Robuuste landbouw in Vlaanderen heeft nood aan creatiever beleid

Bioboer Bavo Verwimp pleit voor meer aandacht voor ‘landbouwers in bijberoep’.
Bioboer Bavo Verwimp pleit voor meer aandacht voor ‘landbouwers in bijberoep’. - Foto: BV

Bioboer Bavo Verwimp uit Noorderwijk, vlakbij Herentals, is 50% bioboer en combineert De Kijfelaar omwille van private redenen met een halftijdse job als landbouweconoom. Hij is overtuigd van de meerwaarde die een ‘landbouwer in bijberoep’ kan betekenen.

Gemengd biobedrijf

In 2008 nam Bavo Verwimp De Kijfelaar zelf over van zijn ouders. “Om de evolutie naar een meer milieuvriendelijke productie mogelijk te maken, werd ervoor gekozen om het roer om te gooien. De keuze voor biolandbouw maakt het mogelijk om de zorg voor mens en natuur ook om te zetten naar een economisch haalbaar verhaal.” Dat gebeurt onder meer via de verkoop in de hoevewinkel, via de webwinkel en andere kanalen, zoals voedselteams.

Niet alleen de manier van produceren werd veranderd, maar vooral ook de manier van verkopen. Sinds 2008 wordt haast uitsluitend rechtstreeks aan de consument verkocht of aan andere boeren. Zo evolueerde De Kijfelaar van een familiale onderneming naar een coöperatief samenwerkingsverband. Naast de klassieke akkerbouwteelten, zoals zomergerst, triticale en aardappelen, wordt alsmaar meer ingezet op groenten.

Daarnaast is er ook de veeteelt, met een 35-tal runderen van het ras Blonde d’Acquitaine en een 50-tal kippen. “Dat is heel wat minder dan pakweg 20 jaar geleden”, stelt Bavo. “De veehouderij staat in Vlaanderen sterk onder druk. Er is naast het mestprobleem, dat helemaal nog niet is opgelost, ook het probleem van de broeikasgassen met de uitstoot van methaan en de hele stikstofproblematiek. Daarnaast wordt nog altijd massaal soja van overzee ingevoerd.” Verder zet De Kijfelaar al jaren in op agrarisch natuurbeheer en groene zorg.

Blauwdruk uitgangspunt

Naast zijn halftijdse job als landbouw-econoom is Bavo Verwimp dus 50% bioboer. Dat is een ander verdienmodel dan wat vele decennia gangbaar én nog altijd de norm is in de Vlaamse land- en tuinbouw. “In de jaren 70 en 80 van vorige eeuw werd het concept van het ‘leefbaar bedrijf’ op de kaart gezet”, stelt Bavo.

Wat hij daarmee precies bedoelt? “Er werden standaarden uitgezet van bijvoorbeeld 60 melkkoeien per bedrijf of 100 zeugen met het afmesten van de vleesvarkens. Zo werd een blauwdruk gezet voor het klassieke gezinsbedrijf, dat gerund moest worden door een man, ondersteund door zijn ‘meewerkende echtgenote’.”

Die blauwdruk was de basis van de uitbouw van het succesvolle, maar tegen limieten aanbotsende landbouwmodel in Vlaanderen. “Dat heeft ervoor gezorgd dat we tientallen jaren gewerkt hebben in de richting van allemaal gelijkaardige bedrijven die anonieme producten op de markt brachten. Het ideaalbeeld van een Vlaams katholiek boerengezin was hier nooit ver weg. Die moesten vooral hard werken en produceren. Nadenken werd er voor hen gedaan door het beleid, de landbouworganisaties, de adviseurs van de veevoederfabriek...”, vertelt Bavo.

