Startpagina Akkerbouw

Gewasbescherming verandert, de noodzaak eraan niet

Tijdens meerdere akkerbouwstudievergaderingen gaf Anneleen De Zutter van Belplant toelichting bij een duurzame gewasbescherming. Daarbij besprak ze ook het belang van een goede waterkwaliteit en van goede landbouwpraktijken.

Leestijd : 7 min

De organisatie Belplant is bij sommigen misschien nog beter bekend onder de vroegere naam Phytofar, die in 2022 gewijzigd werd. Anneleen De Zutter is hier adviseur duurzaam gebruik en toelevering. Ze gaf bij de start van haar presentatie aan dat Belplant als sectororganisatie een bondgenoot is van de landbouw.

In dat kader wilde ze graag uitleggen waarom gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. “Het is noodzakelijk dat we uitleggen waarom gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn”, stelde ze. Zo heeft ook de land- en tuinbouwer repliek als hij in de maatschappij van vandaag vragen krijgt over zijn fytogebruik. “We zijn bondgenoten in het debat en versterken zo elkaar.”

Gewasbescherming en waterkwaliteit vormen vandaag de dag een actueel onderwerp. Daarom werkten PlantProtect (voorheen Phytodis) en Belplant, respectievelijk de organisatie van distributeurs van gewasbescherming en de producentenorganisatie, een presentatie uit die tijdens recente studievergaderingen, zoals de graanvergaderingen afgelopen voorjaar, gebracht werd.

Sterke argumenten

Gewasbeschermingsmiddelen zijn volgens Anneleen De Zutter nodig omdat ze de land- en tuinbouwer inkomenszekerheid bieden en een essentieel onderdeel zijn van een geïntegreerd gewasbeschermingssysteem. “Daarnaast zijn deze middelen efficiënt om toe te passen, versterken ze de lokale voedselzekerheid en garanderen ze oogstzekerheid, zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak. In de huidige context van oorlogen is het belangrijk dat we nog lokaal voedsel kunnen produceren.”

Ze onderstreepte dat we bij ons aan een geïntegreerde gewasbescherming doen. “We grijpen niet direct naar ‘een middel’, maar werken eerst met preventieve maatregelen op het vlak van teelttechniek door een uitgekiende rassenkeuze. Daarbij wordt specifiek gekozen voor tolerante of resistente rassen. Vervolgens wordt gemonitord of een onkruid, ziekte of plaaginsect aanwezig is. In welke mate is dit zo en hoe zit het met de interventiedrempel? Pas als deze overschreden is, gaan we een bepaald middel aanwenden.”

Een gewasbeschermingsmiddel is volgens haar ook vaak efficiënter aan te wenden dan dat er andere technieken toegepast kunnen worden. Ze gaf hierbij het voorbeeld van het spuiten van het spuiten van een herbicide. “Dit gaat vaak vlotter, dan meermaals mechanisch te moeten ingrijpen, met een hoge arbeidsinzet die niet altijd voorhanden is.”

Niet onbelangrijk is volgens Anneleen De Zutter dat op het einde van een teelt een gewasbeschermingsmiddel toch voor oogstzekerheid heeft gezorgd.

Aandachtspunt blijft

“Er is echter een grote ‘maar’ in het verhaal”, ging De Zutter verder. “Uit metingen blijkt dat er actieve stoffen worden teruggevonden in het water. Vooral in het oppervlaktewater, maar ook in het grondwater. Dat is dus wel een probleem, want bepaalde middelen komen onder druk te staan. Dan wordt gekeken of het nog verantwoord is om het product of de actieve stoffen toe te laten. Zo komt er een hele grote druk op bepaalde middelen te staan.”

Ze erkende dat er ten opzichte van het verleden al grote stappen vooruit zijn gezet. “Er zijn de IPM-maatregelen, die steeds strenger worden, en landbouwers leveren steeds zwaardere inspanningen. Toch moeten we blijven aandacht hebben voor een goede waterkwaliteit. Er is een hoge urgentie om die waterkwaliteit te verbeteren. Dat kan door strikte voorschriften in de praktijk na te leven. Is dit niet het geval, dan zien we de gevolgen duidelijk.”

