Startpagina Akkerbouw

Strategische groenbedekkerkeuze onderdrukt probleemonkruiden

De juiste groenbedekker op het juiste moment inzaaien – idealiter midden augustus – kan winteronkruiden stevig terugdringen. Een proef toont aan dat zowel het zaaitijdstip als de soortensamenstelling bepalend zijn voor een sterke onkruidonderdrukking. Vooral meersoortige mengsels en Japanse haver presteren sterk dankzij hun opkomstbetrouwbaarheid, vlotte kieming en snelle bodembedekking.

Leestijd : 7 min

Groenbemesters zijn veel meer dan een tussengewas. Ze helpen nutriënten vast te houden, verbeteren de bodemstructuur, stimuleren het bodemleven en kunnen ook bijdragen aan de onderdrukking van onkruiden. Binnen het project ‘Winteronkruiden proactief aanpakken in de biologische akkerbouw en groenteteelt’, dat financiële steun kreeg van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij, onderzochten we hoe de keuze van groenbedekker en het zaaitijdstip de ontwikkeling van winteronkruiden beïnvloeden. Daarbij ging bijzondere aandacht naar meersoortige groenbedekkermengsels, die steeds vaker worden ingezet omwille van hun robuustheid en brede functionaliteit. Maar bieden deze mengsels ook een meerwaarde voor onkruidonderdrukking?

Focus op straatgras, vogelmuur en echte kamille

In deze proef lag de focus op enkele typische winteronkruiden die de voorbije jaren steeds vaker tot problemen leiden in de biologische akkerbouw- en groenteteelt. We kozen straatgras, vogelmuur en echte kamille als modelsoorten. Straatgras en vogelmuur kunnen het hele jaar door kiemen, groeien en zaad vormen, terwijl echte kamille vooral in de herfst en in het voorjaar kiemt. Dankzij hun goede vorsttolerantie kunnen deze soorten zich ook tijdens zachte winters verder ontwikkelen.

Door de toenemende frequentie van zachte en vochtige winters winnen winteronkruiden aan belang. Vooral in wintergranen en in teeltsystemen waar groenten tijdens de winter op het perceel blijven staan, zoals op veel CSA-bedrijven, kunnen ze zich sterk uitbreiden. Daarnaast maakt een hoge winteronkruiddruk het moeilijker om in het voorjaar een proper zaaibed aan te leggen, zeker in systemen met niet-kerende bodembewerking of bij vroeg ingezaaide voorjaarsgewassen.

Ook voordelen op lange termijn

Omdat mechanische onkruidbestrijding in het najaar vaak wordt bemoeilijkt door natte bodemomstandigheden, onderzochten we of groenbemesters hier een aanvullende rol kunnen spelen. We vergeleken verschillende een- en meersoortige groenbedekkers, ingezaaid op 2 tijdstippen, en gingen na in welke mate ze de ontwikkeling van winteronkruiden kunnen afremmen.

Een sterke onderdrukking van winteronkruiden biedt niet alleen voordelen op korte termijn. Minder onkruiden betekent ook minder zaadproductie en dus een tragere opbouw van de zaadvoorraad in de bodem. Op langere termijn kan dit bijdragen aan een lagere onkruiddruk in volgteelten. Groenbemesters zijn dan ook een belangrijke schakel binnen een geïntegreerde strategie om winteronkruiden beheersbaar te houden.

Proefopzet: 5 groenbemesters, 2 zaaitijdstippen

Van augustus 2025 tot februari 2026 legden we een proef aan op het proefbedrijf voor biologische landbouw van Inagro in Rumbeke-Beitem. Vanaf eind november komen er af en toe dagen voor met een minimumtemperatuur onder 0 °C. In de periode van eind december tot begin januari is er gedurende zo’n 2 weken vrijwel dagelijks sprake van vorst.

Op 14 augustus en 12 september zaaiden we telkens 5 verschillende groenbemesters in rijenzaai (13 cm rijafstand) met een klassieke zaaicombinatie (2 cm diep). Voor de augustuszaai diepwoelden we het integrale perceel en gebruikten we vervolgens oppervlakkig de rotoreg. Voor de septemberzaai werd een tweede oppervlakkige rotoregbewerking uitgevoerd, waardoor de tussenliggende periode als een vals zaaibed kan worden beschouwd.

Daags na de augustuszaai beregenden we 10 mm om een goede opkomst te borgen. De groenbemesters varieerden in soortendiversiteit en -samenstelling: 2 monoculturen (facelia en Japanse haver), 1 tweesoortig mengsel (facelia + Japanse haver) en 2 meersoortige mengsels (8 soorten); beide samengesteld uit een vaste stam van 6 soorten (facelia, Japanse haver, vlas, niger, boekweit, zonnebloem), aangevuld met hetzij 2 kruisbloemige soorten (bladrammenas, deder), hetzij met 2 vlinderbloemige soorten (Alexandrijnse klaver, zomerwikke).

