Jonge boeren van ‘t Goed ter Heule botsen op grenzen
Met het superdiverse biobedrijf ‘t Goed ter Heule struikelt Justine Dewitte over een aantal barrières die elke jonge starter bekend in de oren zal klinken. “De wetgeving is niet geschreven op maat van ons bedrijf.”

Justine Dewitte (40) en Wieland Fisher (39) proberen met de bioboerderij ‘t Goed ter Heule in Lauwe zo circulair mogelijk te werken. “Daarom juist hebben we een gemengd bedrijf”, legt Justine uit. Op 8 ha grond telen zij en haar partner 80 soorten groenten, naast bloemen, kruiden, aardbeien en nog wat klein fruit. Daarnaast hebben ze 200 legkippen, 1.200 vleeskippen, 200 parelhoenen, 23 varkens en 60 ooien die lammeren.
“In het begin kregen we wel eens reactie op het feit dat we dieren kweken om ze te slachten. Maar het klopt voor onze bedrijfsvoering. We hebben zo onze eigen mest, dé grondstof voor onze groenten. Voor ons is het belangrijk om te weten waar de mest vandaan komt en wat erin zit.”

Alle groenten, fruit, vlees, eieren en kruiden proberen de bioboeren zoveel mogelijk op de locatie van de boerderij af te zetten. “In de eerste plaats komen onze klanten voor onze zelfpluktuin, onze openluchtsupermarkt. Je hebt geen abonnement nodig en je kan tijdens de openingsuren gewoon komen plukken wat je nodig hebt.” Daarnaast hebben ze een hoevewinkel, waar ze zelfgemaakte producten en voedingsmiddelen van collega’s uit de buurt verkopen.
“Het streefdoel is 100% eigen afzet, maar dat lukt niet helemaal, omdat we niet kunnen telen in functie van afzet. We moeten ook nog aan vruchtwisseling voldoen.” Overschotten worden verwerkt in gerechten voor de hoevewinkel en het eigen eetcafé. Van deze gerechten kan je ook genieten tijdens feesten in de feestzaal op de boerderij. Er wordt ook samengewerkt met lokale groothandels en restaurants.
Regels niet op maat
Jammer genoeg houden een aantal wetgevingen de bioboeren tegen om volledig no waste te werken. “Er zijn contradicties tussen onze visie en de Belgische en Vlaamse regelgeving”, aldus Justine. “De wetgeving is niet geschreven op maat van ons bedrijf. We passen niet binnen de lijnen, waardoor we ons bedrijf niet kunnen uitbouwen zoals we eigenlijk zouden willen.”
Twee voorbeelden uit de pluimveetak van het biologisch bedrijf maken duidelijk hoe absurd de wetgeving soms kan zijn. Normaal gezien moet iedereen die eieren gaat rapen een aanwezigheidsregister tekenen, zich huldigen in beschermingskledij en over een ontsmettingsmat stappen. “Maar dan zouden onze klanten geen eitjes meer durven rapen.” Justine en Wieland kunnen hun klanten in een zelfraapmodel moeilijk dwingen om deze regels te volgen.

Het bedrijf van Justine en Wieland is omwille van financiële redenen opgesplitst in 2 eenmanszaken. “De hoevewinkel staat op naam van Wieland, het landbouwbedrijf staat op mijn naam”, legt Justine uit. “Als je rechtstreeks aan consumenten verkoopt, moeten eieren niet gestempeld zijn. Maar omdat er nu technisch gezien aan een ander bedrijf verkocht wordt, moet dat wel. Maar ik kan de eitjes toch niet stempelen in de tijdspanne tussen dat ze gelegd worden door de kip en opgeraapt worden door onze klanten? Gelukkig beseft het FAVV in dit geval dat ze iets vragen wat onmogelijk is en zien ze het door de vingers.”
Aangezien de wetgeving geen rekening houdt met de realiteit van een landbouwbedrijf als ‘t Goed ter Heule, zijn ze volledig afhankelijk van de goodwill van controleurs. Daarmee wil Justine niet gezegd hebben dat er geen goede controleurs zijn, maar over het algemeen zijn controles te veel gericht op sancties en te weinig op advies. “Soms durf ik iets niet meer te vragen aan het FAVV omdat ik bang ben voor sancties. Het is toch absurd dat ik bang moet zijn voor een overheidsinstantie die ons hoort te helpen. In plaats van de vele controleurs zou het fijn zijn als de overheid zorgt voor een dienst die de landbouwers helpt bij hun administratie.”
Administratieve overlast
Justine klaagt dan ook aan dat ze de boerin is die ‘s avonds nog propere vingernagels heeft. De schuldige zijn de bergen papierwerk op haar bureau. Veel liever houdt ze zich bezig met de bodem en met teeltrotatie, of met haar geliefde tomaten. “Dat is waar ik goed in ben en voor gestudeerd heb. Al die administratie is niet waarom ik boer ben geworden.”