In haar presentatie haalde ze enkele artikels uit de algemene media aan waarbij de landbouwsector in een slecht daglicht werd geplaatst, vaak onterecht. Zo verwees Anneleen De Zutter naar een geval van drinkwatervervuiling in West-Vlaanderen waarbij eerst met een beschuldigende vinger naar de landbouw werd verwezen. Bronnenonderzoek heeft ondertussen aangetoond dat niet alleen onze landbouw aan de basis van de vervuiling lag, maar ook de industrie en huishoudens. Aan de andere kant van het land werd een vervuiling in de Maas vastgesteld. Uiteindelijk bleek ook daar de landbouw niet de boosdoener te zijn, maar de berichtgeving in de algemene media was gebeurd...

Ondanks dat PFAS slechts in beperkte mate in enkele gewasbeschermingsmiddelen zit, ontloopt de landbouwsector ook in dit geval de aandacht niet.

Gereedschapskist geraakt leeg

Een gevoelig punt dat werd aangesneden tijdens de presentatie is dat de spreekwoordelijke ‘gereedschapskist’ met gewasbeschermingsmiddelen die voor de landbouwer ter beschikking staat, leger en leger geraakt. De voorbije 6 jaar zijn er in de EU maar liefst 89 actieve stoffen verdwenen. Het gaat hier zowel over chemische als biologische oplossingen. In de meeste gevallen is er geen of slechts een minderwaardig alternatief voorhanden. “Dat er iets uit die spreekwoordelijke gereedschapskist verdwijnt, is niet het grote probleem. Wel een probleem is dat de gereedschapskist niet wordt aangevuld. Door de klimaatevolutie zien we ook nieuwe onkruiden, schimmels of plagen opduiken, waar we nu vanuit de gewasbescherming geen ant-woord op hebben. We moeten net waakzaam zijn om middelen te hebben om deze te bestrijden.”

De Zutter wees erop dat vandaag de dag toenemende resistenties tevens een probleem zijn. “Om dit aan te pakken hebben we voldoende middelen uit verschillende werkingsklassen nodig.” Ze haalde toch een lichtpuntje aan: “Firma’s werken aan nieuwe oplossingen en investeren nog altijd. Helaas blijven noviteiten vaak steken in het complexe EU-toelatingsproces. Al zijn er indicaties dat nieuwe marktintroducties sneller kunnen gaan gebeuren.”

Correcte toepassing

In haar presentatie kon Anneleen De Zutter spijtig genoeg foto’s laten zien uit 2025 van minder goede toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. “Dat is zeker geen standaardsituatie, maar hier moeten we toch voor opletten. Nonchalance bij de toepassing ervan kan echt niet, zo komen middelen net onder druk te staan. Correct gebruik en voorschriften naleven is van primordiaal belang”, onderstreepte ze. Belplant en andere partners willen landbouwers en loonsproeiers hier zeker bij helpen. Op het etiket staat al veel vermeld hoe goed, correct en veilig met het product omgegaan kan worden.

“Gewasbeschermingsmiddelen moeten daar terechtkomen waar ze hun werk kunnen doen, niet in de beek of op een naburig perceel. Het grond- en oppervlaktewater vrijwaren van middelen is belangrijk, omdat hier later drinkwaterproductie uit volgt. De omstaander en omgeving worden steeds kritischer, maar ook voor de gebruiker zelf is het belangrijk om correct met producten om te gaan, zodat hijzelf niet wordt blootgesteld aan middelen door een verkeerd gebruik.” De Zutter erkende echter dat er altijd een minimaal risico is en dat niets voor 100 % valt uit te sluiten.

Ze verwees ook naar de strenger geworden reglementering in verband met de bufferstroken. “Eigenlijk is dit kapitaal dat de landbouwer kwijt is. Dat is spijtig. Ga daarom goed met middelen om, zodat de bufferstroken niet nog groter moeten worden.”

