Voederbietenteelt wordt steeds populairder

In de periode 2000-2010 zijn er heel wat landbouwers gestopt met voederbieten te telen omdat hun bieten waren aangetast met rhizoctonia.
In de periode 2000-2010 zijn er heel wat landbouwers gestopt met voederbieten te telen omdat hun bieten waren aangetast met rhizoctonia. - Foto: LBL

In de jaren 40 en 50 was de voederbietenteelt een belangrijke teelt in Vlaanderen. Nu is het areaal beperkt en wordt de voederbietenteelt als een kleine teelt beschouwd. De trend in het areaal is wel stijgend. In 2012 was het areaal zo’n 2.500 ha, en dat steeg vanaf toen langzaamaan. In 2020 bedraagt het verwachte areaal 4.500 ha in Vlaanderen. “Dat is niet veel in vergelijking met gras en kuilmaïs, maar toch is de voederbietenteelt veelbelovend”, vertelt An Schellekens van de Hooibeekhoeve.

Goed opbrengende teelt in rotatie

De belangrijkste reden om voederbieten te telen is dat de opbrengst en de voederwaarde goed is. Dat zorgt ervoor dat de voederbiet hoog scoort als het gaat om voederwaardeopbrengst per ha. “Deze is gemiddeld net iets beter in vergelijking met een combiteelt gras en maïs. Voederbieten zijn bovendien heel smakelijk voor de koe”, legt Schellekens uit.

Voederbieten hebben door het feit dat ze diep wortelen en een knolgewas zijn – ze doorbreken het patroon van de andere gewassen – een positief effect op de volgteelt. Ze passen perfect in een goede rotatie.

Lang groeiseizoen

Een andere eigenschap van voederbieten is het lange groeiseizoen. Dat heeft zijn voordelen bij extreme jaren, zeker bij lange droge omstandigheden. “Tot half november kan de teelt ontwikkelen. Er zijn zelfs boeren die zeggen dat ze in december kunnen oogsten. Dat is natuurlijk afhankelijk van weer- en bodemomstandigheden in het najaar.”

Een lang groeiseizoen betekent ook dat de teelt qua nitraatresidu goed scoort. Positief is het feit dat de plant veel stikstof in de bladeren opslaat. “Dat betekent dat de bieten zelden te veel stikstof in het bodemprofiel achterlaten. Je moet wel rekening houden met de stikstof in het blad als je dit het volgende jaar onderwerkt”, waarschuwt ze.

Het jaar van de teelt zelf is het residu dus laag. “Dat maakt dat de bemestingsnorm navenant is: derogatie kan en mag, maar de dierlijke mest die je mag brengen is wel beperkt. Je mag 200 eenheden brengen, wat hoger is dan 170. In totaal mag er op zand- gronden 235 kg/ha werkzame stikstof gegeven worden (in gebiedstype 0 en 1).”

Aandachtspunten

Bij de voederbietenteelt zijn er wel enkele aandachtspunten. Zo moet je zorgen voor een goede boorbemesting om hartrot te voorkomen. “Laat je daarvoor dus adviseren”, raadt Schellekens aan. Deze bemesting lukt met vloeibare meststof, maar ook via korrelmeststof is het mogelijk. Rhizoctonia is jarenlang wel een probleem geweest. In de periode 2000-2010 zijn er heel wat landbouwers gestopt met voederbieten te telen omdat hun bieten waren aangetast. Nu zijn er rhizoctonia tolerante rassen op de markt, wat een oplossing is als je ze wil telen. Op percelen waar veel maïs en gras wordt geteeld, is het risico op een aantasting met rhizoctonia reëel. Op deze percelen zijn tolerante rassen sterk aan te bevelen. Naast rassenkeuze is het ook aan te raden om voor de bieten graan met bv bladrammenas als groenbedekker te telen. Daarnaast is het van belang om aandacht te besteden aan bodemstructuur, bemesting, pH, … om problemen met rhizoctonia te voorkomen.

