden de volgende objecten aangelegd in de bemestingsproeven van 2024 en 2025. Een eerste object bestond uit een bemesting tot aan het advies, volledig toegediend voor het planten. Bij het tweede object werd bemest tot aan advies, maar gefractioneerd volgens de verhouding 70-30%.

Het derde object werd bemest tot maar 70% van het advies, volledig gegeven voor het planten. Het vierde object kreeg ook 70% van het bemestingsadvies, gefractioneerd volgens de verhouding 50-20% en werd bijbemest met KAS. Het vijfde object was gelijkaardig aan het vierde, maar hier werd bijbemest met ureum. Die ureum werd opgelost en als bladmeststof toegediend in 3 verschillende toepassingen.

Deze objecten werden in beide proefjaren aangelegd. Een zesde object werd in 2024 en 2025 verschillend ingevuld. In 2024 werd in een strategie met gereduceerde bemesting voor de bijbemesting ook gekeken naar het effect van een ureaseremmer (bemesting tot 70% advies, gefractioneerd 50 en 20%, bijbemesting met Novurea; Novurea opgelost en toegediend als bladmeststof).

In 2025 werd in een bijkomend object de dosis van de bijbemesting afgestemd op een tussentijds bodemstaal, nadat voor het planten 70% van het basisadvies werd toegediend (bemesting tot 70% advies voor het planten en bijbemesting op basis van tussentijds staal met KAS). De resultaten van deze objecten komen in dit artikel niet aan bod.

Opbrengsten en ervaringen

2024 en 2025 waren duidelijk verschillende jaren. 2024 kende een latere start van het seizoen en was een jaar met ruim voldoende vochtvoorziening. 2025 daarentegen was droger en kende een warmere zomer.

De opbrengsten in 2024 waren zeer hoog, met gemiddelde opbrengsten op de proefvelden van 61 en 64 ton/ha. Op geen van beide proefvelden bleken er statistisch significante verschillen in opbrengst. Wel bleek de gemiddelde opbrengst op beide percelen het hoogst wanneer het advies volledig werd ingevuld.

Figuur 1: Relatieve opbrengst bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025.
Figuur 1: Relatieve opbrengst bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025. - Bron: BDB

De opbrengsten in 2025 lagen lager en verschilden sterker tussen de proefvelden door duidelijke verschillen in neerslag op een cruciaal moment. Ook toen werden geen significante opbrengstverschillen waargenomen tussen de verschillende bemestingsstrategieën.

Over beide seizoenen en alle locaties heen moet besloten worden dat de opbrengsten van de verschillende bemestingsstrategieën dicht bij elkaar aanleunen (zie figuur 1). Statistisch gezien konden er geen verschillen aangeduid worden. Toch leek het advies volgen een wat hogere opbrengst en wat grovere maatsortering te geven (zie figuur 2).

De bemesting fractioneren bleek noch in opbrengst noch in maatsortering een verschil te geven. Ook de meststofkeuze voor de bijbemesting leidde niet tot grote verschillen.

Figuur 2: Gemiddelde maatsortering bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025.
Figuur 2: Gemiddelde maatsortering bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025. - Bron: BDB

Waterkwaliteit en nitraatresidu

Met het oog op het verbeteren van de waterkwaliteit en het beheersen van het nitraatresidu blijken het jaareffect en een geslaagde teelt zeker zo belangrijk. In 2024 bleven alle residu’s beperkt. Het hoogste residu bedroeg 69 kg NO3-N/ha. In 2025 bedroeg het laagste residu 61 kg NO3-N/ha. De tendens tussen de verschillende objecten bleek ook nergens hetzelfde te zijn.

De bemestingsstrategieën resulteerden ook niet in een significant verschillende nitraatrest (zie figuur 3). Toch lijkt het verlagen van de bemestingsdosis en het fractioneren van de bemesting, over alle proefvelden heen, in beperkte mate voor een lager nitraatresidu te zorgen. De bladtoepassing met ureum als bijbemesting in plaats van bijbemesting met KAS gaf geen lager nitraatresidu.

Figuur 3: Gemiddelde nitraatrest (0-60 cm) bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025.
Figuur 3: Gemiddelde nitraatrest (0-60 cm) bij verschillende bemestingsstrategieën. LCA-bemestingsproeven 2024-2025. - Bron: BDB

Conclusie uit 2024 en 2025

Bemesten volgens advies gaf de beste resultaten, zowel qua opbrengst als maatsortering. De nitraatresidu’s lagen een fractie hoger, weliswaar niet significant. Het voordeel van fractioneren moet gezocht worden in de flexibiliteit. Het geeft je de mogelijkheid om in te spelen op het seizoen, de actuele toestand en bijgestelde vooruitzichten. Je kan gericht bijsturen en eventueel een bijkomende dosis besparen.

De keuze tussen een bladtoepassing met ureum of een volleveldstoepassing met KAS als bijbemesting is niet evident. Bladmeststoffen geven misschien wat extra flexibiliteit. Deze opzet bleek geen overtuigend voordeel. De toepassing met ureum als bladmeststof leidde zelfs tot wat hogere residu’s.

Ter bevestiging... of niet… in 2026

Dit jaar wordt de proef opnieuw aangelegd in Assent en Lennik. De proefopzet van 2025 wordt herhaald op beide locaties. Na wintergerst en wintertarwe worden de schema’s opnieuw getest in Fontane en Challenger. Na 3 jaar kan ook een economische afweging worden gemaakt.

Wendy Odeurs, Jill Dillen en Jan Bries (BDB)

Lees ook in Aardappelen

Vermijd erosie bij ruggenteelten met correcte drempels

Akkerbouw Drempels werken zeer effectief als erosiereducerende maatregel bij ruggenteelten. Wanneer zijn drempels bij ruggenteelten verplicht en wat kan binnen de ecoregeling ‘Teelttechnische erosiebestrijdende en bodemverbeterende technieken’? Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij belicht een correcte aanpak.
Meer artikelen bekijken