Meer onderzoeksmogelijkheden helpen varkenssector vooruit
Sinds begin februari beschikt het Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw (PVL) in Bocholt over een gloednieuwe zeugenstal. De nieuwe zeugenstal zorgt voor heel wat bijkomende onderzoeksmogelijkheden die ten goede komen aan de sector.

Het PVL is een onafhankelijk, praktijkgericht onderzoekscentrum dat landbouwers en sectorpartners adviseert en ondersteunt in hun zoektocht naar een efficiënte bedrijfsvoering. Dit onderzoek richt zich zowel op de plantaardige als op de dierlijke sector. PVL is bijvoorbeeld een belangrijke kennispartner in het onderzoek naar knolcyperus maar ook naar de reductie van ammoniakemissies uit stallen. Het zijn slechts 2 voorbeelden uit een ruime waaier aan onderzoeksthema’s.
Gesloten varkensbedrijf geschikt voor onderzoek
Om relevant onderzoek uit te voeren, heb je een up-to-date infrastructuur nodig. In 2023 werd daarom een nieuwe jongveestal in gebruik genomen. In februari 2026 werd nu ook de nieuwe zeugenstal officieel ingehuldigd.
Coördinator Sander Palmans: “De vorige zeugenstal dateerde van 1991. Het was indertijd een toonbeeld voor de reductie van ammoniakemissies. Na meer dan 30 jaar dienst was het wel hoog tijd voor een nieuwbouw. De nieuwe zeugenstal werd gebouwd met een vergunning voor 97 hybride zeugen, een beer en 208 biggen. De zeugenstal werd 25% groter voor eenzelfde aantal zeugen. De dieren beschikken dus over meer ruimte.”
De vleesvarkensfaciliteit bevindt zich in het naburige Veldhoven. Die stal biedt plaats aan 360 biggen en 720 vleesvarkens. “PVL beschikt dus opnieuw over een gesloten varkensbedrijf, waar het zowel kleine als grote proefopzetten kan uitvoeren.”
Brongerichte maatregelen
De nieuwbouw moest weliswaar voldoen aan de vereisten van het Stikstofdecreet. Specifiek voor de varkenshouderij moet daarbij een emissiereductie gebeuren van 60% voor traditionele stallen. Veehouders kunnen binnen de toegelaten systemen kiezen op welke manier ze die emissie reduceren. Dit kan onder meer door brongerichte maatregelen, door end-of-pipe-
“Aangezien de stal opnieuw naast het Biotechnicum in het hart van Bocholt zou gebouwd worden, wilden we liever geen luchtwasser plaatsen”, stelt Sander Palmans. “De raad van bestuur van het PVL koos bewust voor brongerichte maatregelen, met behoud van het aantal zeugen. Er werd dus in elk staldeel ingezet op het verkleinen van het emitterende oppervlak in de mestkelder, om op die manier emissies te reduceren.”
Vlotte bouwperiode
Op 16 september 2024 startte de afbraak van de oude zeugenstal. In het najaar 2024 en winter 2025 ging vooral veel aandacht naar de kelders van de nieuwbouw. Volgens Sander Palmans was dit een uitdagende periode. “Deze werkzaamheden moesten immers met veel precisiewerk gebeuren. Voorafgaand aan de betonnering werden de rioleringen aangebracht die de mest naar de opslagkelder moeten brengen. Dit rioleringsnetwerk draagt bij aan de reductie van de ammoniakemissie. Daarnaast werd er ineens een regenwateropslag voorzien voor maximaal hergebruik van water.

Tegen eind april was de bovenbouw ongeveer klaar en kon men aan de stalinrichting beginnen. Ook dat liep als een trein, want op 24 juni 2025 – slechts 9 maanden na de afbraak - werden de eerste 32 jonge zeugen in de dekstal gehuisvest. Zeven weken na de eerste groep arriveerde al de tweede groep zeugen. Ondertussen werd naarstig verder gewerkt aan de andere afdelingen. Zo kon de groepshuisvesting met voerstation voor de drachtig gescande zeugen ook vlot in gebruik genomen worden in augustus.
Oktober stond volledig in het teken van de afwerking van de kraamstal en vervolgens van de biggenafdeling.
Op 18 november – zowat een jaar na de start van de betonwerken voor de nieuwbouw – werden de eerste biggen in de nieuwbouw geboren.
Meten is weten
“We houden onze zeugen in een 7 wekensysteem, met 3 groepen van 32 zeugen. In dit systeem worden de biggen gespeend op 4 weken”, legt Sander Palmans uit. “Dat is weinig conventioneel, maar heeft natuurlijk te maken met onze specifieke rol. De stal is volledig gebouwd met het oog op onderzoek. Daarom is bijvoorbeeld ook gekozen voor iets kleinere afdelingen in plaats van voor 1 grote afdeling.”
Vermits meten weten is, worden hier heel wat data verzameld. Palmans: “PVL is al jaren pionier in de individuele dieropvolging. We maken al 10 jaar gebruik van elektronische identificatie van de varkens. Dat is nodig omdat de biggen op ons bedrijf allemaal minimaal 5 keer worden gewogen. Doorgaans is het zelfs eerder 7 tot 8 keer. Ook andere data zoals afstammingsgegevens, geslacht, medicatie, hok... zijn in de oormerken geregistreerd.

