Een effectieve eerste behandeling voor kalverdiarree is cruciaal

Bij jonge kalveren met diarree kan een snelle effectieve vloeistoftherapie een extra dierenartsenbezoek vermijden en grote economische verliezen voorkomen.
Bij jonge kalveren met diarree kan een snelle effectieve vloeistoftherapie een extra dierenartsenbezoek vermijden en grote economische verliezen voorkomen. - Foto: AV

De darm heeft 2 belangrijke functies: opname van voedingsstoffen en verdediging tegen het binnendringen van ziekteverwekkers.

Diarree kan omwille van verschillende redenen ontstaan. In grote lijnen zijn dit de opname van te veel molecules die vocht aantrekken (osmotische diarree, bijvoorbeeld slechte formulering kunstmelk), een verhoogde uitscheiding (secretorische diarree, bijvoorbeeld colidiarree bij pasgeborenen) of beschadiging van de darmwand (maldigestie-/malabsorptie- diarree, bijvoorbeeld de meeste darminfecties). Er gaan niet enkel grote hoeveelheden water (tot gemakkelijk een emmer per dag), maar ook waardevolle elektrolieten (natrium, kalium en chloor) en bicarbonaat verloren.

Meest voorkomende oorzaken

Er zijn infectieuze en niet-infectieuze oorzaken voor kalverdiarree.

Infectieuze oorzaken De infectieuze oorzaken kunnen virussen, parasieten en bacteriën zijn. Elke van deze 3 groepen vereist een verschillende manier van behandelen. De virussen, rotavirus en coronavirus komen veel voor, specifiek tussen levensdag 7 en 21 dagen. De parasiet cryptosporidium is in Vlaanderen vermoedelijk de meest voorkomende oorzaak, en treft kalveren tussen 5 en 30 dagen leeftijd. Na de leeftijd van 3 weken kan ook coccidiosediarree veroorzaken, maar deze wordt typisch bij oudere kalveren in groepshuisvesting gezien. Bacteriën zijn eerder zeldzaam. Bij kalveren jonger dan 3 dagen zijn specifieke stammen van coli (ETEC F5 of F41) gekend die toxines produceren en zo diarree veroorzaken. Salmonella is een zeer gevreesde oorzaak van diarree, maar ook bloedvergiftiging met potentieel grote sterfte. Salmonella kan op elke leeftijd, maar is gelukkig niet de hoofdoorzaak van diarree.

Tot slot kan elke verstoring van het milieu in de darm door voeding of infecties aanleiding geven tot een verstoring van de microflora. Dit wordt een dysbiose genoemd, en deze diarree kan lang aanwezig blijven. Ook antibioticumgebruik kan dysbiose bij kalveren veroorzaken, waardoor de behandeling eigenlijk medeoorzaak van het probleem wordt.

Niet-infectieuze oorzaken Dit zijn in hoofdzaak voedinggerelateerde oorzaken of ze hebben als oorsprong dysbiose. Bij darminfecties is de vertering verstoord. Daardoor kan nutritionele diarree secundair ontstaan bij darminfecties. Voedinggerelateerde oorzaken betreffen dikwijls een verkeerde concentratie melkpoeder of een bereiding bij een foutieve temperatuur. Zowel een te lage als te hoge concentratie melkpoeder kunnen aanleiding geven tot diarree. In de winter wordt vaak aangeraden om de concentratie van het melkpoeder te verhogen. Hierbij moet men erop letten om de maximaal aangeraden dosis niet te overschrijden. Deze dosis verschilt van product tot product en kan men op de verpakking terugvinden.

Bij de bereiding van kunstmelk dient het poeder opgelost bij een temperatuur tussen de 50 en 60 °C. Bij een temperatuur lager dan 50 °C zullen de eiwitten niet voldoende oplossen en diarree tot gevolg hebben. Bij temperaturen hoger dan 60 °C denatureren eiwitten en gaan hun voedingswaarde verloren. Aanlengen gebeurt tot een drinktemperatuur van 41 °C.Indien verse koemelk verstrekt wordt, kan een hoog vetgehalte diarree veroorzaken.

Ongeacht de oorzaak resulteert diarree in een tekort aan water, natrium, kalium, glucose en buffers tegen het verzuren. Een kalf met diarree kan per dag een volledige emmer (10 l) vocht verliezen. Deze tekorten dienen gecorrigeerd te worden met een ondersteunende therapie.

