Hoe maak je de juiste maïsrassenkeuze?
Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en het Landbouwcentrum voor Voedergewassen (LCV) organiseerden in februari een reeks studievergaderingen ‘Voedergewassen en veehouderij’. An Schellekens, onderzoeker voedergewassen bij de Hooibeekhoeve/LCV, lichtte er de resultaten van de rassenproeven uit 2025 voor korrel- en kuilmaïs toe. Ze ging ook in op de impact van stoppelbewerking op het nitraatresidu bij kuilmaïs.

Varmabel, het Belgisch samenwerkingsverband van 7 proefcentra dat zich richt op het onafhankelijk testen en evalueren van korrel- en snijmaïsrassen, biedt landbouwers objectieve resultaten over rassenprestaties onder uiteenlopende bodem- en klimaatomstandigheden. An Schellekens wees op de parameters waarmee je het best rekening houdt bij het bekijken van de Varmabel-tabellen en het maken van een rassenkeuze. Naast vroegrijpheid, opbrengst en verteerbaarheid van het ras zijn dat de zetmeelopbrengst, ziektegevoeligheid, stabiliteit, prijs en beschikbaarheid.
Kuilmaïs- en korrelmaïsrassen
De kuilmaïsrassen zijn opgedeeld in 4 tabellen, die telkens per 2 zijn gegroepeerd: enerzijds de zeer vroege (18) en vroege (25) rassen, anderzijds de half vroege (26) en half late tot late (15) rassen. Ook voor korrelmaïs is er een uitgebreide tabel van wel 69 rassen beschikbaar. Je vindt ze op www.lcvvzw.be/publicaties.
“Gebreken zoals stengelrot en builenbrand doen zich niet elk jaar voor, dus kijk bij een gunstig jaar ook eens naar de resultaten van de vorige jaren voor je een ras bestelt”, adviseerde Schellekens. Bij de cijfers van de opbrengst komt het gemiddelde van de standaardrassen overeen met het cijfer 100. Opvallend is dat de proeflocaties steeds meer verschuiven van Vlaanderen naar Wallonië, waarbij er vooral naar het opbrengstpotentieel van de rassen wordt gekeken. Bij de tabel van de meerjarige resultaten focus je best op de opbrengsten die over 3 jaar zijn getest. Voor extreme omstandigheden (droge of natte) zijn er slechts 10 rassen die over de 3 jaren heen getest werden en waarbij er info is over de stabiliteit.
“Bij de korrelmaïsrassen kijk je voor de opbrengst best naar de kolommen ‘Opbrengst aan 15% vocht’ en ‘Bruto inkomen’. Bij deze laatste kolom moet je de eventuele droogkosten in rekening brengen. Bij de meerjarige resultaten is alweer het 3-jarig cijfer het belangrijkste”, aldus Schellekens.
Keuzefactoren
Om de juiste rassenkeuze te maken, adviseerde Schellekens om eerst je doel (zetmeel, voederwaarde, opbrengst…) te bepalen en daarna de juiste lijst te raadplegen. “Vroege kuilmaisrassen bieden meer zekerheid. Late rassen brengen meer kilo’s op, maar het verschil met de vroege rassen wordt steeds kleiner. Voor droge korrelmaïs kijk je naast de opbrengst ook best naar het vochtgehalte. Kies voor in België geteste en standvastige rassen, die meerjarig beproefd zijn.”
Stikstofmineralisatie versus stikstofopname
Uit de resultaten van staalnames van het nitraatresidu van diverse teelten door de Bodemkundige Dienst van België (BDB) en Inagro (zie figuur 1) bleek dat maïs het enkel ten opzichte van aardappelen beter doet. In een vrij nat jaar zoals 2024 scoorde het nitraatresidu ook veel beter dan in het ‘droge jaar’ 2025.

In een normaal groeiseizoen gaan de stikstofmineralisatie en -opname zowat gelijk op. “Vóór de bloei heeft de maïs de grootste stikstofbehoefte. Dan moet de bodem voldoende stikstof bevatten. Maar de stikstofmineralisatie blijft doorgaan nadat die de hoogste stikstofopname gepasseerd is”, legt Schellekens uit. “Na de bloei en bij de kolfzetting valt de stikstofopname van de plant stil, maar loopt de mineralisatie nog door tot laat in het najaar. Doordat er geen opname is, kan deze stikstof uitspoelen. Zo snel mogelijk een groenbedekker zaaien na de oogst van de maïs kan dit deels ondervangen. Om een groenbedekker te zaaien, is er echter in de meeste gevallen een grondbewerking nodig. Een grondbewerking brengt lucht in de bodem, wat voor extra mineralisatie kan zorgen. Een warme, vochtige bodem kan dit effect nog versterken.”
Stikstofmineralisatie na stoppelbewerking
Een stoppelbewerking heeft diverse doelen. Het zaaien van een groenbedekker is de meest voor de hand liggende reden. “Stoppelresten onderwerken verkleint ook de ziekte- en onkruiddruk van bijvoorbeeld de maïswortelboorder of van schimmelziektes”, vertelde Schellekens. “Na een heel moeilijke oogst is het aangewezen om vóór het inzaaien van een groenbedekker een diepe bewerking uit te voeren, bijvoorbeeld met een vaste tandcultivator of woeler, om verdichtingen op te heffen. Welke stoppelbewerking je na de oogst gaat uitvoeren, hangt een beetje af van het doel van de groenbedekker... Wil je maaien, dan heb je graag een schoon en vlak zaaibed, zodat je geen asgehalte hebt in de volgende snede. Doorgaans is hier een intensievere grondbewerking, zoals ploegen, voor nodig. Wil je de groenbedekker onderwerken, dan kan het doorgaans wat minder intensief.“
Hooibeekhoeve heeft de voorbije jaren proeven aangelegd om het effect van stoppelbewerking op de najaarsmineralisatie en het nitraatresidu na te gaan. Hiervoor werden er 4 basisobjecten gevolgd: geen stoppelbewerking, een ondiepe en diepe stoppelbewerking en ploegen. Het effect op het nitraatresidu was sterk jaarafhankelijk. De tendens over de diverse jaren is wel: hoe intensiever de bodembewerking, hoe hoger het risico op een hoger nitraatresidu.
“Uit proeven bleek dat het nitraatresidu met een groenbedekker doorgaans lager ligt dan zonder een groenbedekker, zeker tijdens de wintermaanden. Een groenbedekker is dus zeker nodig en nuttig. Naast de 4 basisobjecten is er ook gekeken naar technieken om de groenbedekker zonder veel bodembewerkingen te zaaien. Hier komen dan doorzaaimachines in beeld. In de proef is hiervoor de Evers Dartmoor gebruikt, een combizaaimachine voor door- en inzaai. Ondanks de minder intensieve bewerking, vergeleken met bijvoorbeeld een rotoreg, was er geen lager nitraatresidu merkbaar. Bij de ontwikkeling van een groenbedekker was er eveneens geen verschil merkbaar.

Besluit
Er is dus geen reden om je grond onbewerkt de winter in te laten gaan. Een groenbedekker zo snel mogelijk zaaien biedt diverse voordelen, naar nitraatresidu en onkruid toe. Er is wel een effect van de bodembewerking op het nitraatresidu. Hoe dieper en intensiever die bewerking is; hoe meer stikstof erbij komt in het najaar en hoe hoger het risico op een hoger nitraatresidu.