Anneleen De Zutter van Belplant gaf tijdens recente studievergaderingen toelichting bij een duurzame gewasbescherming.
Anneleen De Zutter van Belplant gaf tijdens recente studievergaderingen toelichting bij een duurzame gewasbescherming. - Foto: TD

Goede landbouwpraktijken

Vaak wordt gedacht dat problemen met gewasbeschermingsmiddelen enkel en alleen bij de behandeling zelf ontstaan. Dit werd echter weerlegd door Anneleen De Zutter, die aangaf dat een correct gebruik van belang is voor, tijdens en na de bespuiting. Puntvervuilingen die ontstaan tijdens het vullen en spoelen van de veldspuit zijn de belangrijkste bron van het vervuilen van de waterkwaliteit door de landbouwsector. Meer dan 50% van de vervuiling komt daarvandaan.

Afspoeling en erosie van gewasbeschermingsmiddelen richting oppervlaktewater is een volgende voorname vervuilingsbron (zo’n 30%), gevolgd door uitspoeling, drainage en drift. Op dat laatste punt heeft de wetgever al sterk ingezet, door vanaf begin dit jaar 90% driftreducerende technieken te verplichten bij bespuitingen in openlucht.

Om te weten waar op je bedrijf er een risico is dat fytoproducten in het water zouden terechtkomen, kan je op het internet de Fyteauscan doen via www.fyteauscan.be. Die is ook opgenomen in de IPM-checklist. Binnen de Fyteauscan werkte men een mooie figuur uit, die nu vernieuwd is. Daarbij komen 14 tips voor goede landbouwpraktijken naar voren om te werken aan een betere waterkwaliteit. Al die tips hier bespreken zou ons te ver leiden. We pikken er daarom enkele opmerkelijke uit.

Een bijzonder punt dat De Zutter aanhaalde, was dat er te veel producten voor professioneel gebruik net gebruikt worden door niet-professionelen. Dat kan volgens haar niet de bedoeling zijn. “Geef geen professioneel product mee met vrienden of buren.” Enkel de professioneel gebruiker volgt immers een bijscholing en beschikt over een fytolicentie. “Die weet dus hoe hij het correct moet gebruiken, buren of vrienden weten dat soms net niet. Geef hun dan ook geen professioneel product mee. Hier kan misschien wel eens een reden verscholen zitten waarom middelen van de markt verdwijnen.”

Wat na het spuiten?

Een ander punt waar de aandacht op gevestigd werd, was dat het spuittoestel vullen met gewasbeschermingsmiddelen eigenlijk enkel kan op het veld of op een vul- en spoelplaats die een opvangmogelijkheid heeft voor restvloeistof. Over hoe zo ‘n vul- en spoelplaats eruitziet, leven veel vragen in de sector. Daar kunnen landbouwcentra advies bij geven.

Spuitresten verdunnen en versneld uitrijden is mogelijk dankzij de aanwezigheid van een schoonwatertank op het toestel. Het handmatig spoelen in 3 stappen vraag iets meer tijd. Een andere techniek met een continu intern spoelsysteem is sneller en daarbij moet de bedienaar zijn cabine zelfs niet verlaten.

Anneleen De Zutter drukte op het hart om nooit het spuittoestel te reinigen op een verhard oppervlak dat een afvoer heeft naar een waterloop of riolering. “Reinig in het veld of op een vul- en spoelplaats met opvang van restvloeistof. Met die restvloeistof dien je correct om te gaan door afvoer via een erkend verwerker of door verwerking in een fysico-chemisch of biologisch zuiveringssysteem.

Daarnaast wees ze nog op de nieuwe IPM-regel die sinds Nieuwjaar geldt en die aangeeft om na gebruik het spuittoestel overdekt te stallen. “Dit om te vermijden dat aanklevende spuitresten tijdens een regenbui afspoelen.”

Inspelend op de regenbuien ziet ze soms dat op het veld sleuven worden gegraven om overtollig water af te voeren. “Doe dit niet, want zo wordt het oppervlaktewater mogelijk te zwaar belast met resten van gewasbeschermingsmiddelen.”

Tot slot van haar presentatie raadde Anneleen De Zutter aan om ons gezond boerenverstand te gebruiken. “Door dit te doen, geraken we al een heel eind verder.”

Tim Decoster

Lees ook in Akkerbouw

Meer artikelen bekijken