Meer rassen en meer gewassen maken landbouw klimaatrobuuster

Rassenonderzoek en onderzoek naar nieuwe gewassen zijn complementair.
Rassenonderzoek en onderzoek naar nieuwe gewassen zijn complementair. - Foto: LBL

D e roep om het landbouwbedrijf klimaatrobuuster te maken, klinkt elk jaar luider. Door in te zetten op innovatie, zoals efficiënte irrigatie, en zorg te dragen voor de bodem kom je al ver. De keuze voor een sterk gewas hoort ook bij die strategie. De keuze voor klimaatrobuuste rassen is dan slim.

Aan het ILVO hebben ze dat dan ook begrepen: heel wat onderzoekers zetten zich in voor de veredeling van bestaande gewassen en voor het onderzoek naar nieuwe gewassen. Landbouwleven vroeg aan onderzoekers Hilde Muylle, Joke Pannecoucque, Gerda Cnops, Jana Baeyens en Greet Tavernier wat het belang van klimaatrobuuste rassen was en wat de stand van zaken was in het onderzoek.

ILVO onderzoekster Hilde Muylle: “Een klimaatrobuust gewas is een gewas dat kan omgaan met het wijzigend klimaat. Het wijzigend klimaat resulteert in extreme situaties die niet voorspelbaar zijn, zoals een droog voorjaar dat de uitzaai bemoeilijkt, droogte in de zomer of het najaar dat de afrijping versnelt, extreme regenval, hitte tijdens de bloei die zaadzetting bemoeilijkt, enzovoort. Een klimaatrobuust gewas is een gewas dat vroeg kan uitgezaaid worden, dat kan omgaan met droogte door bijvoorbeeld diepere beworteling of een dormantie kan ingaan als het te droog is, of dat kan omgaan met hitte …” Ook het omgekeerde is mogelijk: Zo kan er nood zijn om vroeger te zaaien wegens grotere kans op droogte in de lente en zomer. Vorsttolerantie bij vroege zaai is dan belangrijk.

Rassenonderzoek en onderzoek naar nieuwe gewassen complementair

Een klimaatrobuust gewas kan voortkomen uit jaren rassenonderzoek bij een bestaand gewas, maar ook nieuwe gewassen kunnen geïntroduceerd worden. Onderzoekster Jana Baeyens geeft aan dat het ene niet belangrijker is dan het andere. “Onderzoek naar nieuwe gewassen zorgt voor meer diversiteit op de akkers: grotere diversiteit maakt de landbouw robuuster. Tevens kan de landbouwer aan risicospreiding doen: valt de opbrengst van het ene gewas tegen ten gevolge van bijvoorbeeld een extreem droog voorjaar, dan brengt een andere teelt hopelijk beter op. Anderzijds is rassenonderzoek van belang om binnen één gewas te kijken naar rassen die in onze regio’s beter bestand zijn tegen ziektes, plagen en het veranderend klimaat, maar die toch een goede opbrengst opleveren.”

Onderzoekster Joke Pannecoucque staat Baeyens hierin bij. Verschillende gewassen telen, biedt immers meerdere voordelen: "Dit biedt voordelen op rotationeel vlak en zorgt voor een betere beheersing van ziekten, plagen en onkruiddruk. De spreiding van het financiële risico is voor de boer ook van belang. Welke gewassen je als landbouwer teelt, wordt mee bepaald door de (financiële) opbrengst van een bepaald gewas (dit kan gemaximaliseerd worden door het juiste ras te kiezen) en dit steeds in vergelijking met de opbrengst van andere gewassen.” Pannecoucque, die onderzoek doet naar sojateelt, vertelt dat het zeer nuttig is om ‘nieuwe’ teelten te verkennen. “Er zijn wel wat nieuwe teelten die mogelijks door de klimaatverandering nu goed groeien in onze regio, maar het is eveneens belangrijk om de gewassen die de huidige Belgische landbouw typeren, te verbeteren. Via veredeling gaan we op zoek naar rassen die beter aangepast zijn aan het wijzigende klimaat.”

