Startpagina Maïs

Probleemonkruiden in maïs vergen extra aandacht

De onkruidbestrijding in maïs staat voor tal van uitdagingen. Het Landbouwcentrum Voedergewassen (LCV) belicht de beheersing van probleemonkruiden zoals gierstgrassen, knolcyperus en doornappel op basis van bevindingen van de werkgroep Onkruidbeheersing maïs.

Leestijd : 8 min

Door enge teeltrotatie wordt, voornamelijk op lichtere bodems, een toenemende onkruiddruk vastgesteld. Er is onder andere een stijgende aanwezigheid van gierstgrassen, een toenemende problematiek van knolcyperus én ook van doornappel (Check zeker ook de adviezen omtrent doornappel). Daarnaast verliezen producten hun erkenning. Zo mag je combinaties met flufenacet en terbuthylazine (in bijvoorbeeld Aspect T, Andes en Promess) nog tot uiterlijk 31 juli toepassen. Aan andere middelen zijn ook beperkingen opgelegd. Dit is onder meer het geval voor terbuthylazin, de combinatie isoxaflutool+thiencarbazon-methyl (Adengo). Ook de maximale dosering van mesotrione is verlaagd voor tal van handelsproducten (onder andere bij Callisto).

In een dergelijke context en in het kader van de geldende IPM-reglementering is het belangrijk om nog meer aandacht te hebben voor goede landbouwpraktijken, zoals de juiste productkeuze en het behandelstadium. Verder moet je tal van voorzorgen in acht nemen tijdens de chemische bestrijding, om aanwezigheid van residuen in het oppervlaktewater te voorkomen.

Basisaanpak geïntegreerde onkruidbeheersing

Onkruidbeheersing op basis van doelgerichte handelingen (IPM of Integrated Pest Management) blijft een must. Elke landbouwer die percelen aangeeft in de verzamelaanvraag en die professionele gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op die percelen– zij het zelf, via een loonwerker of een andere landbouwer – moet verplicht aangemeld zijn voor IPM-controle bij een Onafhankelijke Controle Instantie (OCI). IPM zit vervat in Vegaplan. Landbouwers die bijvoorbeeld suikerbieten of aardappelen hebben, zijn normaal al Vegaplan-gecertificeerd en dus ook in orde voor IPM. IPM zit echter bijvoorbeeld niet in Codiplan of Integrale Kwaliteitszorg Melk (IKM). Deze landbouwers moeten zich dus afzonderlijk aanmelden bij een OCI.

Beheersing van gierstgrassen

Vanuit het oogpunt van IPM is bij het beheersen van gierstgrassen preventie zeker een belangrijk uitgangspunt. Uit proeven op de Hooibeekhoeve bleek dat het doorbreken van de maïsmonocultuur al direct kan leiden tot een veel lagere onkruiddruk. Mechanische onkruidbeheersing zal in droge jaren zeker een positieve bijdrage leveren, maar vooral combinaties van chemische en mechanische onkruidbeheersing lijken de meest bedrijfszekere aanpak.

Zo gaf een object met wiedeggen voor opkomst, gevolgd door een bandbespuiting en schoffelen na opkomst (3 passages), in het droge voorjaar van 2023 het beste resultaat in proef in vergelijking met de puur chemische schema’s. Ook in het droge voorjaar 2025 gaf een vergelijkbaar schema met wiedeggen voor opkomst, een bandbespuiting ter hoogte van de rij met 0,8 l Frontier Elite + 0,25 l Adengo/ha in het 1-2-bladstadium, 1 x schoffelen in 3-4-bladstadium en een onderbladbespuiting met een combinatie van 1,5 l Laudis + 0,5 l Samson Extra 60 OD + 0,25 l Casper/ha in het 8 bladstadium ook een volledig resultaat.

Voor de volledigheid moeten we aangeven dat Adengo (combinatie van isoxaflutool+thiencarbazon-methyl+cyprosulfamide) slechts eenmaal mag toegepast worden in 36 maanden en dat de dosering op heden beperkt is tot 0,22 l/ha.

