Startpagina Maïs

Hoe presteren droogtetolerante maïsrassen in natte én droge jaren?

De toenemende weersvariabiliteit – met vooral droogte, in het bijzonder tijdens de bloei – kan leiden tot aanzienlijke opbrengstverliezen in de maïsteelt. De veredeling zet daarom steeds meer in op rassen die beter bestand zijn tegen watertekort. Deze droogtetolerante rassen kunnen de opbrengststabiliteit verhogen en de afhankelijkheid van irrigatie beperken. Maar bieden ze ook effectief een meerwaarde in de praktijk? En blijven ze ook overeind in jaren waarin droogte geen bepalende factor is?

Leestijd : 4 min

Binnen het project ‘Maïs zonder dorst’ onderzochten PIBO-Campus en PVL het potentieel van deze rassen onder praktijkomstandigheden. In 2024 en 2025 werden rassenproeven aangelegd op leem- en zandgronden, waarbij klassieke en door de mandataris als droogtetolerant aangeduide rassen met elkaar werden vergeleken. Daarnaast werd ook het effect van biostimulanten geëvalueerd. De combinatie van een uitzonderlijk nat jaar (2024) en een uitgesproken droog jaar (2025) bood hierbij de mogelijkheid om de prestaties van deze rassen onder contrasterende omstandigheden te evalueren.

Twee uitersten: nat versus droog

De 2 opeenvolgende teeltjaren verschilden sterk qua klimatologische invulling. Het groeiseizoen van 2024 werd gekenmerkt door aanhoudende neerslag en uitzonderlijk natte periodes, waardoor droogtestress grotendeels uitbleef. Hierdoor kwamen verschillen in droogtetolerantie minder duidelijk naar voren. Toch bevestigden de droogtetolerante rassen ook in dit natte jaar hun prestaties.

In 2025 was het beeld duidelijk anders. Na een droge en zonnige lente volgde een warme zomer met hittegolven en slechts beperkte neerslag. Vooral na de bloei kwam de maïs op veel percelen onder druk te staan. Hierdoor kwam droogtestress nadrukkelijker tot uiting en ontstond er een geschikter kader om de meerwaarde van droogtetolerantie te evalueren. Door het buiige karakter van de neerslag in juli kreeg Tongeren nog +100 mm, maar op de proefpercelen bij PVL was de droogte nadrukkelijker aanwezig.

Rassenkeuze: meer dan enkel droogtetolerantie

Op zowel leemgrond (PIBO, Tongeren) als zandgrond (PVL, Noord-Limburg) werden klassieke en door de mandataris als droogtetolerant aangeduide rassen met elkaar vergeleken in blokken- en strokenproeven met herhalingen. Hierbij werden zowel gewasparameters als de opbrengst opgevolgd.

In 2024 werden geen uitgesproken opbrengstverschillen vastgesteld tussen klassieke en droogtetolerante rassen. De droogtetolerante rassen realiseerden vergelijkbare opbrengsten als de referentierassen, wat aangeeft dat hun opbrengstpotentieel onder natte omstandigheden minstens gelijkwaardig is. De terug te vinden verschillen tussen de rassen waren niet eenduidig tussen beide locaties. Raseigenschappen en verschil in FAO (vroegrijpheid) zullen hierin een rol gespeeld hebben.

Tabel 1. Relatieve verse en droge opbrengst van de droogtetolerante rassen ten opzichte van de klassieke rassen van dezelfde mandataris
Tabel 1. Relatieve verse en droge opbrengst van de droogtetolerante rassen ten opzichte van de klassieke rassen van dezelfde mandataris - Bron: PIBO-Campus en PVL

In 2025 werd een meer variabel beeld waargenomen. Op het PIBO-proefperceel kon geen eenduidig verband worden vastgesteld tussen droogtetolerantie en drogestofopbrengst (DS). Dat kwam enerzijds door de beperktere droogtestress in juli, anderzijds door het verschil in vroegrijpheid tussen de diverse rassen.

Figuur 1: Drogestofopbrengst van de rassen van diverse mandatarissen bij PIBO-Campus in 2025.
Figuur 1: Drogestofopbrengst van de rassen van diverse mandatarissen bij PIBO-Campus in 2025. - Bron: PIBO-Campus

Op de zandgronden in Noord-Limburg werden op bepaalde locaties hogere opbrengsten vastgesteld bij droogtetolerante rassen, zowel op niveau van de kolf als van de volledige plant. Dit was onder meer het geval op het perceel in Achel, waar deze rassen duidelijk beter presteerden. Op andere locaties, zoals Plockroy (een gehucht in Oudsbergen), werd dit effect echter niet bevestigd en varieerden de opbrengsten tussen de rassen zonder een eenduidig verband met droogtetolerantie. Wel was er een meerwaarde bij de biologische zaadbehandeling, die een biologische boost geeft door middel van de toevoeging van micro-organismen, met een duidelijke hogere drogestofopbrengst over beide jaren heen.

