Problemen rond de lammering bij de ooi: beter voorkomen dan genezen

Ooien die een prolaps krijgen net voor of na het lammeren kunnen beter niet meer drachtig worden.
Ooien die een prolaps krijgen net voor of na het lammeren kunnen beter niet meer drachtig worden. - Foto: Marjolein Brack

Na de verlossing is nauwe opvolging van zowel de lammeren als de ooi een must. Veel van de onderstaande (metabole) complicaties vinden een oorsprong in het rantsoen.

Melkziekte

Hypocalcemie, beter bekend als melkziekte, is een tekort aan calcium in het bloed. Die metabole aandoening staat vooral bekend bij melkvee, maar kan zeker ook een probleem vormen bij onze hoogdrachtige kleine herkauwers. Het verschil bestaat eruit dat melkziekte bij koeien voorkomt na het kalven, terwijl het bij ooien meestal vóór het lammeren zal zijn. Calciumverbindingen vormen de basis van beenderen, waardoor bijna al het calcium in het lichaam zich in de botten bevindt. Deze poel is dynamisch: bij een tekort aan calcium in het bloed zal er een beroep gedaan worden op deze reserve. Tijdens het einde van de dracht zullen de lammeren meer calcium vragen door de botmineralisatie.

Oorzaken van melkziekte liggen meestal bij het rantsoen en de eetlust. Typisch wordt dit gezien bij het opstallen wanneer er geen gras meer gegeten wordt. Daarnaast zullen alle andere zaken die zorgen voor een verminderde voederopname ook een rol spelen. Dat kan door een rantsoenwisseling, veranderen van groep, stress, ziekte… Er liggen dus meerdere zaken aan de basis en combinaties zijn mogelijk.

De hoeveelheid ooien met melkziekte binnen een kudde kan variëren van één enkel geval tot meerdere ooien. De dieren zullen in veel gevallen niet meer kunnen rechtstaan en weinig tot bijna niets eten. Ze geven een suffe indruk, zijn sloom en niet alert. Het geven van calcium in vloeistofvorm is een efficiënte manier om een ooi er snel bovenop te helpen. De dierenarts kan calcium onder de huid geven of in het bloed. De subcutane manier geeft het calcium trager vrij, terwijl de intraveneuze manier sneller werkt, maar dat houdt ook risico’s in. Bij te snelle calciumgift ontstaat er een hartritmestoornis, waardoor het dier kan sterven. Verscheidene voedingssupplementen bevatten calcium en worden oraal gegeven, wat meteen ook veiliger is. Wanneer er in die orale supplementen nog een goed opneembare vorm van glucose zit, zijn dat 2 vliegen in één klap. Naast calcium is fosfor ook belangrijk. Naar schatting zou een drachtige ooi rond de 6 weken voor de lammering ongeveer de dubbele hoeveelheid fosfor en driedubbele hoeveelheid calcium nodig hebben in vergelijking met een niet-drachtige ooi. Het belang van een goed uitgebalanceerd rantsoen is hier duidelijk aangewezen. Ook het hebben van voldoende eetplaatsen is bepalend, want zo zullen de minder assertieve ooien in de kudde ook de kans krijgen om goed te eten. Dat geldt zowel voor ruw- als krachtvoer.

Drachtigheidstoxemie

Slepende melkziekte kan acuut optreden, maar kent ook een chronisch, sluimerend verloop. Bij een acuut suikertekort gaan de dieren snel achteruit: ze worden comateus of gaan symptomen vertonen die gerelateerd zijn aan het centraal zenuwstelsel. Dat komt doordat glucose de enige energievoorziening is voor de hersenen. Bij een tekort kunnen ze dus vreemd gedrag vertonen. Zo lopen ze wankel, reageren geëxciteerd, kunnen omhoog kijken (sterren kijken) of zijn plots blind. Bij een traag verloop zullen er veel vagere symptomen optreden zoals weinig eetlust, sloom zijn, veel neerliggen…