Behandel vroeg tegen gierstgrassen

In de praktijk wordt vandaag de dag nog meestal gekozen voor een volledig chemische aanpak. In dat geval geldt één zeer belangrijk basisprincipe: behandel vroeg!

De meest zekere strategie bestaat hier uit een tweeledige aanpak, waarbij gestart wordt met een toepassing in vooropkomst of een vroege naopkomst in het 1-2 bladstadium, aangevuld met een correctiebehandeling in het 3-(4) bladstadium. De vooropkomsttoepassing gebeurt het best onmiddellijk na het zaaien, gezien het zaaibed er dan nog vochtig bij ligt. Toepassingen zoals Frontier Elite 1 l tot 1,4 l, of nog sterker de combinatie van bijvoorbeeld Frontier Elite 0,8 l + Adengo 0,22 l/ha, met nog een sterkere werking tegen vingergrassen, lijken hierbij een goed vertrekpunt. Deze combinatie kan uiterlijk nog ingezet worden tot het 1-2-bladstadium.

In vooropkomst kan Frontier Elite ook nog gecombineerd worden met 2,5 l Stomp Aqua, in geval van een grote druk van melganzenvoet. Na opkomst kan dan het best vroeg afgewerkt worden met combinaties op basis van tembotrione (bijvoorbeeld Laudis OD of WG, afhankelijk van andere componenten in het mengsel) + nicosulfuron (bijvoorbeeld Samson 60 OD) of thiëncarbazone (bijvoorbeeld Monsoon Active TCMax) + een versterker (bijvoorbeeld Kart, Peak, Callam…) in functie van de overige flora. Deze correctie wordt dan ook het best eerder vroeg geplaatst en dit in functie van de ontwikkeling van de gierstgrassen.

Na het 2 bladstadium van de maïs wordt de beheersing zo goed als onmogelijk. Indien de vooropkomstbehandeling niet werd uitgevoerd, is het belangrijk om zo vroeg mogelijk na opkomst van de maïs te behandelen (uiterlijk 3 bladstadium) met gelijkaardige combinaties, maar dan wel aangevuld met een bodemherbicide zoals Frontier Elite 1 l/ha. Vaak zal dit evenwel niet voldoende zijn en lijkt een onderbladbespuiting in het 7-8 bladstadium aangewezen, wil men te veel overblijvende gierstgrassen vermijden. Bij een onderbladbehandeling moet men er wel rekening mee houden dat de werking trager verloopt en dat er ook nog op voldoende kleine onkruiden wordt behandeld.

Neem knolcyperus ernstig!

Knolcyperus blijft zich maar uitbreiden via grondverzet, niet-gecertificeerde compost, het niet reinigen van oogst- en grondbewerkingsmachines en contractteelt van wortel-, bol -en knolgewassen.. Knolcyperus kan zich vermeerderen via knollen, maar ook via zaden. Vandaag de dag is naar schatting al meer dan 35.000 ha besmet in België. Eenmaal op een perceel kan 1 moederknol bij een ongestoorde groei in 1 seizoen een haard van 60-80 cm diameter vormen. Na 3 à 4 jaar omvat dit circa 10 m². Via grondbewerking gaat alles nog een stuk sneller.

Knolcyperus niet bestrijden is geen optie.
Knolcyperus niet bestrijden is geen optie. - Foto: PVL

Uit de verslepingsproef door PVL (Vlaio-project in verband met de beheersing van knolcyperus) bleek een versleping met een rotoreg tot 40 m voor te komen. Verder is het belangrijk om regelmatig je eigen percelen te controleren op de aanwezigheid van het onkruid. De onkruidwijzer van het LCV en talrijke andere bronnen kunnen je hierbij helpen. Knolcyperus kan verward worden met zeebies. Onze noorderburen ontwikkelden een handige zoekkaart om knolcypers te herkennen. Tijdige detectie kan veel verder onheil voorkomen, gezien bij een beperkte aanwezigheid nog verdere verspreiding kan vermeden worden.

