Bij late zaai van een vanggewas groeit snelle lente rogge nog het best!

Snelle lente rogge – hier speciaal ingezaaid voor de Werktuigendagen – biedt nog tot eind oktober mogelijkheden als vanggewas.
Snelle lente rogge – hier speciaal ingezaaid voor de Werktuigendagen – biedt nog tot eind oktober mogelijkheden als vanggewas. - Foto: AV

De afrijping van de maïs verliep dit seizoen trager dan de voorbije jaren. Op vele plaatsen werd de maïs ook redelijk laat gezaaid. “Bij diegenen die dan vroege maïsrassen zaaiden, kwam het nog goed. Een heleboel maïs zal echter niet voldoende rijp worden, omdat er late rassen werden gezaaid, terwijl de landbouwer in de veronderstelling was dat hij vroege rassen had gekozen”, stelt Jan Bakker.

Echt vroege rassen

Bakker hekelt de manier waarop omgegaan wordt met de FAO-waarden. FAO classificeert de vroegrijpheid van een maïsras op basis van de rijpheid korrel. Een vroeg ras heeft een lage FAO. Latere rassen hebben meer groeidagen en zonuren nodig. “Met een échte FAO230 bijvoorbeeld, kun je op normaal gangbare maïspercelen nog zaaien tot de eerste week van mei. Maar soms is het geen échte FAO230, maar eigenlijk een FAO260, omdat het ras foutief werd beproefd en beoordeeld.”

Jan Bakker vindt dat iedereen door de proefveldwerking een klaar beeld moet krijgen van wat de werkelijke vroegrijpheid en de werkelijke opbrengstpotentie van een ras is. “Dit betekent dat je tussen 20 april en 1 mei alle proefvelden moet zaaien en voor de uiterste datum van inzaai van de vanggewassen moet kunnen oogsten. Normaal is dit dus voor 15 oktober, dit jaar werd die periode uitzonderlijk verlengd tot 31 oktober. Deze data moeten ook bij proefveldwerking gerespecteerd worden, anders produceer je cijfers waar een landbouwer niets aan heeft. En een vanggewas zaaien op 31 oktober heeft ook niet veel waarde meer als werkelijk vanggewas.

Als de boer een klaar beeld heeft op de vroegrijpheid, dan kan hij kiezen. Kiest hij een FAO210, dan neemt hij zelf het risico. Als hij echter een vroegrijp ras neemt dat in werkelijkheid een laat ras is, dan heeft hij een probleem. De boer heeft een goede basis nodig om juiste keuzes te kunnen maken. Dat is een verantwoordelijkheid van de kweekbedrijven én de onderzoeksinstellingen.”

Enkel als de boer een klaar beeld heeft op de vroegrijpheid van de maïsrassen, kan hij correct kiezen , stelt Jan Bakker.
Enkel als de boer een klaar beeld heeft op de vroegrijpheid van de maïsrassen, kan hij correct kiezen , stelt Jan Bakker. - Foto: AV

Vanggewas of groenvoedergewas?

Volgens Jan Bakker kost een vanggewas geld en brengt een groenvoedergewas geld op. “Voor beide heb je een goede wortelontwikkeling nodig om de nutriënten die nog in de bodem zitten te vangen voor de ontwikkeling van de plant. Bij alleen een vanggewas resulteert dit in een gewas dat je zal omploegen. Een gecombineerd vanggewas/groenvoedergewas ga je nog oogsten, en dan wil je natuurlijk voldoende opbrengst hebben. Daar is stikstof voor nodig, want zonder dat heb je geen eiwit.”

Jan Bakker: “Dit jaar kon je vaak met gras slechts 1.200 à 1.300 kg eiwit/ha realiseren. We misten dit jaar immers de eerste snede. Bovendien was het eiwitgehalte laag (11-13%). In een gewoon jaar haal je 1.600 kg/ha. De teelt van gras kost evenveel als van maïs. Het gras levert nog zo’n 600 à 700 kg suiker en ruwe celstof. Dat is een lage productiewaarde, terwijl je al snel 2.000 euro/ha spendeert. Dat is een dure kostprijs per kilo eiwit. Bij maïs kun je gemiddeld 1.400 kg eiwit/ha behalen, maar je hebt ook 8.000 kg/ha zetmeelproductie. De kostprijs per kg voederwaarde is daardoor verhoudingsgewijs veel beter.”

Kiezen voor snelle lente rogge

Na maïs kun je nog kiezen voor snelle lente rogge (SLR). “Dan kun je nog 600 tot 900 kg eiwit realiseren bij de oogst tussen 15 en 20 april. Tezamen met de maïs betekent dit ongeveer 2.000 kg eiwit/ha.” Bakker stelt wel dat je om dit potentieel te realiseren nog zo’n 320 kg N nodig hebt. “De landbouwpolitiek houdt daar echter geen rekening mee. Met maïs en daarna een vanggewas als SLR heb je nochtans quasi geen uitspoeling.”

In vergelijking met andere gewassen groeit SLR nog het beste bij lage temperaturen. “Het is dus nu – met het uitstel van inzaai tot eind oktober – nog de beste invulling. Bovendien kan het, zoals aangehaald, tijdig (rond half april) geoogst worden. Zo kan de maïszaai nog tijdig volgen. Gras kan dikwijls pas begin mei geoogst worden en dat is laat voor maïs als volgteelt. SLR is dus ook daarmee een betere keuze”, besluit hij.

Anne Vandenbosch

Meest recent

Meest recent