Die metabole aandoening lijkt qua symptomen sterk op hypocalcemie, maar hier zal het een energietekort zijn dat aan de basis ligt. Op het eerste zicht is een onderscheid tussen beide moeilijk. Om 100% uitsluitsel te geven zal het bloed van de ooi gecontroleerd moeten worden met een bloedmachine. De dierenarts zal meteen kunnen zeggen of het over calcium of suiker gaat. Beide tekorten zijn niet los van elkaar te koppelen. Door een energietekort zal de ooi minder eten, waardoor een tekort aan calcium een gevolg kan zijn. Dit werkt in beide richtingen.

Aangezien schapen herkauwen, zal oraal toegediende glucose worden gefermenteerd door de pensbacteriën en kan het niet opgenomen worden in de dunne darm. Glucose moet zelf aangemaakt worden vanuit de lever, vetreserves of spieren. De vraag naar energie (in de vorm van glucose) verhoogt sterk naarmate de dracht vordert en voornamelijk de laatste 4 tot 6 weken voor de partus. Uit onderzoek is gebleken dat de autonome aanmaak van glucose bij drachtige ooien niet wordt opgedreven in vergelijking met niet-drachtige ooien, terwijl de foetussen wel veel energie vragen. Daardoor hebben drachtige ooien een relatief tekort aan energie. Omdat de pens minder ruimte zal hebben door de toenemende grootte van de lammeren zal de ooi minder voeder kunnen opnemen. Bij stress of koude temperaturen eten dieren minder en ooien met meerdere lammeren hebben ook een groter risico. Het lichaam zal een beroep doen op de verschillende reserves om dat tekort te compenseren. Een niet-drachtige ooi moet een BCS (Body Condition Score) van 3/5 hebben. Tegen het einde van de dracht zou die waarde 3 of 3,5 op 5 moeten zijn. Drachtigheidstoxemie zal vaker voorkomen bij te vette ooien, maar ook bij te magere. Te veel vet zal meer vrije vetzuren genereren bij vetafbraak en te magere dieren hebben weinig reserves.

Bij vetafbraak komt glycerol vrij en dat is een precursor voor glucose. Glycerol splitst af van vrije vetzuren, die op hun beurt verwerkt worden in de lever. Daaruit worden ketonen gemaakt, maar die kunnen schadelijk zijn voor het lichaam. Onder normale omstandigheden komen er lage hoeveelheden ketonen voor in het bloed. Bij te veel ketonen zal de lever dat niet kunnen verwerken, waardoor er een ophoping ontstaat. Bij drachtigheidstoxemie zullen er nog extra ketonen worden geproduceerd door de lever. Dat zorgt voor een zogenaamde ketonemie en een verzuring van het bloed.

Het belangrijkste is preventie en dat start al vanaf het begin van de dracht. De ooien mogen niet te vet worden. Het helpt als ze worden onderverdeeld in groepen, waarbij er een onderscheid wordt gemaakt tussen eenlingen of meerlingen. Zo kunnen ze gevoederd worden naar behoefte. Curatief wordt een ooi behandeld met een glucose-infuus en propyleenglycol per oraal gedurende de eerstvolgende dagen.

Prolaps

Een aantal dagen voor het lammeren kan het zijn dat de ooi een grotere persdrang heeft door de naderende partus. Dat kan een lastig gevolg te hebben. Een vaginaprolaps is een uitstulping van de mucosa van de vagina waarbij eventueel de cervix (baarmoederhals) betrokken kan zijn. Een vaginaprolaps heeft 3 graden: bij graad 1 zal er enkel een uitpuiling zijn van het slijmvlies wanneer de ooi neerligt. Het verdwijnt wanneer ze rechtstaat en vormt eigenlijk weinig problemen. Bij graad 2 zien we hetzelfde soort uitstulping, maar ook wanneer ze neerligt. Tot slot zal er bij graad 3 een uitpuiling zijn van de cervix, waardoor de prolaps op zich ook groter is. Daarbij puilt het weefsel zo uit dat het niet meer zal wegtrekken wanneer de ooi gaat neerliggen.