“Ergens besef ik wel dat ik het mezelf heb aangedaan met zoveel verschillende bedrijfstakken. We hebben bijvoorbeeld 3 verschillende dierenartsen nodig: een voor varkens, een voor pluimvee, en een voor schapen. Maar terug is het duidelijk dat de wetgeving gebouwd is voor grote, gespecialiseerde landbouwbedrijven.” Met haar kleine, maar zeer divers landbouwbedrijf botst ze op grenzen.
De administratieve overlast is een rem op nieuwe initiatieven en waarschijnlijk lopen de bioboeren ook tal van subsidies mis, omdat het zo’n kluwen is. Maar Justine vermoedt dat de sop de kool waarschijnlijk niet waard is om er een adviseur voor in te huren.
Kapitaal om te starten
In 2018 namen Justine en Wieland het landbouwbedrijf, dat daarvoor van haar grootouders was, van haar vader over. Het overnameproces had echter heel wat voeten in de aarde.
“Ik heb ook nog een zus. We wilden dus dat de overname correct zou gebeuren, zodat er later geen familieruzies van kwamen. Ze was ondertussen zelf gestart met een boerderijtje in Wallonië en kon de centen gebruiken. Uiteindelijk heeft het zelfs met begeleiding van SBB nog een jaar geduurd voordat we een constructie vonden met zo weinig mogelijk risico voor discussie later.”
Ze besloten om de gronden van haar vader te pachten en om enkel de boerderijgebouwen te kopen. Daar is natuurlijk kapitaal voor nodig, maar voor zo’n atypisch bedrijf bestaat er weinig cijfermateriaal om banken mee te overtuigen. Dat was zeker zo omdat ze een aantal nieuwe bedrijfstakken wilden opstarten om de gebouwen een rendabele invulling te geven.

“Uiteindelijk zijn we zelf beginnen rekenen in Excel. Met die cijfers zijn we rondgegaan bij banken, maar ze waren er niet echt happig op. Enkel bij Crelan was er gelukkig een opening. Maar zelfs de persoon die in ons geloofde, moest zich gaan verant-woorden in Brussel. Het hoofdkantoor is dan nog naar ons bedrijf gekomen, om te checken of het verantwoord zou zijn om aan ons te lenen.”
De lening kwam er uiteindelijk door. “En dan is het springen. We hebben tot op onze onderbroek geleend. Maar we hebben geluk dat we een zaak met bestaand cliënteel voor de pluktuin en de winkel hebben overgenomen van mijn vader. De nieuwe horecatak was wel een uitdaging.”
Hart voor het project
Nog moeilijker dan het financiële plaatje rondkrijgen, is genoeg personeel vinden. “Het moet de juiste man op de juiste plaats zijn”, aldus Justine. Momenteel werken in totaal 25 tot 30 mensen voor ‘t Goed ter Heule: Justine en Wieland, 2 mensen vast op het veld, in de winkel iemand vast en nog een hele rits seizoensarbeiders. Voor de keuken hebben ze nog niemand vast kunnen strikken en werken ze noodgedwongen met flexi-jobbers en een kok op zelfstandige basis.
Het zijn telkens moeilijke profielen met zware arbeidsomstandigheden. “Het werk moet gebeuren tijdens de zomerperiode, wanneer iedereen juist op vakantie wil. In de winter is er dan weer minder werk of zelfs geen. De bar is bijvoorbeeld gesloten dat seizoen. We kunnen niet iedereen jaarrond werk aanbieden.”