In de nieuwe stal wordt ook de individuele opvolging van de zeugen naar een hoger niveau getild. Het doen en laten van onze zeugen wordt via de oormerken gevolgd. Het bepaalde in belangrijke mate ons stalconcept en de stalinrichting.”
De automatisering zorgt in combinatie met de oormerken voor een voortdurende datastroom, wat een uiterst nauwkeurige en individuele dieropvolging mogelijk maakt. “De verregaande automatisering waarborgt een hoge betrouwbaarheid van onze resultaten. Deze nauwkeurigheid vormt een fundamentele waarde, die door onze partners sterk gewaardeerd wordt!”
Automatisering in combinatie met onderzoek
In de dekstal werden de inseminatieboxen gecombineerd met de mogelijkheid tot vrije uitloop zodat het haalbaar is om de zeugen reeds op minder dan 4 dagen los te laten na het insemineren. Hier werd ondergronds gekozen voor een aparte mestgoot achter de zeugenboxen, in combinatie met schuine putwanden op het losloopgedeelte. De meeste mest wordt opgevangen in die mestgoten. Aangezien deze regelmatig worden afgelaten naar de afgesloten mestkelder, komt er weinig ammoniak vrij. Verder zijn hier 2 voederlijnen voorzien, zodat er onderzoeksmogelijkheden zijn die kunnen worden geautomatiseerd.

Op dag 23 worden de zeugen gescand. Bij dracht worden ze verplaatst naar de groepshuisvesting. In de drachtstal is rust de belangrijkste factor. De drachtige zeugen blijven hier tot de laatste week voor het werpen. In dit deel van de stal werd gekozen voor het schuineputwandensysteem. Daardoor wordt het mestoppervlak en dus de ammoniakemissie verkleind. De mest wordt regelmatig afgevoerd naar de afgesloten mestopslag.
De groepshuisvesting is voorzien van een individueel voederstation en een tochtigheidsdetectiestation. “Het Nedap-voederstation registreert de dagelijkse voederopname van de zeugen, alsook het gewicht van elke zeug. Dat bespaart ons arbeid op wegingen en het brengt de volledige voederopname en dus ook de conditie van elke zeug ineens mooi in kaart. Op het vlak van onderzoek is het mogelijk om tot 4 verschillende voeders te verstrekken in het voederstation. Daarnaast is er een berigheidsdetectiestation – aan het aparte hok met onze zoekbeer – voorzien dat registreert wanneer een zeug bronstig is in de groepshuisvesting.”

Ruime vrijloopkraamhokken
De mest wordt in de kraamafdeling opgevangen in mestpannen. Omdat de mest snel wordt afgevoerd en omdat er een gescheiden water- en mestgedeelte is onder elk hok, zal er ook hier minder ammoniak in de lucht aanwezig zijn.

Bij de nieuwbouw werd ook extra aandacht besteed aan dierenwelzijn. Daarom werd in de kraamafdeling gekozen voor vrijloopkraamhokken. In een vrijloopkraamhok krijgt de zeug meer ruimte in de periode kort na het werpen. Het blijkt ook gunstig voor de melkproductie van de zeugen.
“We kozen voor vrijloopkraamhokken van I-Tek. Op het moment dat wij op zoek gingen naar ons type vrijloopkraamhok waren er nog maar relatief weinig vaste concepten beschikbaar. Uiteindelijk is onze opstelling een afgeleide van een biologisch concept geworden. Wij hadden als voorwaarden om gemakkelijk aan de biggen én aan de voerbak van de zeug te kunnen. Dat is belangrijk omdat we vaak biggen moeten wegen en het biggennest dus goed bereikbaar moet zijn. De voerbak van de zeug moet dan weer goed bereikbaar zijn, omdat we in het kader van onderzoek ook vaak met de hand moeten voeren of iets extra moeten kunnen toevoegen.”

Elk hok meet 2,6 m bij 3 m, maar er is een wandelpaadje van 0,50 m x 1,50 m per 2 hokken gemaakt, om de kop van de zeug te bereiken. Het biggennest bevindt zich tegen de controlegang en is afgewerkt met een kap van plexiglas. Dit nest wordt elektrisch verwarmd. De verwarming verloopt via een curve waarin de temperatuur van de vloerplaat werd afgesteld.
Ook in de kraamafdeling probeert men zoveel mogelijk geautomatiseerd te werken. “Daarom hebben we een dubbele voederleiding in de kraamstal liggen die aangesloten is op Jyga-dosators. Dat is een systeem waarbij de zeugen zelf kunnen bepalen hoeveel ze wensen te eten. De zeugen kunnen tot 6 voederbeurten krijgen, waarbij wij bepalen hoeveel procent van hun portie ze op elk tijdstip kunnen eten. Vervolgens valt er 50 g voeder bij de start van een voederbeurt, zodat de zeug weet dat ze kan gaan eten. We kunnen ook instellen hoelang een voederbeurt duurt. Binnen dat tijdsbestek dient de zeug dan haar portie op te eten. Op die manier krijgen we inzicht in het vreetgedrag van de zeugen. Veel kleine porties laten een grotere voederopname toe dan weinig grote porties. Ook afwijkend eetgedrag, bijvoorbeeld door ziekte, kan op die manier worden opgemerkt.”
Een blik in de stal
Een varkensstal is meestal niet zomaar toegankelijk. Daarom zorgde PVL voor een bezoekersgang. Via grote ramen kun je een blik werpen in elke afdeling. In de gang hangen bovendien panelen met een korte uitleg. “Op die manier kunnen we zonder sanitaire risico’s heel wat duiding geven aan professionele bezoekers. Andere bezoekers, bijvoorbeeld tijdens de opendeurdag van de school, kunnen zo voor het eerst zien hoe varkens worden gehuisvest.”