Verder moet men rekening houden met een beperkte inpassing in het rantsoen. “Te veel bieten geeft te veel suiker in het rantsoen en is nefast naar pensverzuring toe”, legt Schellekens uit.

Ten slotte is de opslag en bewaring niet gemakkelijk. “Het is niet zoals bij maïs met een inkuilproces. Als je ze vers bewaart, moet je ze eerst voldoende laten drogen en bij vorst moet je ze afdekken met een doorlatend doek.” Inkuilen kan ook, maar moet samen met een mengpartner zoals perspulp.

Iets hogere kostprijs

De kosten van de teelt zijn eerder aan de hoge kant. Dat is volgens Schellekens te wijten aan de gewasbescherming. “Houd de kosten van je teelt dus zeker goed bij, maar erop besparen is zeker geen goed idee.” Vooral de onkruidbestrijding kost veel. In het begin van het seizoen moet je bijna wekelijks behandelen. Ook de plagen vormen terug een aandachtspunt.. “Doordat onder andere Gaucho verdween, is de bescherming van de jonge planteninsecten weggevallen en zijn we terug aangewezen op een volleveldse bespuiting. Zeker bladluizen, met het risico op virusoverdracht, vragen opvolging. In de nazomer bestaat de kans op schimmelziekten, iets wat we meer en meer zien door de warmere zomers.”

Het is dus nodig om de teelt goed op te volgen. Daarom werd de dienst Waarnemingen en Waarschuwingen Voederbieten opgestart in 2020, waarbij 2 locaties werden opgevolgd. “Ondertussen is er financiering vrijgekomen vanuit de Vlaamse overheid en kunnen we in 2021 uitbreiden naar 10 locaties”, klinkt het. Dat netwerk loopt in samenwerking met het KBIVB. Waarnemers volgen een specifiek protocol om plagen en ziekten te checken in het veld. In het begin kijken ze vooral naar de aanwezige insecten en natuurlijke vijanden, later naar bladziekten. Op basis van de waarnemingen wordt er een advies uitgeschreven op basis van de geldende schadedrempel. Die resultaten vind je terug op de site van het KBIVB en de facebookgroep ‘Voederbietenboeren’.

Mechanisatie, heikel punt?

De mechanisatie wordt vaak beschouwd als een heikel punt. Veel boeren vinden de teelt te veel werk. Schellekens ziet dit echter niet meer als een obstakel. “Met de huidige schaalgrootte en de mogelijkheden van loonwerk lijkt de mechanisatie geen punt meer”, legt ze uit. Momenteel zijn heel wat boeren aan de slag gegaan met versnijden en inkuilen. Dit vergemakkelijkt het vervoederen en maakt het mogelijk jaarrond voederbieten te voederen, waardoor je het bedrijfsareaal in principe kan verdubbelen. Er zijn verschillende combinaties mogelijk in het rantsoen, waar Hogeschool Gent, het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en voedingsonderzoek (ILVO) en de Hooibeekhoeve al langere tijd onderzoek naar deden. “Meest voorkomend is met perspulp, maar er zijn ook positieve ervaringen met droge pulp, spelt(kaf), sojahullen… Er zijn zelfs boeren die positief zijn over hele bieten in te kuilen met gras. Inkuilen samen met maïs was voorheen het meest gebruikelijke, maar door je bieten samen te oogsten met maïs verlies je veel groeidagen en dus opbrengst.”

Meer informatie rond voederbieten kan men altijd raadplegen op de Facebookgroep ‘’Voederbietenboeren’. “Hier posten we onze resultaten van proeven, maar kunnen boeren onder elkaar en met ons communiceren over hun ervaringen. Al meer dan 1.000 boeren in Vlaanderen en Nederland hebben we bereikt, en de discussies zijn interessant.”

Voor de teeltfiche kan je terecht op de site van LCV (www.lcvvzw.be), en men kan er ook de brochure ‘Voe derbieten: Teelt, mechanisatie en mengkuilen: een update’ raadplegen.

Marlies Vleugels

Meest recent

Meest recent