Horeca en landbouw zijn ook niet de sectoren waar poen te scheppen valt. “We hebben er zelf voor gekozen”, lacht Justine. “We zijn echt op zoek naar mensen met een hart voor het project. We kunnen niet veel meer dan de barema’s aanbieden. Ze krijgen ook geen gsm of salariswagen. Maar iedereen kan altijd terecht met hun zorgen bij ons. We zijn een hecht team, het is altijd gezellig.”
Landbouwgrond
Vooral de grondprijzen die uit de pan vliegen, maken het volgens Justine moeilijk voor jonge landbouwers. Ook zij en Wieland zitten met de handen in het haar. Voor nu pachten ze de landbouwgrond van haar vader, maar dat was altijd bedoeld als een tijdelijke oplossing voor een bijna onmogelijk probleem. “De prijzen van deze grond zijn veel te hoog om het zomaar te kopen van hem. En als hij sterft, heeft mijn zus er ook recht op. Zij heeft net zo goed als ik geld nodig om uit te breiden of zou de grond zelf kunnen gebruiken.” Justine hoopt dat er uiteindelijk een oplossing uit de bus komt.
Meer in de nabije toekomst dromen de jonge boeren van uitbreiden. “Zoals elke boer willen we graag een beetje meer grond voor een ruimere teeltrotatie. We boeren nu heel intensief op ons stukje grond.” Er is ook te weinig landbouwgrond om zelf voeder te telen voor hun dieren, waardoor ze ondanks hun circulair bedrijfsmodel gedwongen zijn om dat aan te kopen.

Klimaat
Op het landbouwbedrijf in de Leie-vallei wordt Justine steeds meer geconfronteerd met klimaatuitdagingen. “Het is echt negatief geëvolueerd sinds ik begonnen ben met boeren met mijn vader. Onze winkel loopt over door hevige regenval. Tijdens de hittegolf in juni starten we veel vroeger met werken om ‘s middags pauze te pakken. Maar ‘s avonds zijn we terug aan de slag, waardoor de dagen langer zijn. Ons cliënteel blijft ook weg tijdens een hittegolf.”
Gelukkig werden de gewassen niet getroffen door verbranding. Toen was er nog genoeg water in de open vijver en waren er 5 ondergrondse tanks met overloop naar de put. Maar dat water is bijna op. “Elke zomer is er een tekort aan water. We hebben dan nog geluk dat we dicht bij de Leie zitten. Een naburige boer moet door onze weide om water uit de Leie te pompen. Als hij klaar is met beregenen, vult hij onze put tegen een kleine betaling.” Maar deze oplossing werkt ook maar zolang er geen oppompverbod voor de Leie komt.

Vlaamse landbouwvisie
Deze zomer nog moet de Vlaamse landbouwvisie landen. Dit document moet een antwoord bieden aan de uitdagingen waar Justine en elke (jonge) boer mee kampen: een gebrek aan rechtszekerheid, een berg papierwerk, moeite om startkapitaal te vergaren, dure grondprijzen... De administratie van minister Brouns bereidt momenteel ook de Vlaamse strategie voor generatievernieuwing voor om meer jonge mensen aan het boeren te krijgen.
De verwachtingen liggen niet hoog bij Justine. “Het systeem zit zodanig stroef... Ik heb wel hoop. Het zou machtig zijn als ze een mouw zouden passen aan al die administratie. Ik hoop ook dat ze eindelijk superdiverse landbouwbedrijven als de onze erkennen als een serieuze sector en beseffen dat je landbouwbedrijven niet over één kam kan scheren. Het FAVV mag ook iets meer adviseren dan controleren.”
Het zijn uitdagingen waar Justine en Wieland mee kampen. “Maar we zijn nog steeds enorm blij dat we ooit begonnen zijn met boeren.”