Knolcyperus beheersen maakt al langer deel uit van de IPM-checklist, maar is sinds 2023 ook opgenomen in de regelgeving rond de conditionaliteit GLB. Er geldt een verbod op het telen van wortel-, knol- en bolgewassen op percelen die besmet zijn met knolcyperus. Een perceel besmet met knolcyperus is een perceel met meer dan 10 m² aantasting op het perceel. Indien er meer dan 10 knolcyperusplanten/m² staan of indien er een bedekkingsgraad van meer dan 50% is, zal deze m² in rekening gebracht worden.

Op met knolcyperus besmette percelen kan maïs in monocultuur geteeld worden tot wanneer het perceel vrij is van knolcyperus. Deze percelen moeten dan wel aangemeld worden bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en worden dan aangeduid in de verzamelaanvraag. In de maïsteelt zijn er in vergelijking met andere teelten immers meer mogelijkheden met chemische selectieve bestrijding.

Besmette haarden inventariseren, machines reinigen en besmette percelen als laatste bewerken is de boodschap.

Geïsoleerde besmetting Op percelen met een geïsoleerde, beperkte aanwezigheid van knolcyperus kan overwogen worden om de haard voldoende diep (minimaal 50 cm) uit te graven en fytosanitair verantwoord af te voeren. Afhankelijk van de precieze locatie van de haard in het perceel is een herhaaldelijke mechanische en/of chemische zwartebraakbehandeling eveneens een mogelijkheid. Een kleine haard kan ook via stomen aangepakt worden. Recente resultaten van PVL (Vlaio- LA ‘Geïntegreerde aanpak van knolcyperus’ (2021-2025) en Leader-project ‘Probleemonkruiden’) tonen aan dat een beddenstomer (40 cm holle pinnen, 15-25 minuten stationair stomen) ingezet op een diepte van 15-30 cm gedurende 20 minuten 100% afdoding gaf. Hou wel rekening met een richtinggevende kostprijs van 20 euro/m²/20 minuten, exclusief de transportkosten van de machine tot op het bewuste veld.

Zware aantasting Op percelen met een zware aanwezigheid van knolcyperus is een meervoudige aanpak belangrijk, waarbij ook mechanische onkruidbeheersing zijn plaats kan hebben. Dit kan enkel bij een vrij verspreide besmettingshaard, aangezien de factor versleping aanwezig is.

Voor zaai Dankzij de inspanningen van het LCV en Inagro is sinds 1 april 2026 een 120-dagen erkenning bekomen voor de toepassing van dimethenamid-p in de handelsproducten Frontier Elite of Arundo of Grometa aan 1,2 l/ha vóór zaai, gevolgd door inwerken tot 10 cm. Deze toepassing voorziet in een afdoding van de kiemen op de knollen. Deze toepassing mag wel maar eenmaal in een termijn van 36 maanden gebeuren.

In vooropkomst Indien het niet lukt voor zaai is een behandeling met dimethenamid-p (bijvoorbeeld Frontier Elite) 1,4 l/ha in vooropkomst ook een goed vertrekpunt, op voorwaarde dat dit zo snel mogelijk na de zaai wordt toegepast. Wanneer deze basis wordt gecombineerd met een toepassing in het 2-3 of 3-4 bladstadium en afgewerkt wordt met een onderbladbehandeling in het 8-10 bladstadium, telkens op basis van een combinatie van mesotrione en pyridaat, worden goede resultaten bekomen. Een volgehouden inspanning op de beheersing van de scheutvorming kan de nieuwe knolvorming tegengaan via deze drieledige aanpak: liefst voor zaai of vooropkomst- en 2 naopkomstbehandelingen zijn hierbij nodig.

Let wel, er zijn beperkingen op de dosering van mesotrione bevattende producten . Die komen erop neer dat voor producten die bijvoorbeeld 100 g mesotrione/l bevatten er, met het oog op een beheersing van knolcyperus, de erkende toepassing van 1 l/ha mag opgesplitst worden in 2 fracties van 0,5 l/ha, en dit dan telkens gecombineerd met bijvoorbeeld 450 g pyridaat (bijvoorbeeld Onyx 0,75 l/ha).

