Startpagina Akkerbouw

Voedergewassen in proef aangelegd

De Hogeschool Gent en de Universiteit van Gent leggen samen een heel brede proefveldwerking aan in Bottelare. In dit artikel focussen we op enkele proeven met voedergewassen die werden toegelicht.

Leestijd : 9 min

Gebruikelijk vindt het jaarlijkse bezoek aan de proefhoeve in Bottelare plaats op de laatste woensdag van juni. Wegens de hitte toen werd dit echter verplaatst naar begin september.

Voederbietenteelt promoot zichzelf

Eva Wambacq, onderzoeker aan de Hogeschool Gent, stond stil bij de proefveldwerking in voederbieten. “Het is een gewas dat zichzelf promoot”, gaf ze bij aanvang krachtdadig aan. “Kijk wat voor een droge zomer we hebben gehad en hoe de bieten hun groei hernomen hebben en er begin september terug mooi en beloftevol bij staan. Voederbieten zijn dus een klimaatrobuust gewas die hun plaats verdienen in de toekomst. De koeien eten ze graag en de opbrengsten zijn meestal goed, net als de energiewaarde. Door hun lange groeiperiode is er weinig nitraatuitspoeling.”

Wambacq had oog voor het IPM-verhaal. “De bodemschimmel rhizoctonia kan je curatief niet behandelen, dus preventie is de sleutel om hierop in te spelen. Behandeld zaaizaad beschermt de jonge kiemlingen tot de planten groter zijn. Er zijn ook veel rasverschillen. Rassen kunnen tolerant zijn tegen rhizoctonia, maar geen enkel ras is echt resistent. Rotaties met veel maïs en gras zijn bevorderlijk voor een rhizoctonia-aantasting. Veel telers weten niet dat de ziektepathogeen in de bodem zit. In het voorjaar kan je wat plantenuitval kennen, maar het wordt pas echt goed zichtbaar in het najaar, met veel rotte bieten.

Een gouden tip is om een ras met een goede tolerantie te kiezen. Rhizoctonia is een zwakteparasiet. Alles wat je dus doet om de plant sterker te maken zorgt ervoor dat de schimmel minder snel voet aan de grond krijgt. Een goede bodemstructuur, niet te veel en niet te weinig bemesting, organisch materiaal... het helpt allemaal om rhizoctonia het hoofd te bieden. Mechanische onkruidbestrijding is niet aangewezen op velden die met rhizoctonia besmet zijn, omdat sommige onkruiden waardplanten zijn voor deze ziekte. Door de mechanische onkruidbestrijding kan de ziekte dan meer verspreid worden.”

Monitoring is tevens heel belangrijk in het IPM- verhaal. Telers kunnen terugvallen op waarnemingen en waarschuwingen die worden gedaan door het Landbouwcentrum Voedergewassen (LCV). Zowel ondergrondse als bovengrondse insecten worden opgevolgd, want bladluizen kunnen het vergelingsvirus overdragen.

Focus van insecten naar bladziekten

Wanneer de bietenrijen gesloten zijn, wijzigt de focus van de waarnemingen en waarschuwingen van insecten naar bladziekten. “Cercospora staat daar hoog aan het lijstje van zaken die opgevolgd moeten worden. Het is dé probleembladziekte van het moment. Rassen kunnen wel tolerantie hebben, maar dit verschilt sterk van ras tot ras.” De recente warme zomers lijken in het voordeel van cercospora te werken. Vanaf de eerste symptomen zou behandeld moeten worden. “Nu, dat is de theorie”, bemerkte Eva Wambacq. “Door de droogte en hoge temperaturen lagen de bieten begin juli te ‘slapen’ toen we al cercospora waarnamen. In zo’n omstandigheden is het niet verstandig om een fungicidebehandeling uit te voeren. We hebben op de proefhoeve gewacht op frissere temperaturen, regenval en op bieten die hun groei hernamen om een bespuiting te doen.” Eind juli is dit gebeurd en door de verdere weersomstandigheden was cercospora begin september tijdens het proefveldbezoek nog niet zwaar doorgebroken.