Een effectieve eerstelijnsbehandeling

Voor de veel voorkomende virussen en cryptosporidium is er geen behandeling die de ziekteverwekker afdoodt. Het dier moet zichzelf genezen. Enkel voor ETEC en salmonella zijn antibiotica zinvol, en dit betreft een minderheid van de infecties. Met het huidige kader van verantwoord antibioticumgebruik kunnen antibiotica enkel onder advies van de dierenarts toegediend worden. De dierenarts kan hiervoor gepaste monsters nemen en advies geven op basis van lokale gegevens (bijvoorbeeld over gevoeligheid voor antibiotica). In de meeste gevallen zijn antibiotica niet nodig, of zelfs tegenaangewezen. Het belangrijkste deel van de therapie is echter vloeistoftherapie, waarmee we tekorten aan water, bicarbonaat, elektrolieten en ook glucose (energie) aanvullen. Daar kan de veehouder zelf keuzes in maken. Het aanbod is bijzonder groot, en deels vrij of via de dierenarts beschikbaar. In de volgende paragrafen geven we de nodige handvatten om een effectieve eerstelijnsbehandeling in te stellen.

Uitdrogingsgraad bepalen

Om in te schatten hoeveel vocht het dier verloren heeft, dient de uitdrogingsgraad bepaald te worden (zie tabel). Betrouwbare methoden hiervoor zijn: het bepalen van de huidturgor ter hoogte van de hals en het inschatten van de oogboldiepte. Bij de eerste methode nemen we een stukje halshuid tussen duim en wijsvinger en tillen het op met een draaiende beweging. Vervolgens laten we de huidplooi los en meten hoe snel de huid terugveert naar zijn oorspronkelijke positie (zie foto). Bij de tweede methode moet men inschatten hoeveel mm diep de oogbol in de oogkas ligt. De tweede methode kan men niet toepassen bij dieren die een lange tijd aan het vermageren zijn, gezien het verdwijnen van vet in de oogkas, ook zonder vochtverlies, een invloed heeft op de diepte van de oogbol.

Bepalen van de huidturgor ter hoogte van de hals bij een kalf.
Bepalen van de huidturgor ter hoogte van de hals bij een kalf. - Foto: UGent

Op basis van de uitdrogingsgraad kunnen we berekenen hoeveel vocht het kalf dient te krijgen om de uitdroging te corrigeren. Voor een kalf met een uitdrogingsgraad van 8% en een lichaamsgewicht van 50 kg zou het dier 8,5 l vocht per dag moeten opnemen. Dit wordt berekend op basis van het vocht dat ze verloren hebben, de onderhoudsdosis en de verliezen die nog verwacht worden. Een deel van dit vocht halen de dieren uit de melk die gegeven wordt, een deel uit beschikbaar water, en – heel belangrijk – een deel wordt aangeboden als elektrolietenoplossing.

Gepaste elektrolietenoplossing

Wanneer de zuigreflex aanwezig is, kunnen we deze hoeveelheid vocht verstrekken met behulp van een elektrolytenoplossing. Er zijn verschillende producten op de markt, de dierenarts kan gepast advies geven over de meest geschikte elektrolietenoplossing. Er zijn immers grote verschillen tussen de producten, naar rehydraterend vermogen, werkzaamheid tegen verzuring, osmolaliteit, het aanvullen van elektrolieten, energieinhoud en smakelijkheid. Belangrijk is dat niet elk product op de markt dat aangeraden wordt om kalverdiarree te bestrijden, daadwerkelijk een orale elektrolietenoplossing (ORS) is. Enkel een ORS is echt effectief om de vochtbalans te herstellen.

De Europese wetgeving bewaakt dat producten met het label ORS op de verpakking aan strikte voorwaarden voldoen die hun effectiviteit verzekeren. Een vuistregel kan zijn om bij pasteuze diarree (te slappe mest, maar nog niet waterig) 2 keer per dag 1 l elektrolietenoplossing te geven in aanvulling tot een normaal (of tot minimaal 4 l kunstmelk) gereduceerd rantsoen. Bij waterige diarree wordt deze hoeveelheid verhoogd naar 2 keer 2 l per dag. Bepaalde producten kunnen in de melk gegeven worden, maar dit kan de lebmaaglediging vertragen. Andere producten kunnen kort na de melkgift gegeven worden, andere pas na 2 tot 6 uur. Ook hier is het belangrijk om het advies van je dierenarts op te volgen. De meeste schema’s raden 1 elektrolietenvoeding in de voormiddag en 1 in de late namiddag aan. Als de dieren slechts 2 keer melk krijgen per dag, kan men het best op de middag elektrolieten geven.