Om de onkruidonderdrukking te evalueren, hielden we per zaaitijdstip ook 4 niet-ingezaaide controleplots aan. Het vlinderbloemige mengsel testen we als niet-kruisbloemig alternatief, vermits sommige teeltrotaties al Brassicaceae omvatten. Bovendien draagt dit mengsel bij aan de stikstoffixatie en kan het zo de bodemvruchtbaarheid extra ondersteunen. Binnen de meersoortige mengsels kozen we voor complementaire soorten met uiteenlopende bewortelingspatronen, groeivormen en plantarchitecturen, waaronder diepwortelende soorten zoals vlas en bladrammenas. Zonnebloem en niger (gingellikruid) gaven extra stevigheid aan het gewasbestand.

Meerjarige grassen werden niet opgenomen, omdat die in het voorjaar het creëren van een naakt zaaibed kunnen bemoeilijken, zeker bij niet-kerende bodembewerking. In tabel 1 vind je de 5 groenbemesters met hun soortensamenstelling en zaaidosis. De gebruikte zaaidosissen werden telkens aangepast aan het kiemingspercentage van de gebruikte zaadloten, met als doel om over alle objecten heen een vaste plantendensiteit te hebben van circa 385 planten/m². Elke soort in het achtsoortenmengsel werd ingezaaid aan 1/8 van de aanbevolen volleveldszaaidosis.

37 - GroenbedekkersOnderdrukkingWinteronkruiden (2)

Opkomst varieert sterk tussen soorten en zaaitijdstippen

De standdichtheid van de diverse groenbemesters verschilde sterk binnen de zaaitijdstippen, ondanks het doel om een vaste plantendensiteit te hebben over alle mengsels heen. Facelia had bijvoorbeeld een veel lagere standdichtheid dan Japanse haver (103-142 planten/m² versus 234-229 planten/m²). Het niveau van de standdichtheid van de meersoortige mengsels was wel gelijkaardig. Ook op individueel soortniveau zagen we grote verschillen in opkomst. Het grofzadige Japanse haver kwam duidelijk beter op dan de fijnzadige soorten en deder in het bijzonder. In mengsels is de ideale zaaidiepte een belangrijk aandachtspunt, zeker bij sterk uiteenliggende duizendkorrelgewichten.

Uiteraard spelen bodemcondities ook een rol: onder de droge bodemomstandigheden bij de augustuszaai kiemden zaden met een klein contactoppervlak (zoals deder) of langere kiemingsduur (facelia) moeilijker. Bij de septemberzaai vertonen warmteminnende soorten als niger dan weer een moeizame opkomst. Daarnaast bedroeg de effectieve opkomst in de groenbemestermengsels slechts 26 tot 60% van het aantal ingezaaide kiemkrachtige zaden.

De grootste variatie in opkomst over zaaitijdstippen heen vinden we bij de monocultuur facelia. Japanse haver en de twee- en achtsoortige mengsels fluctueren minder. Het opkomstaandeel van kruisbloemige soorten (bladrammenas en deder) in het kruisbloemige mengsel bedroeg 10 dagen na zaai 11-19% van de standdichtheid (respectievelijk bij vroege versus late zaai). Het aandeel vlinderbloemigen (Alexandrijnse klaver en zomerwikke) in het vlinderbloemige mengsel bedroeg 26-31%.

Zaaitijdstip-onafhankelijk sterk: Japanse haver en kruisbloemig mengsel

Gedurende de proef kwantificeerden we van september tot februari maandelijks (met uitzondering van januari) de bovengrondse biomassa per m². Vervolgens splitsten we de biomassa op in groenbemester- en onkruidbiomassa (onderverdeeld in straatgras, echte kamille, vogelmuur en overig onkruid). Een lage onkruidbiomassa wijst op een sterk onkruidwerend vermogen van de groenbemester en op een lagere verwachte zaadzetting van onkruiden.

Uit het verloop van de veronkruiding in de groenbemesters en de onbehandelde controle bleek dat de vroeg gezaaide mengsels er duidelijk in slagen om de onkruidontwikkeling te minimaliseren, terwijl bij late zaai de veronkruiding toeneemt, met een uitgesproken effect in het vlinderbloemige mengsel.

Er werd geen interactie vastgesteld tussen groenbemester en meetmoment. De groenbemesters presteerden algemeen duidelijk zwakker bij late zaai dan bij vroege zaai: bij de septemberzaai lag de onkruidbestrijding minstens 50% lager dan bij de augustuszaai, met waarden tussen -65% en +44%. In het vlinderbloemige mengsel werd zelfs een toename van onkruidbiomassa vastgesteld in vergelijking met de controle.

