Nieuwe IBR-wetgeving voor afmestbeslagen op komst
Op 21 mei 2026 publiceerde de overheid een nieuw ministerieel besluit met bijkomende maatregelen voor de aanpak van IBR op afmestbeslagen. Deze nieuwe regelgeving kadert binnen de bredere inspanningen om het IBR-virus een halt toe te roepen en ondersteunt afmestbeslagen bij het doorgroeien naar een hoger IBR-statuut.

Infectieuze Boviene Rhinotracheïtis (IBR) waart al geruime tijd rond in onze veestapel. Aankopen van subklinisch besmette dieren vormen het voornaamste risico. Eenmaal besmet is een rund levenslang drager. IBR veroorzaakt schade door economisch verlies en handelsbeperkingen. Daarom is klinische IBR aangifteplichtig. Een veehouder die bij één of meerdere runderen van zijn beslag ziekteverschijnselen van IBR vaststelt, moet zo snel mogelijk een klinisch onderzoek laten uitvoeren door zijn bedrijfsdierenarts.
Tot eind april werden via het aankooponderzoek al 278 IBR-dragers opgespoord op 45 aankopende bedrijven. Deze cijfers tonen aan dat het risico op insleep bij aanvoer van dieren nog steeds groot is.
Wijzigingen voor afmestbeslagen
Volgens Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) bevat de nieuwe regelgeving die op 21 mei werd gepubliceerd, enkele belangrijke wijzigingen voor afmestbeslagen. Zo worden bijkomende bloedonderzoeken ingevoerd, wijzigen de voorwaarden voor de afvoer van dieren uit IBR-besmette afmestbeslagen en wordt ook het vaccinatieprotocol aangepast.
DGZ zal in de komende weken alle betrokken veehouders van afmestbeslagen en hun bedrijfsdierenarts individueel informeren over wat deze nieuwe wetgeving concreet betekent voor hun bedrijf en welke stappen nodig zijn.
In Vlaanderen zijn er momenteel 188 IBR-afmestbedrijven, met samen ongeveer 22.000 runderen. Het gaat om bedrijven waar runderen uitsluitend worden gehouden voor vetmesting en maximaal 24 maanden aanwezig blijven. Op deze bedrijven vinden geen geboortes plaats. De dieren mogen bovendien niet op de weide en worden enkel rechtstreeks afgevoerd naar het slachthuis.