Met bodembehandeling Het toevoegen van een bodemherbicide zoals pethoxamide (bijvoorbeeld Successor 1,5 l/ha) aan het schema in vooropkomst of in combinatie met mesotrione en pyridaat in het 3-4 bladstadium is een meerwaarde op de beheersing van knolcyperus en ook naar de beheersing van andere onkruiden. Het is belangrijk om ook steeds in de mix na opkomst 1 l/ha geësterde koolzaadolie of specifieke uitvloeiers zoals Ampli (0,5 l/ha) of Dash (1 l/ha) toe te voegen, zeker in de context van de dosisreductie van mesotrione.

Vandaag de dag is naar schatting al meer dan 35.000 ha besmet in België.
Vandaag de dag is naar schatting al meer dan 35.000 ha besmet in België. - Foto: PVL

Knolcyperusbestrijding met mechanische onkruidbeheersing

Ook combinaties met mechanische onkruidbeheersing kunnen in droge jaren een meerwaarde betekenen. In 2022 in droge omstandigheden gaf één object volledig in naopkomst, met een combinatie van 2 behandelingen van schoffelen en rijenbespuiting, afgewerkt met een onderbladbehandeling, een vrij goed resultaat. De schoffelmachine moet hierbij zo afgesteld worden dat de messen slechts enkele centimeters onder het grondoppervlakte lopen. Dit moet je doen om te vermijden dat er zich knolcyperusplanten gaan ophopen. waardoor knolletjes kunnen getransporteerd worden. De planten mogen dus ook niet te groot zijn om een goed resultaat te hebben.

In 2025 in een proef van de Hooibeekhoeve gaven objecten met een bandbespuiting in vooropkomst op de rij of een vroege naopkomst (2-3-blad), chemisch aangevuld met 2 tot 3 schoffelbeurten, al of niet nog afgewerkt met een onderbladbespuiting, niet echt een beter resultaat. Dat was zo ondanks het groter aantal passages en dit in vergelijking met de puur chemische aanpak (1 x voor opkomst en 2 x na opkomst (laatste onderblad)).

Beperkingen bij het gebruik van terbuthylazin

Sedert 2015 geldt dat schema’s met terbuthylazin (Aspect T, Akris, Calaris…) op percelen grenzend aan oppervlaktewater enkel kunnen mits het respecteren van een begroeide bufferzone van 20 m.. Ter bescherming van het grondwater mag er maximaal 1 toepassing met terbuthylazin voorzien worden in een looptijd van 36 maanden, en dit voor een dosering van maximaal 750 g actieve stof/ha.. Er moet ook een wachttijd gerespecteerd worden tussen de laatste toepassing en het zaaien of planten van volggewassen van minstens 12 maanden. Dit geldt niet voor maïs, sorghum, miscanthus en lupine, want daarvoor is geen wachttijd vereist. Dit geldt ook niet voor wortel- en knolgewassen, wortelpeterselie, wortelkervel, bieten, aardappelen, zoete aardappel, cichorei, grasland-weiland, raaigrassen en andere granen waarvoor een wachttijd van 120 dagen vereist is. Met andere granen worden alle graangewassen behalve sorghum en maïs bedoeld. Dat zijn onder andere de volgende gewassen: tarwe, gerst, rogge, spelt, triticale, zoete maïs, haver…

Joos Latré, Valérie Claeys en Eva Wambacq (Proefhoeve Bottelare Hogent-UGent), Gert Van de Ven (Hooibeekhoeve-LCV), Shana Clercx en Marijke Gijbels (PVL), Patrick Vermeulen (Bertinus Collectief Poperinge)

Lees ook in Maïs

Maïsverdedigingsstof helpt parasitaire nematoden hun gastheer te vinden

Maïs Een stof die maïsplanten gebruiken om zich te verdedigen tegen plagen kan onbedoeld parasitaire nematoden helpen bij het vinden van hun gastheer. Dat blijkt uit nieuw onderzoek dat is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift ‘Nature Plants’. De sleutel ligt niet bij de plant of de nematode alleen, maar in een subtiele interactie met bodembacteriën.
Meer artikelen bekijken