Meer diversiteit aan gewassen, niet evident

Op dit moment is de diversiteit van gewassen op de akkers eerder beperkt. Het landbouwareaal wordt voornamelijk ingenomen door grasland (42%), voedermaïs (13%), wintertarwe (13%), aardappelen (7%), suikerbieten (4%) en korrelmaïs (4%). Het is van belang om meer variatie in de gewassen te brengen. Diversiteit verlaagt de ziekte-, plaag- en onkruiddruk én zorgt op lange termijn voor verhoogde opbrengsten. Het is niet eenvoudig voor een landbouwer om zomaar over te schakelen op een andere teelt: er moet een afzetmarkt zijn, de verschillende schakels in de keten moeten aanwezig zijn en het totaalplaatje moet rendabel zijn. “Waar landbouwers met hun tarwe of maïs gemakkelijk wegraken, moeten ze voor een nieuwe teelt heel wat meer moeite doen en kosten maken. Door de kleine volumes lopen de kosten per kg makkelijker op. Die extra werkuren en kosten moeten ook doorgerekend kunnen worden naar de afnemer, maar die is niet altijd bereid om deze meerprijs te betalen”, aldus Baeyens.

Gerda Cnops voegt hieraan toe dat ook het teeltsysteem belangrijk is in klimaatrobuuste landbouw. “Durven veranderen of vernieuwen kan een deel van de oplossing zijn. Zo kan je beslissen om vlinderbloemigen in de rotatie te zetten, of kiezen voor systemen waarbij meer nadruk ligt op de gezonde bodem(structuur) die ook invloed heeft op de plantengroei/opbrengst onder extreme weersomstandigheden.”

Naar een maximaal potentieel voor eiwitgewassen

Het areaal aan nieuwe gewassen is in Vlaanderen nog best beperkt te noemen. Het areaal van soja zou tussen de 70 en 80 ha liggen. Ook quinoa is in opmars. Onderzoeker Greet Tavernier: “Het totale areaal quinoa in 2020 in Vlaanderen bedroeg 31,8 ha. Dit is nog een beperkt areaal, gezien de ketenafzet op dit moment niet afgestemd is op deze kleine afzet.” Het areaal quinoa was kleiner dan de jaren voordien: Normaal lig er zo’n 50 ha aan in Vlaanderen, en dat zal nog wel groeien. In Wallonië werd in 2020 100 ha quinoa geteeld. Daar is de afzetmarkt beter georganiseerd.

Er zijn heel wat aspecten die in rekening gebracht moeten worden om het potentieel van eiwitgewassen te bepalen: opbrengst en ziekte- en plaaggevoeligheid in onze regio’s, beschikbaarheid van zaaizaad, prijs op de wereldmarkt, vraag van de afzetmarkt, kosten aan de teelt … Voor heel wat eiwitgewassen is het onderzoek naar de rendabiliteit nog aan de gang. Voornamelijk voor voedingsgewassen kan een goede prijs gevraagd worden en bestaat er een publiek die een meerprijs wenst te bepalen voor lokaal geproduceerd voedsel.

Er zijn heel wat aspecten die in rekening gebracht moeten worden om het potentieel van eiwitgewassen te bepalen.
Er zijn heel wat aspecten die in rekening gebracht moeten worden om het potentieel van eiwitgewassen te bepalen. - Foto: LBL

De keten moet mee!

Ook andere nieuwe gewassen tonen potentieel, maar staan nog in hun kinderschoenen. Muylle merkt bijvoorbeeld een lokale interesse in specifieke granen of pseudogranen, zoals boekweit en brouwgerst. “Er is interesse, maar de tonnages zijn beperkt, waardoor de naoogstverwerking moeilijk verloopt”, vertelt ze. “Er is ook heel wat activiteit rond gewassen die passen in de bio-economie, en rond de transitie van fossielgebaseerde naar biogebaseerde grondstoffen. Denk aan vezelhoudende of houtige gewassen zoals hennep of miscanthus, oliehoudende gewassen zoals deder, oliepompoenen of gewassen met heel specifieke inhoudsstoffen zoals goudsbloem.”

Het is duidelijk dat bij welke hoeveelheid ook, bij nieuwe gewassen een hele keten opgezet moet worden voor het welslagen voor een nieuwe teelt. Cnops: “De landbouwer mag niet alleen staan. Naoogstverwerking en ketenwerking zijn belangrijk voor de landbouwer om nieuwe gewassen op de markt te kunnen brengen. Dit alles is noodzakelijk voor het rendabel maken van nieuwe gewassen.”

Landbouwer vraagt ernaar

De ILVO-onderzoekers merken dat ook de landbouwers vragende partij zijn voor klimaatrobuuste rassen. Pannecoucque: “Landbouwers zijn op zoek naar gewassen/rassen die het onder extremere weersomstandigheden toch goed doen. De moderne landbouwers informeren zich goed over welke rassen geschikt zijn voor hun bedrijf. Objectieve rassenlijsten zoals die van ILVO kunnen hen hier bij helpen ( https://rassenlijst.ilvo.vlaanderen.be/nl/ ). Daarnaast is er ook een grote invloed van de lokale zaadhandelaar.”

