Het was weer een bijzonder jaar om maïs te telen

Zowel qua opbrengst als qua kwaliteit van de maïsoogst in 2020 kon er een sterke variatie bestaan tussen regio’s en percelen.
Zowel qua opbrengst als qua kwaliteit van de maïsoogst in 2020 kon er een sterke variatie bestaan tussen regio’s en percelen. - Foto: TD

Uit de voorlopige cijfers van het NIS van de FOD Economie blijkt dat er in 2020 in België 234.216 ha maïs gezaaid werd, waarvan 52.058 ha bestemd was als korrelmaïs en 182.158 ha geoogst werd als voedermaïs.

Ten opzichte van 2019 was er voor het hele land een stijging van 3,9 % van de oppervlakte voor voedermaïs en een stijging van 7,0 % voor de korrelmaïs. In Vlaanderen, waar het grootste deel van de maïs geteeld wordt, waren de stijgingen iets lager. In Wallonië springt vooral de stijging van het areaal met korrelmaïs in het oog: van 5.573 ha naar 7.219 ha in 2020 (+29,5%).

Vlotte zaai in erg droge omstandigheden

Na een maand januari, die iets droger was dan normaal, volgden 2 natte maanden. Vooral de maand februari (108 mm te Ukkel in plaats van 63 mm normaal) leverde de broodnodige extra neerslag om de neerslagtekorten van 2019 en de lage grondwaterstanden een beetje op te vangen. Helaas konden de reserves op vele plaatsen niet volledig aangevuld worden.

In april kwam dat al snel tot uiting. De eerste neerslag van betekenis in april viel pas op 18 april. De eerste helft van de maand april was ook zeer warm, vergeleken met de normale waarden voor die periode. De bodem warmde snel op en droogde snel uit, zodat men vrij vroeg kon starten met de velden te bewerken.

De eerste zaai-activiteiten startten voornamelijk in de Kempen rond 10 april. De maïszaai kon vrijwel ongehinderd en in relatief goede omstandigheden doorgaan tot een aantal dagen met beperkte hoeveelheden neerslag op het einde van de maand april en begin mei. De zaai-activiteiten werden hierdoor amper gehinderd. De rest van de maand mei ontbrak het aan neerslag. De temperaturen in de eerste helft van mei waren relatief koud, gevolgd door een relatief warme tweede helft van de maand.

Bevredigende maïsopbrengsten halen was in 2020 geen evidentie.
Bevredigende maïsopbrengsten halen was in 2020 geen evidentie. - Foto: TD

De velden die bestemd waren voor korrelmaïs konden doorgaans in april gezaaid worden en ook de voedermaïs met laatrijpe rassen geraakte meestal in april of ten laatste begin mei gezaaid. Begin mei waren de omstandigheden van het zaaibed al vaak erg droog.

Maïs die gezaaid werd na raaigras had het nog moeilijker te verduren. Het gras groeide in de droge omstandigheden al niet erg snel en er bleef maar weinig water over voor de hoofdteelt maïs. Het grootste deel van de maïs die na gras gezaaid werd, kon vóór 20 mei ingezaaid worden. Na 20 mei bleven er toch nog vrij veel in te zaaien percelen over.

Trage opkomst en een vrij trage groeistart

Door de droge maanden april en mei gebeurde de kieming niet optimaal. De zaden bleven gemiddeld ongeveer 10 dagen onder de grond. Sommige landbouwers hadden iets dieper gezaaid omwille van de droogte en omwille van mogelijke vogelvraat. De opkomst was op de meeste velden nog behoorlijk, maar op sommige velden was er een tweewassige opkomst op te merken, of zelfs droge stroken waar de maïs helemaal niet opkwam.

Daarnaast was er lokaal ook de verwachte stijging van de aanvallen van vogels op de zaden en op jonge plantjes (kwetsbaar tot het 5de – 6de blad) omwille van het wegvallen van Mesurol. Een aantal landbouwers zagen zich in 2020 genoodzaakt om een aantal percelen te herzaaien omwille van vogelschade of omwille van te slechte opkomst door de droogte. In 2020 was nog een relatief groot areaal beschermd tegen vogelschade door het opgebruiken van de stocks van met Mesurol behandelde zaden en door gebruik van met Korit behandeld zaaizaad. In 2021 zal de optie Mesurol volledig verdwenen zijn.