Bladziekten juist herkennen

Onderzoeker Wambacq wees verder op het feit dat cercospora en ramularia door elkaar gehaald kunnen worden bij een eerste aanblik op aangetaste bladeren. Bij cercospora zijn er zwarte puntjes in de vlekken, bij ramularia zijn deze wit. Dit jaar blijkt het een echt cercosporajaar te zijn, maar ook witziekte werd al vlot in het veld gezien. Warme dagtemperaturen en koude nachten met vocht op het blad ‘s morgens zouden hiervan aan de basis liggen.

Aan de fungicidebehandeling is ook magnesium toegevoegd bij wijze van verzekering, omdat het gewas het al zo moeilijk had door de droogte. Symptomen van magnesiumgebrek en vergelingsziekte kunnen wel eens door elkaar gehaald worden. Een trucje waar onderzoeker Wambacq op wees, was om het bietenblad naast je oor te houden en te breken. Bij aantasting door het vergelingsvirus heb je een knapperige bladrand en hoor je hem kraken, maar niet bij magnesiumgebrek.

Hoe vaak fungicides gespoten moeten worden in voederbieten, hangt sterk af van de ‘eigenaardigheden’ van dat jaar. Wambacq verwees in dit kader naar een proef die vorig jaar is uitgevoerd, waarbij 1, 2 of 3 keer is gespoten met fungiciden. “Vorig jaar was er eind augustus een significant lagere roestaantasting daar waar 3 keer gespoten was. De onbehandelde controle zonder fungicide-inzet bracht 19 ton/ha op qua droge stof. Door één fungicidebehandeling te spuiten, kwam daar 1,1 ton bij. Bij de tweede fungicidebehandeling kwam daar 1,85 ton extra bij en 2,3 ton meer bij de drievoudige fungicide-inzet. Het is natuurlijk ook een economisch verhaal. Drie fungicidebespuitingen gaan zeker niet ieder jaar nodig zijn. Wat wel nodig is, is om middelen af te wisselen, zowel qua actieve stof als familie van actieve stoffen.”

Joos Latré (links) stond stil bij 2 probleemonkruiden in maïs: knolcyperus en doornappel.
Joos Latré (links) stond stil bij 2 probleemonkruiden in maïs: knolcyperus en doornappel. - Foto: TD

Doornappel: een opkomend probleemonkruid

Joos Latré, docent en onderzoeker aan de Hogeschool Gent, stond stil bij de onkruidbestrijding in maïs. Hij haalde 2 probleemonkruiden aan: doornappel en knolcyperus. “Ook gierstgrassen zijn moeilijk te bestrijden. De ervaring is dat we dit jaar net iets te laat de onkruidbestrijding hebben gespoten.

Bestrijd doornappel tijdig als je de kiemen ziet in je veld, want in geen tijd zijn ze snel uitgegroeid. Helemaal problematisch wordt het wanneer ze bolsters hebben. Deze zitten vol met zaden die zich verspreiden wanneer de bolsters openspringen. Via grondverzet en besmette machines wordt doornappel snel verspreid. Doornappel bevat atropine en scopolamine. Dat zijn zware gifstoffen, een soort alkaloïden die zware hallucinaties, angstdromen, psychoses, slechte slaap en braken bij de mens kunnen veroorzaken bij te veel inname. Daarom zijn handschoenen aanbevolen als je doornappel manueel verwijdert in je veld. Bij melkvee zijn al lagere producties gemerkt door de aanwezigheid van doornappel op het veld en later dan ook in de maïskuil”, aldus Latré.