Goedkope grondstoffen

Die gouden medaille die rond de hals van onze Vlaamse landbouwers hangt, heeft echter ook een keerzijde. “We weten allemaal dat we hiermee zijn vastgelopen. Boeren werden gereduceerd tot producenten van goedkope grondstoffen. Overal ter wereld zijn dat kwetsbare groepen die tegen elkaar uitgespeeld worden in de geglobaliseerde markt. Of het nu gaat over peren, varkensvlees of mozarellakaas zonder naam, overal zorgen dezelfde marktmechanismen voor drama’s in die klassieke gezinsbedrijven.”

Voor Bavo is er maar 1 antwoord dat we hiertegenover kunnen plaatsen, en dat is creatief ondernemerschap. “Boeren mogen niet meer alleen gezien worden als producenten van grondstoffen. Het moeten plattelandsondernemers zijn die creatief aan de slag gaan voor een uniek bedrijf. En hiervoor bestaan er geen blauwdrukken.”

Aandacht voor maatwerk

Zonder blauwdrukken die algemeen op elk land- en tuinbouwbedrijf zouden kunnen worden toegepast, hebben we meer dan ooit maatwerk nodig. Dat hangt niet alleen af van sector per sector, maar ook van bedrijf tot bedrijf. En daar wringt het schoentje: hoe kan Vlaams landbouwbeleid zorgen voor maatregelen die heel specifiek bedrijfsgericht zijn? Dat gebeurt nu al deels, maar zo’n beleid toepasbaar maken, is een haast onmogelijke opdracht.

“Elke boer moet nadenken over de geschikte format voor zijn bedrijf. En dat is overal anders, afhankelijk van de grootte van het bedrijf, de ligging, de gezinssituatie, de historiek, de interesses en skills van de boer of boerin”, gaat Bavo verder. “Voor sommige boeren zal het antwoord zijn om verder te werken vanuit het klassiek gezinsbedrijf. Dat is op zich geen probleem, maar heel veel andere boeren zullen uitkomen bij een totaal ander bedrijfsmodel.”

Dan doelt Bavo op onder meer het voorbeeld van CSA-bedrijven. “Heel wat boeren zullen de productie combineren met andere bedrijfstakken zoals toerisme, groene zorg of handel. We noemen dat tegenwoordig de nieuwe verdienmodellen. Nog andere boeren zullen een klein bedrijf runnen in combinatie met een betaalde job buiten de landbouw. Die diversiteit aan bedrijven kan de weerbaarheid van de sector alleen maar ten goede komen. Een economie moet immers niet alleen rendabel zijn, ook de robuustheid is, zeker in onzekere tijden, een belangrijk kenmerk voor een gezonde economie.”

Het is de taak van de (Vlaamse) overheid om ervoor te zorgen dat een kader gecreëerd wordt waarin die creativiteit alle mogelijkheden krijgt. “En dat is vandaag nog te weinig het geval. Zowel het ruimtelijk beleid als het landbouwbeleid is nog altijd gericht op dat klassieke gezinsbedrijf dat alleen maar produceert. Dat weerspiegelt zich onder meer in het systeem van investeringssteun (via het VLIF), maar ook bijvoorbeeld in het beleid rond de enige gezinswoning. Het beleid heeft het lastig met maatwerk.”

Landbouw in transitie

Voor Bavo is het concept van landbouwer in bijberoep dus géén doel op zich. “Maar het moet wel mogelijk zijn, want het heeft zijn plaats in de diversiteit aan bedrijfsmodellen. En we moeten daarin ook eerlijk zijn. Wie financieel niet alleen afhankelijk is van zijn landbouwbedrijf, kan zich iets meer experimenteerruimte permitteren. Dat is handig meegenomen voor een landbouw in transitie. Als de overheid knopen moet doorhakken in het kader van de nieuwe blauwdruk voor de komende periode van het GLB is het belangrijk om dat in het achterhoofd te houden. Ook als er bedrijven in reconversie moeten gaan omwille van stikstofbeleid of andere ruimtelijke problemen, zal er heel veel creativiteit nodig zijn.”

Lieven Vancoillie

Meest recent

Meest recent