De onderzoekers merken bovendien op dat de landbouwer ervaringen probeert op te doen, en dat die voor beslissingen wikt en weegt. Ze geven echter aan dat resultaten voor een goede landbouwpraktijk tijd vraagt. De performantie van nieuwe gewassen wordt onderzocht, maar de kennis die beschikbaar is in gangbare gewassen, bouw je niet zomaar op in enkele jaren met nieuwe gewassen. Er zijn interessante bevindinge,n maar deze moeten ook bevestigd worden in de praktijk. Tavernier: “Bij nieuwe teelten zijn er nog knelpunten die we binnen het ILVO en samen met andere onderzoeksinstellingen via projecten proberen aan te pakken. Landbouwers die overtuigd zijn van het potentieel van een bepaalde teelt, gaan samen met collega-telers op zoek naar hun eigen afzetmarkt. Hier kruipt wel veel energie in en het vraagt doorzettingsvermogen.”

Welslagen afhankelijk van teelttechniek en bodem

Het succes van een teelt hangt echter niet enkel af van de gewas- of rassenkeuze alleen. Goede teeltpraktijken en een gezonde bodem zorgen voor gezonde gewassen die beter om kunnen gaan met stress, maar het gewas kan nog steeds bezwijken onder een te veel aan stress door bijvoorbeeld extreme droogte. Dan zal een ras dat meer klimaatrobuust is een voordeel genieten.

Dat plantengroei verbeterd kan worden door goede bodemzorg en goede teelttechniek, wordt zeker duidelijk als men kijkt naar de maïsteelt. Maïsteelt in monocultuur wordt almaar gevoeliger aan schommelingen aan externe factoren. “Door de achteruitgang van de bodemkwaliteit– een verlaging van het organische stofgehalte en degradatie van de bodemstructuur –worden extremen minder goed gebufferd. De veerkracht van de bodem en van de planten die er groeien neemt af, waardoor schommelingen in opbrengst toenemen. Dit konden we illustreren met 2 maïsproeven (zie kader).”

Marlies Vleugels

Bodemkwaliteit, naast rassenkeuze één van de belangrijkste factoren naar opbrengst toe

Twee maïsproeven lagen ongeveer een 2-tal km van elkaar verwijderd. Beide percelen werden identiek bewerkt; alle bewerkingen werden met dezelfde machines uitgevoerd en op dezelfde dag (ploegen 22/04/2019, klaarleggen en zaaien 23/04/2019). Beide proeven kregen een bemesting van 140 eenheden N per ha. De hittegolf tijdens de zomer van 2019 kende een piek op 25 juli, waarbij overal in België recordtemperaturen werden geregistreerd. In Merelbeke liep de temperatuur op tot 39,7°C.

De combinatie van extreem hoge temperaturen en een hoge zonne-instraling resulteerde op het ene perceel in een verbranding van de bladmassa die voor bepaalde rassen opliep tot meer dan 50% (foto 1). Op het andere perceel werd geen bladverbranding waargenomen (foto 2).

Foto 1. Maïsplanten op ILVO-proefvelden (zomer 2019): maïs vertoont sterke bladverbranding, ras 1 is sterker verbrand dan ras 2.

Foto 2. Maïsplanten op ILVO-proefvelden (zomer 2019): groene maïsplanten, geen bladverbranding aanwezig.

Hoe kan dit?

Invloed van teelttechnische handelingen en weersomstandigheden zijn uitgesloten, aangezien deze identiek waren op beide locaties. Invloed van genetica/ras? Beide proeven waren rassenproeven. Rasverschillen werden waargenomen, waarbij duidelijk werd dat bepaalde rassen gevoeliger zijn voor bladverbranding dan andere rassen. Rasverschillen waren echter niet de oorzaak van de verschillen tussen de locaties. De enige verklarende factor was de bodemkwaliteit. Op het perceel waar de maïs geen bladverbranding vertoonde, bedroeg het organisch koolstofgehalte 1,5%. Het perceel waar de maïs wel verbrandde, heeft een organisch koolstofgehalte van 1,1%.

Onze hypothese is dat het hogere organisch koolstofgehalte en het bijhorende hogere water bufferend vermogen van de bodem ervoor gezorgd heeft dat de maïs afgebeeld op de rechtse foto niet verbrandde, terwijl het water bufferende vermogen van de bodem met het lagere organisch koolstofgehalte onvoldoende was en aan de basis lag van heel wat bladverbranding van de maïs afgebeeld op de linkse foto, en bijgevolg ook van opbrengstverliezen.

ILVO

Meest recent

Meest recent