“Het probleem bij doornappel is dat het een warmtegevoelige en dus late kiemer is. Wie vroeg maïs zaait en dan ook tijdig zijn onkruidbestrijding uitvoert, die zijn veld kan later op het seizoen toch doornappel vertonen. Daarom het advies om in juni, juli als de maïsrijen net nog niet dicht zijn en het perceel wel toegankelijk is, een controle te doen op het voorkomen van doornappel. Kleine plantjes van doornappel kunnen nog gespoten worden met een herbicide zoals Matrigon (actieve stof clopyralid). Grotere planten moeten manueel uitgetrokken worden en in doorzichtige plastic zakken verzameld worden en afgevoerd worden van het veld. Op die wijze kan doornappel al via veel (maar niet alle) Vlaamse gemeenten ingezameld worden. Van hieruit gaat het richting de verbrandingsoven. Hoge temperaturen blijken absoluut nodig te zijn om de planten en hun zaden definitief te vernietigen.”

Juist spuitadvies is geen evidentie

Bodemmiddelen met nawerking zijn belangrijk in het spuitschema voor de onkruidbestrijding in maïs, zeker richting de bestrijding van doornappel. Naast het bodemmiddel zetten we nog een bladherbicide om op bovenstaande onkruiden te werken. Die herbicide brandt dan hun blad af. Daarnaast voeg je middelen toe die onkruidgrassen bestrijden.

Juist spuitadvies geven, is geen gemakkelijke opgave, merkt Joos Latré op. “Je moet het juiste spuitschema samenstellen en op het juiste moment behandelen. Richting doornappel is dat eerder iets later spuiten, maar dat is een hele dubbele om te adviseren. Het gevaar bestaat er dan immers in dat de landbouwer te laat gaat behandelen. Dan heeft hij andere onkruiden slecht bestreden, doordat ze al groter zijn en daardoor moeilijker te bestrijden zijn. Wie vroeg spuit, kan dan met een correctiebespuiting terugkomen om bijvoorbeeld doornappel aan te pakken. We hebben vandaag nog de mogelijkheden om onkruid in maïs te bestrijden, maar we moeten er op het juiste moment bij zijn. Dat geldt zeker voor doornappel.” Ook wees onderzoeker Latré op het feit dat mensen dit onkruid nog moeten leren herkennen in het veld. “Niet iedereen is er vertrouwd mee. Het is een onkruid dat meer voorkomt dan vroeger, vermoedelijk door het wegvallen van erkenningen van herbicides en door het warmer wordende klimaat.”

Joos Latré stond ook stil bij knolcyperus. “Knolcyperus is nu al een probleem in Vlaamse velden en wordt enkel nog groter, niettegenstaande we al van in de jaren 80 hiervan op de hoogte zijn. Via projectwerking in het verleden hebben we ervaren dat door aardappelen of bieten te telen en door de knolcyperus niet te bestrijden, je op één jaar tijd een vermeerdering van 1.950 % had. Daarom is de teelt van wortel-, bol- of knolgewassen op met knolcyperus besmette percelen verboden geworden.”

Kort afgrazen door schapen of paarden of kort afmaaien kan knolcyperus uitputten en een niet-chemische vorm van bestrijding betekenen. “Vanaf april tot begin juli zou je de aanwezigheid van knolcyperus op je veld van zeer nabij moeten opvolgen en de plant trachten uit te putten, aldus Latré. Meermaals pleksgewijs behandelen kan naar verluidt een oplossing zijn om het probleem binnen de perken te houden. Toch is het heel moeilijk om hier binnen de mogelijkheden van de wet te handelen. “Pleksgewijze mechanische onkruidbestrijding of een doorgedreven maairegime helpt ook ietwat. Je moet vooral trachten om nieuwe, opkomende besmettingen met knolcyperus tijdig en krachtdadig aan te pakken.”

Greet Verlinden en Els Heyrman onderzoeken klimaatrobuuste mengsels.
Greet Verlinden en Els Heyrman onderzoeken klimaatrobuuste mengsels. - Foto: TD

Meer vlinderbloemigen telen

Onderzoeker Greet Verlinden, die werkt voor de HoGent en UGent, gaf toelichting bij de mengteelt van meerjarige vlinderbloemigen. “Deze maken onderdeel uit van een groot Europees project, het Legendary-project. Het doel hiervan is om het areaal peulvruchten in Europa te vergroten, zodat we minder afhankelijk zijn van de soja die geïmporteerd wordt uit Amerika. We willen graag onze eigen eiwitten telen, maar dat komt niet zo heel goed op gang, of toch niet zo goed als Europa zou willen. Met het Legendary-project willen we eigenlijk meer vlinderbloemige eiwitgewassen in de rotatie van de landbouwer krijgen.”