Groenbemesters varieerden in onkruidwerend vermogen, en deze respons was bovendien afhankelijk van het zaaitijdstip. Bij de zaai in augustus werden onkruiden significant beter onderdrukt door het kruisbloemige mengsel dan met facelia en het tweesoortige mengsel facelia + Japanse haver. Ook het andere achtsoortige mengsel, het vlinderbloemige mengsel en de monocultuur Japanse haver bleken sterk onderdrukkend. Bij de septemberzaai werd een ander patroon vastgesteld, met significant lagere onkruidonderdrukking bij het vlinderbloemige mengsel ten opzichte van de overige groenbemesters, die onderling niet significant verschilden. Hier bleek Japanse haver de topper.

Focussen we op de doelsoorten echte kamille, vogelmuur en straatgras, dan zet dezelfde trend zich door. Bij de augustuszaai zien we opnieuw het uitstekende onderdrukkend vermogen van het kruisbloemige mengsel, over de meetmomenten heen. Bij de septemberzaai excelleert Japanse haver dan weer en vertoont het vlinderbloemige mengsel duidelijk de laagste onderdrukking van deze winteronkruiden. Hierbij ging het vooral over vogelmuur. Echte kamille en straatgras kwamen slechts in beperkte mate voor op het proefperceel.

Op diverse tijdstippen maaiden we vlakken van 1 m² om de biomassasamenstelling te bepalen.
Op diverse tijdstippen maaiden we vlakken van 1 m² om de biomassasamenstelling te bepalen. - Foto: Inagro

Hogere biomassaopbouw

De sterkere onkruidonderdrukking bij vroeg gezaaide groenbemesters hangt samen met een hogere biomassaopbouw. Japanse haver bouwde, ongeacht het zaaitijdstip, de meeste biomassa op en was daardoor sterk onkruidonderdrukkend. Toch blijkt biomassa niet de enige bepalende factor. Bij de augustuszaai realiseerde het kruisbloemige mengsel de beste onkruidonderdrukking, ondanks een consistent lagere biomassa dan Japanse haver. Het kruisbloemige mengsel vormde echter snel een gesloten bladerdek, zoals blijkt uit de hoge biomassaopbouw in oktober. Het mengsel bleef ook voldoende lang groen in het voorjaar, wat de onkruidonderdrukking extra versterkte.

Ook gewasstructuur, soortensamenstelling en specifieke soorteigenschappen spelen dus een belangrijke rol. Zo combineren soorten zoals bladrammenas en boekweit een snelle beginontwikkeling met de productie van fytotoxische secundaire metabolieten, die via wortelexudaten in de bodem terechtkomen en de kieming en groei van kleinzadige onkruiden kunnen remmen. Ook Japanse haver wordt in verband gebracht met allelopathische eigenschappen: natuurlijke chemische stoffen die een plant afscheidt om de groei van andere planten in de buurt te remmen of te stoppen.

Maatwerk blijft noodzakelijk

Voor een maximale onkruidonderdrukking worden groenbemesters het best zo vroeg mogelijk (midden augustus) ingezaaid. Vooral meersoortige mengsels en Japanse haver presteren hierbij sterk, doordat ze opkomstbetrouwbaarder zijn, snel kiemen en het perceel vlot dichtgroeien, ook onder de drogere bodemomstandigheden van 2025. Over de diverse zaaitijdstippen heen was de monocultuur Japanse haver en het kruisbloemige achtsoortenmengsel (en dit ondanks een laag aandeel Brassicaceae) het meest robuust. Het vlinderbloemige achtsoortenmengsel presteerde enkel sterk bij vroege zaai; bij late zaai bleef de biomassaproductie van de aanwezige soorten te beperkt, met ernstige veronkruiding tot gevolg, vooral dan door winteronkruiden. Laat gezaaide groenbemesters (midden september) hebben dan ook weinig baat bij warmtebehoevende, sterk vorstgevoelige soorten.

De samenstelling van meersoortige groenbemesters blijft dus maatwerk, afgestemd op zaaitijdstip en doelstellingen, met duidelijke implicaties voor opkomstzekerheid en onkruidonderdrukking in het veld.

Jeroen Feys, Mattie De Meester, Benny De Cauwer (Universiteit Gent) Joran Barbry, Lieven Delanote (Inagro), Koen Willekens (ILVO)

Lees ook in Akkerbouw

Provincie Antwerpen investeert jaarlijks 100.000 euro in tuinbouwonderzoek

Groenten De provincie Antwerpen en proefcentrum Harvestis sluiten een nieuwe samenwerkingsovereenkomst om het praktijkgerichte tuinbouwonderzoek de komende jaren verder te versterken. De provincie investeert daarvoor jaarlijks 100.000 euro. Met het onderzoek ontwikkelen en testen de partners oplossingen waarmee groente- en aardbeientelers diverse uitdagingen kunnen aanpakken.
Meer artikelen bekijken