Zoete kersen of zure krieken in de tuin?
Een kerselaar of kriekelaar is een echte verrijking voor elke tuin. In het voorjaar geniet je van de bloesempracht. Enkele maanden later pluk je dan een overvloed aan zoete kersen of sappige krieken, zeker nu deze fruitsoorten ook verkrijgbaar zijn als eerder kleinblijvende struikvormen. Daardoor wordt het veel eenvoudiger om de vruchten te beschermen tegen vogels, de grootste vijand van deze teelt. Niet voor niets is de naam van de botanische soort, de voorouder van de vele rassen, ‘Prunus avium‘ of vogelkers.

Op het eerste gezicht lijken zoete kersen en zure krieken sterk op elkaar. Toch gaat het om 2 verschillende soorten, elk met hun eigen kenmerken en eigenschappen. Dat verschil merk je niet alleen aan de smaak van de vruchten, maar ook aan de groeiwijze van de bomen, de bloei en aan de eisen die ze aan hun standplaats stellen.
Kersen
Over de geschiedenis en de ontwikkeling van de oorspronkelijke botanische soorten tot de veredelde ‘rassen’ is niet zo veel gekend. Wel staat vast dat de voorouders van de huidige moderne kriekenbomen (Prunus cerasus spp.), uit Zuidoost-Europa komen en dat de voorouders van de kersen (Prunus avium) inheems zijn in onder andere grote delen van Europa, waaronder België. Beide soorten zijn bij ons winterhard, maar de kersen lopen vanwege hun vroege bloei wel grotere kans op vorstschade. Een koud en nat voorjaar kan bovendien de bestuiving en vruchtzetting bemoeilijken.
Kersenbomen houden van een matig vochtige grond, maar hebben tijdens de vruchtzetting wel voldoende vocht nodig om de bekende grote vruchten te ontwikkelen. Sommige kersenrassen, vooral de knapkersen of vleeskersen, zijn dan weer gevoelig voor natte periodes tijdens de vruchtrijping. Daardoor barsten de vruchten open en zijn ze niet meer te bewaren na de pluk. Kersenbomen zijn van nature vrij fors groeiende bomen. Door het gebruik van zwak groeiende onderstammen, zoals Gisela 5, en door de beschikbaarheid van van nature minder sterk groeiende rassen, kunnen ook kleinere bomen worden gekweekt. Dat maakt kersen nu ook beter geschikt voor de particuliere tuin.
Krieken
In Nederland noemt men krieken 'morellen' of 'zure kersen'. In België is kriek de gebruikelijke benaming voor de zure kers (
Bestuiving bij kersen en krieken
Wie een krieken- of kersenboom wil aanplanten, doet er goed aan om zich vooraf te informeren over de bestuivingseigenschappen van het ras. De meeste kriekenrassen zijn zelfbestuivend en kunnen dus ook zonder een andere kriekenboom in de buurt vruchten dragen. Wel is het zo dat ze vaak een grotere oogst opleveren als er wel een ander kriekenras in de nabijheid groeit.
Bij kersen ligt het anders. Van de oudere rassen zijn de meeste kruisbestuivend en hebben ze stuifmeel van een ander, compatibel ras nodig om een goede oogst te geven. Niet ieder kersenras kan echter zomaar een ander ras bestuiven. De rassen moeten bovendien ongeveer gelijktijdig bloeien. Wie meerdere kersenbomen wil aanplanten, moet daarom rekening houden met zowel de bestuivingscompatibiliteit als de bloeiperiode van de gekozen rassen.
Met de komst van zelfbestuivende kersenrassen is het voor de liefhebber wel een stuk eenvoudiger geworden om met één boom kersen te telen. Rassen zoals ‘Lapins’ en ‘Stella’ kunnen zichzelf bestuiven en zijn daardoor bijzonder geschikt voor de kleinere tuin. Ook bij zelfbestuivende rassen kan kruisbestuiving met een geschikt ras voor een betere vruchtzetting en oogst zorgen.
Kersen en krieken kunnen elkaar in principe met hun stuifmeel bestuiven, maar door verschillen in bloeitijd is dit in de praktijk van weinig betekenis.
Goede liefhebbersrassen
Een eerste keuze die men bij de aankoop van een fruitboom moet maken, is de boomvorm. Hoog- en halfstammen worden op sterk groeiende onderstammen geteeld en kunnen uitgroeien tot flinke bomen. Voor de kleinere tuin zijn laagstammen en spilvormen veel interessanter. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zwak groeiende onderstammen, zoals Gisela 5, die de uiteindelijke grootte van de boom sterk beperken. Vooral bij kersen is de keuze van de onderstam belangrijk. Een kersenboom op Gisela 5 blijft veel kleiner dan een boom op een sterk groeiende onderstam. Daardoor is hij gemakkelijker te snoeien, te plukken en met een vogelnet te beschermen. Ook krieken kunnen als compacte boom worden geteeld.
De uiteindelijke groeikracht wordt daarbij bepaald door de combinatie van ras en onderstam. Voor de particuliere tuin is een laagblijvende boom meestal de meest praktische keuze. Wie voldoende ruimte heeft en vooral een grote, sierlijke fruitboom wil, kan uiteraard nog altijd voor een half- of hoogstam kiezen.
Kriekenrassen
Noordkriek was lange tijd het standaardras, maar vanwege zijn grote gevoeligheid voor de moniliaschimmel en de ontwikkeling van meer resistente soorten niet meer aan te raden voor de tuin.
Gorsemkriek
Kersenrassen
Stella is een zelfbestuivend, rijk dragend ras met grote, donkerrode, zoet smakende kersen.
Kordia is een ras met grote, stevige, donkerrode vruchten. Het is niet zelfbestuivend, maar minder gevoelig voor barsten.
Lapins is een en laat, zelfbestuivend ras dat ook een goede universele kruisbestuiver is. Het ras geeft grote tot zeer grote, harde vruchten met een zoete, aromatische smaak. Het is gevoelig voor barsten.
Regina is een bekend, laat ras dat behoefte heeft aan een goede bestuiver. Het geeft hele grote, donkerbruine, glanzende vruchten met een zoetzure smaak. Het ras is weinig gevoelig voor barsten.
Krieken op zwak groeiende onderstam dragen al in het tweede jaar na aanplant vruchten, kersen doen er 4 jaar over. Wie zo lang niet kan wachten, kan alvast genieten van een lekker kriekbiertje, een typisch Belgisch (lambiek)bier op smaak gebracht door toevoeging van verse krieken. Schol.