In de proef die toegelicht werd, werden 2 vlinderbloemigen gezaaid, namelijk esparcette en rolklaver. Deze werden solo gezaaid of in combinatie met rietzwenkgras en glanshaver. “Omdat we ervaren hebben dat Engels raaigras droogtegevoeliger is, willen we onze kennis verruimen door ook naar de mogelijkheden te kijken die andere rassen bieden. We zoeken echt naar klimaatrobuuste mengsels. We denken dat de mengsels die opgenomen zijn in de proef mogelijkheden bieden, daarom liggen ze nu aan in praktijk op de proefhoeve.”

Al enkele jaren eerder werd in de proefveldwerking gezien dat esparcette na uitzaai niet goed op gang kwam en dat er veronkruiding optrad. Als oplossing zijn de onderzoekers dit gaan inoculeren met rhizobiumbacteriën. Dat sloeg goed aan. De onderzoekers zagen nog dat esparcette en rolklaver mooie opbrengsten gaven. Ze geven echter de voorkeur aan een mengsel, omdat dit zich nog klimaatrobuuster uit. “Bij de pure grasmengsels werd afgelopen zomer gezien dat de opbrengsten achterwege bleven door de droogte. Als verklaring wordt gekeken naar de penwortels van esparcette en rolklaver, die dieper in de bodem water kunnen halen. Als het dan weer nat is, doen die het weer minder goed dan gras, dus zullen we toch naar een mengsel moeten kijken. Verdere proefveldwerking die nog uitgevoerd wordt, kijkt ook naar de voederwaarde, smakelijkheid... naast de opbrengst(zekerheid) en hun belang voor bestuivers en insecten. Vastgesteld werd alvast dat op rolklaver veel hommels en zweefvliegen af komen en dat deze bijdragen aan een natuurlijke plaagbeheersing.”

Onderzoek naar stikstoffixatie

Els Heyrman, onderzoeker aan de proefhoeve, stond nog even stil bij de stikstoffixatie door vlinderbloemigen. “We willen vooral weten hoeveel stikstof ze halen uit de lucht en hoe de prestaties onderling verschillen tussen de verschillende soorten vlinderbloemigen.” Nog een vraag die de onderzoekers zich stellen, is in hoeverre de symbiose standhoudt als de vlinderbloemige in een mengsel aanligt. “Een optimum dat reeds werd vastgesteld, ligt rond de 40 à 60% vlinderbloemigen in het mengsel. Deze lager doseren zorgt ervoor dat er teveel gras is en dat de vlinderbloemigen hiervan stress ondervinden. De vlinderbloemigen te hoog doseren in het mengsel zorgt er dan weer voor dat er meer stikstof in de bodem komt via exsudatie, waardoor de plant niet meer investeert in de symbiose. Het is echt zoeken naar een goede balans.”

Gekeken naar hoe de stikstoffixatie zich gedraagt doorheen de tijd, zag de onderzoekster reeds dat die daalt naargelang de mengsels langer aanliggen. Bij eenjarige mengsels ziet ze eigenlijk geen verschil in prestaties onderling. “Het jaarklimaat en de onkruiddruk spelen een grotere rol. Bij de meerjarige soorten wordt dit aspect nog verder onderzocht, en dit niet alleen op de proefhoeve in Bottelare, maar op meerdere proeflocaties in Europa.”

Tim Decoster

Lees ook in Akkerbouw

Lengte en grofte van aardappelen zijn onvoldoende

Aardappelen De NEPG of de North European Potato Growers (telers uit België, Duitsland, Nederland en Frankrijk) merkt op dat de aardappeloogst nog niet afgerond is, maar dat nu al wel duidelijk is dat de gemiddelde opbrengsten aanzienlijk lager liggen dan het vijfjarige gemiddelde.
Meer artikelen bekijken