De groei van de maïs kwam maar moeilijk op gang door de aanhoudende droogte en een paar erg koude dagen in de eerste helft van mei. Het was wachten op de broodnodige regen van begin juni alvorens de maïs een eerste groeispurt kon inzetten.

Er waren in 2020 zo goed als geen problemen met bladluizen. Op een beperkt aantal velden kreeg men te maken met schade door ritnaalden. De grootste problemen met ritnaalden kwamen voor in het zuiden van het land.

Onkruidbestrijding meestal geslaagd

Door de droge omstandigheden van april en mei waren de opportuniteiten voor een behandeling in vooropkomst eerder beperkt. Landbouwers die rond 20-25 april konden zaaien in optimaal zaaiklaar gelegde percelen, beschikten nog over een voldoende vochtige toplaag en konden bovendien nog profiteren van de (beperkte) hoeveelheid neerslag in de laatste dagen van april.

Na deze periode had een behandeling in vooropkomst nog maar weinig meerwaarde.

Zoals gebruikelijk in ons land gebeurden de meeste behandelingen in na-opkomst. Ook bij een naopkomstbehandeling is de hoeveelheid vocht bepalend voor de efficiënte werking van de bodemmiddelen. Het aantal behandelingen in vroege naopkomst (2-3 bladstadium) blijft minder gebruikelijk dan een latere behandeling in het 4de tot 5de zichtbaar bladstadium. Door de grotere onkruiden en door de steeds meer uitgesproken droge omstandigheden grijpt men dan doorgaans naar een zwaardere dosis contactmiddelen.

Al bij al was de onkruidbestrijding op de meeste percelen succesvol, maar we zien de laatste jaren steeds vaker percelen waar door de droogte of door een te late of een verkeerde keuze van middelen, de onkruidbestrijding te wensen overlaat. Op velden waar de onkruidbeheersing mislukt, krijg je wegens de concurrentie voor het water in een later stadium, nog een versterking van de problemen door de droogte.

Neerslag in juni redt de bloei

Door het cumulatief neerslagtekort leek 2020 een zeer moeilijke weg op te gaan. Gelukkig bracht de neerslag van begin juni eindelijk redding. Tijdens de maand juni viel te Ukkel 69,4 mm neerslag (71,8 mm normaal) gespreid over 14 regendagen.

Voor sommige percelen kwam de regen alsnog te laat (droogtestress), maar voor de meeste percelen kwam de regen net op tijd om de maïs tot aan de belangrijke bloeiperiode te loodsen.

Met de nodige neerslag en de stijgende temperaturen had de maïs de ideale omstandigheden om zijn groeispurt in te zetten naar de bloei toe. Bij de vroegst gezaaide percelen kon men de eerste helft van juli soms al de eerste pluimen opmerken. De meeste maïs kwam pas in de tweede helft van juli in bloei, met uitschieters tot in augustus.

Augustus was opnieuw een droge en zeer warme maand met bovendien een zeer extreme hittegolf in de eerste helft van de maand. Opnieuw sneuvelden er temperatuurrecords voor augustus (35,9°C op 8 augustus te Ukkel). De aanhoudende hitte en droogte eisten geleidelijk aan hun tol: op sommige percelen op zanderige grond krulden de bladeren op. Na een aantal dagen kreeg men volledig verbrandde bladeren, met ook een impact op de kolfvulling. De meeste percelen kwamen de moeilijke periode nog relatief goed door. Op de sterkst getroffen percelen zag men krullende bladeren en in de ergste gevallen verbranding van de bladeren, met grote opbrengstverliezen tot gevolg.

Net zoals de regen in juni net op tijd kwam, kwam ook de neerslag (initieel in de vorm van hevige onweders op 9 en 14 augustus) net op tijd om de maïs op adem te laten komen. In de tweede helft van augustus vielen er regelmatig nog wat buien. Daar waar het einde van augustus nog relatief koele temperaturen liet noteren, schoten de temperaturen in september weer de hoogte in. De hoeveelheid vocht in de stengels en de bladeren nam snel af, wat leidde tot een versnelde afrijping van de maïsplanten: stijgingen van het drogestofpercentage met meer dan 5-6% op 1 week waren begin september geen uitzondering.