Het gemakkelijkste om dat te verhelpen is het inbrengen van een soort van plastic lepel in de vulva. Een harnasje aanbrengen bij het schaap kan ook: dat zorgt voor tegendruk van buitenaf, waardoor het weefsel inwendig blijft. Belangrijk is wel dat de slijmvliezen goed proper worden gemaakt met lauw water en eventueel ontsmettende zeep. Zeeprestjes die achterblijven moeten absoluut vermeden worden. Bij een graad 3 kan het handig zijn om de vulvalippen bij elkaar te houden door het bevestigen van grote spelden. Die kan je verbinden met elkaar door een strokoordje in een 8-vorm rond de spelden te verbinden. Een Bühnerhechting of een beursnaad is een optie bij ergere gevallen.

Meteen na het lammeren kan de ooi een baarmoederprolaps krijgen. Daarbij zal de volledige baarmoeder binnenstebuiten uitstulpen. Dat is een veel acuter probleem en moet met spoed verholpen worden. Soms kunnen er bloedingen of scheuren ontstaan. De baarmoeder moet zo snel mogelijk teruggeplaatst worden op een propere manier én met veel glijmiddel of vaseline. Bij het reponeren kan een epidurale anesthesie nodig zijn. De eventuele scheurtjes en bloedingen moeten eerst dichtgehecht worden. Wanneer de baarmoeder terug op de juiste plaats zit, zal er (zoals hierboven beschreven) gewerkt worden met een Bühnerhechting, een beursnaad of spelden. Een behandeling met ontstekingsremmers, pijnstilling en antibiotica is aangeraden. Aan de basis van een prolaps ligt vaak een genetische oorsprong. Ooien die een prolaps krijgen net voor of na het lammeren kunnen beter niet meer drachtig worden.

Uierontsteking

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen klinische en subklinische mastitis. Bij een acute klinische uierontsteking kunnen de symptomen variëren: hoge koorts (41°C), afzonderen van de groep, weinig eetlust, manken, vaker neerliggen… De uier is meestal pijnlijk, warm en kan een paarse kleur krijgen. De melk heeft soms een afwijkende kleur of samenstelling, bijvoorbeeld gelig met brokjes. Een snelle behandeling is dan aangeraden. Een chronische mastitis is moeilijker te diagnosticeren, omdat er geen (duidelijke) symptomen zijn. Ondanks het minder erge verloop zullen deze ooien amper herstellen en is het beter om ze op te ruimen. Zwoegerziekte is een virale infectie in de kudde die naast longaantasting een vleesuier kan geven. Dat is een voorbeeld van een chronische mastitis. Wanneer de oorsprong van de mastitis bacterieel is, is een antibioticakuur nodig. Uitmelken en het isoleren van de ooi is belangrijk. Bij een niet-infectieuze oorzaak zal het primair probleem opgelost moeten worden, bijvoorbeeld een wonde aan de speen. Hygiëne in de aflammerhokjes is een cruciaal gegeven. Bij mastitis, vooral bij chronische uierontsteking, is er vaak een genetische component die meespeelt. Het is belangrijk dat in het achterhoofd te houden bij het fokken.

Rond het lammeren is er een verhoogde kans op uierontsteking omwille van 3 redenen. Allereerst is de uier gevoeliger voor kiemen, omdat de slotgaten van de spenen openen door druk van binnenuit. Deze druk ontstaat door de aanmaak van biestmelk. Daarnaast zullen de ooien op stal komen rond het lammeren waar de infectiedruk en de relatieve vochtigheid hoger is. In de late dracht is de afweer van de ooi verminderd, waardoor ze gevoeliger is voor infecties.

Marjolein Brack, UGent

Meest recent

Meest recent