Doorheen de proeven waren er geen verschillen naar gewasontwikkeling of algemene gewasgezondheid tussen de klassieke en droogtetolerante rassen.

Tabel 2: Droge stof (%), drogestofopbrengst van de plant van droogtetolerante rassen ten opzichte van de klassieke rassen van dezelfde mandataris bij PVL.
Tabel 2: Droge stof (%), drogestofopbrengst van de plant van droogtetolerante rassen ten opzichte van de klassieke rassen van dezelfde mandataris bij PVL. - Bron: PVL

Biostimulanten: wisselende respons met variërende meerwaarde

Binnen het project werd, naast rassenkeuze, ook het effect van biostimulanten geëvalueerd, met als doel de gewasgroei te ondersteunen en de impact van droogtestress te beperken. Daarvoor werden zowel blokkenproeven met herhalingen (PIBO-Campus) als strokenproeven (PVL) aangelegd. Bij het gebruik van biostimulanten op basis van stikstoffixerende bacteriën werd de stikstofbemesting niet verlaagd.

In 2024 bemoeilijkten de natte groeicondities een duidelijke beoordeling van de effecten op de opbrengst. Bovendien werden sommige proeven beïnvloed door externe factoren, wat de interpretatie van de resultaten bemoeilijkte. Wel werd in verschillende gevallen een verhoging van de elektrische geleidbaarheid (EC) vastgesteld na toepassing van bepaalde producten. Dat kan wijzen op een verhoogde mineralisatie in de bodem. De EC is namelijk een meting van de hoeveelheid opgeloste zouten en voedingsstoffen die aanwezig zijn in het bodemvocht.

In 2025 werden op het proefperceel van PIBO verschillen in gewasontwikkeling en opbrengst tussen de behandelingen vastgesteld. Die bleken echter niet significant ten opzichte van de onbehandelde referentie. Ook op andere locaties van PVL werd in de beginfase van het groeiseizoen opnieuw een verhoogde EC waargenomen na toepassing van specifieke producten. Dit wijst erop dat de mineralisatie wordt bevorderd.

De respons op biostimulanten bleek sterk afhankelijk van perceelskenmerken en van de bodemtoestand. Op percelen met een goede bodemtoestand bleef het effect op opbrengst doorgaans beperkt.

Besluit

De vergelijking van 2 contrasterende groeiseizoenen toont aan dat droogtetolerante maïsrassen geen eenduidig opbrengstvoordeel garanderen. In natte omstandigheden presteren ze minstens even goed als klassieke rassen, terwijl het voordeel onder droge omstandigheden varieert en sterk afhankelijk is van perceel, ras, vroegrijpheid en van het verloop van de droogteperiode.

Ook voor biostimulanten geldt dat de effecten wisselend zijn en in belangrijke mate bepaald worden door de uitgangssituatie van het perceel en door de de weersomstandigheden.

Droogtetolerante rassen kunnen een interessante keuze zijn, zeker op percelen met een verhoogd risico op droogte. De resultaten tonen echter aan dat deze eigenschap steeds in samenhang met andere raseigenschappen moet worden bekeken. Een doordachte rassenkeuze, afgestemd op perceel en risico op droogte, blijft dan ook de belangrijkste maatregel. Daarbij is het essentieel om droogtetolerantie steeds in samenhang met andere raseigenschappen te beoordelen. De resultaten onderstrepen bovendien het belang van meerjarige en multilocatieproeven om tot robuuste en praktijkgerichte aanbevelingen te komen.

Wietse Vangilbergen (PIBO-Campus) en Lonneke Hendriksen (PVL)

Lees ook in Maïs

Bezint eer ge begint met onderzaai van gras

Teelttechniek maïs De vakgroep Plant en Gewas van de Universiteit Gent onderzocht 7 opeenvolgende proefjaren of de onderzaai van rietzwenkgras in maïs voordelen oplevert. Dit blijkt niet zo evident. Het slagen van de onderzaai is immers wisselvallig en redelijk onvoorspelbaar.
Meer artikelen bekijken