Variabele opbrengsten en voederwaarden

Door de droge omstandigheden tijdens het teeltjaar waren de opbrengsten gemiddeld genomen aan de lage kant, met resultaten op lichtere gronden die eerder teleurstellend genoemd konden worden.

Net zoals in 2019 zag men grote verschillen tussen regio’s. Ook binnen 1 regio konden de opbrengsten nog sterk verschillen afhankelijk van de teeltomstandigheden: de hoeveelheid neerslag (lokale onweders), een al dan niet geslaagde onkruidbestrijding, het humuspercentage en het waterretentiepotentieel van het perceel, de zaaidatum enzovoort.

In de leemstreek en in de zandstreken (inclusief de Kempen) lag de gemiddelde opbrengst lager dan in 2019, met een grote variatie in opbrengsten. Het grootste deel van de zandleemstreek heeft in augustus kunnen genieten van meer neerslag tijdens de maand augustus en dat vertaalde zich in opbrengsten die vergelijkbaar waren met het voorgaande teeltjaar. In het zuiden van het land waren de resultaten erg wisselend en waren ze vaak lager dan in 2019.

Naast de grote variatie in bruto-opbrengsten was er ook een even grote variatie in de kwaliteit van de geoogste voedermaïs. De droogtestress die al vóór de bloei aanwezig was, gecombineerd met een aanhoudend tekort aan water na de bloei zorgde voor een slechte kolfvulling en een kleiner aantal korrels per kolf. De voederwaarde lag dus gemiddeld lager en vertoonde grote verschillen van perceel tot perceel.

Op percelen waar de maïs alsnog op tijd de broodnodige neerslag ontving en waar de hittegolf geen al te grote verbranding veroorzaakte, kon de maïs zich nog relatief goed door de omstandigheden vechten en was de voederwaarde nog behoorlijk goed.

Ook een vroege oogst voor de korrelmaïs

De omstandigheden voor de korrelmaïs waren uiteraard even uitdagend voor de korrelmaïs als voor de hakselmaïs. De snelle evolutie van de hakselmaïs kon doorgetrokken worden naar uiterst snelle evolutie van de afrijping bij de korrelmaïs.

Rond 20 september bereikten de eerste percelen korrelmaïs die bestemd waren voor een toepassing als CCM een vochtgehalte van 34% vocht. Rond die periode werden de eerste percelen korrelmaïs gedorst. Naar het einde van de maand september, en zeker na 10 oktober, was al een groot aandeel van de korrelmaïs dat bestemd was voor een toepassing als ‘vochtig graan’ reeds van het veld.

De rendementen lagen in 2020 gemiddeld lager dan in 2019. In de meest gunstige omstandigheden konden wel nog zeer goede opbrengsten genoteerd worden. Net zoals voor de voedermaïs was de variatie in opbrengst erg groot.

De lichtpuntjes voor de telers van ‘te drogen’ korrelmaïs in 2020 waren de relatief lage droogkosten door de lage vochtgehaltes bij de oogst en de betere prijzen per kg droog graan, vergeleken met de afgelopen jaren. De vochtgehaltes bij de oogst van te drogen korrelmaïs zaten vaak tussen de 24 en 28% vocht. In onze rassenproeven kwamen uitschieters van onder de 22% vocht voor bij bepaalde rassen.

In de loop van het seizoen stelde men net zoals bij de hakselmaïs weinig of geen sanitaire problemen vast met de korrelmaïs. Stengelrot kwam maar relatief beperkt voor in 2020. Als het probleem zich ontwikkelde, was het meestal al in een erg laat stadium bij een vrij late oogst. Een aantal percelen kreeg te maken met legering of stengelbreuk naar aanleiding van de stormen in augustus en in oktober.

Jurgen Depoorter,

Michaël Mary,

Guy Foucart,

CIPF vzw

Meest recent

Meest recent