Naast ORS zijn er tal van andere producten die de flora beïnvloeden of vitamines en mineralen bevatten. Voor de meeste van deze producten is er echter onvoldoende bewijs voor hun werking. Het ‘baat het niet, schaadt het niet’ principe is hier op zijn plaats, alleen betekent het gebruik wel een meerkost waarvan de effectiviteit niet bewezen is. Pijnstillers kunnen wel op hun plaats zijn. Correct doseren van deze pijnstillers is heel belangrijk, omdat deze bij uitgedroogde dieren sneller complicaties geven.

Om te evalueren of je therapie werkt, kun je bepalen of de tijd tot verstrijken van een huidplooi terug normaal wordt (minder dan 2 seconden), of het kalf actief blijft en eetlust heeft. Het heeft geen zin om zich te focussen op het al dan niet verdwijnen van de diarree. Het herstel van de darm duurt minstens een week. Pas als de diarree langer dan 10 dagen blijft duren, is het mogelijk dat er bovenop een nutritionele fout of een dysbiose is ontstaan.

Wanneer de dierenarts erbij halen?

Naast het opstellen van een algemeen advies en plan van aanpak (inclusief preventie) voor kalverdiarree, blijft een interventie van de dierenarts noodzakelijk bij dieren die niet reageren op de behandeling of waarvan de toestand snel verslechtert. Samengevat is het steeds aangeraden/noodzakelijk om de dierenarts te contacteren bij de volgende situaties. Indien de uitdrogingsgraad meer is dan 8%, dan is een intraveneuze therapie aangeraden. Dit geldt ook wanneer het kalf geen zuigreflex meer heeft, meer dan 24 uur niets heeft gedronken, een ernstige verzuring of een tekort aan suiker vermoed wordt.

Een ernstige verzuring kan men vermoeden als het kalf niet meer knippert met de ogen als men de huid bij de binnenste ooghoek aanraakt. Ernstig verzuurde dieren kunnen ook een ‘zatte’ indruk geven (wankele gang). Een ernstig suikertekort zien we bij dieren die heel veel neerliggen. Verslechtert de toestand van een dier ondanks therapie zeer snel, dan is een telefoontje naar de dierenarts altijd de beste optie.

Veel gemaakte fouten

Er zijn veel producten op de markt, met soms verwarrende etikettering. Er is specifieke kennis nodig om de verschillende ORS-oplossingen vakkundig te gebruiken, vandaar dat diergeneeskundig advies op maat van jouw bedrijfssituatie nodig is. Toch zijn er enkele algemene zaken die makkelijk voorkomen kunnen worden.

Een eerste vaak voorkomend probleem is het stoppen met de melkvoeding bij diarree. Een kalf heeft een onderhoudsbehoefte van 1.960 kcal per dag. De rest van de opgenomen calorieën wordt omgezet in groei. Ter vergelijking: 1 l elektrolytenoplossing bevat slechts 100 kcal, 1 l melk 580-675 kcal. Een rantsoen bestaande uit enkel elektrolyten kan dus niet aan de energiebehoefte van het kalf voldoen en kan leiden tot een ernstig tekort aan glucose (hypoglycemie). De dieren vermageren sterk en het is geweten dat deze ‘lichtgewicht’ kalveren een sterk verhoogd ziekterisico hebben, ook voor longontsteking. Melk blijven doorgeven is het advies, eventueel kan de gift afgebouwd worden naar 4 l per dag, maar nooit minder. Soms is het wel nodig om een dier uit te vasten, maar opnieuw moet dit geval per geval door de dierenarts worden bepaald.

Een tweede mogelijke fout: bij dieren die niet drinken, wordt soms nog melk opgegoten. Dit is absoluut tegenaangewezen omdat het pensdrinken veroorzaakt alsook verzuring en diarree. Elektrolieten kunnen ook opgegoten worden, maar ze zijn dan minder effectief dan wanneer ze ‘gezogen’ worden.

Ten derde: een teveel aan elektrolieten kan aanleiding geven tot zoutvergiftiging. Dit is een heel ernstige aandoening, met grote kans op sterfte. In dit kader is het cruciaal om altijd vers water ter beschikking te stellen, ook al lijkt het alsof het dier niet veel drinkt. Het dier zal bij een te hoge zoutopname, waar het kan, zelf corrigeren door meer te drinken. Ook het indikken van melk, in combinatie met afwezigheid van drinkwater, is een frequente oorzaak van zoutvergiftiging.

Ten vierde: enkel bepaalde elektrolietenoplossingen kunnen opgelost worden in melk. Volg hiervoor de handleiding van de fabrikant. Tot slot kan ook het toedienen van antibiotica als dat niet nodig is de darmflora verstoren met verlengen van de diarreeproblematiek tot gevolg.

Snel ingrijpen is aangewezen

Bij jonge kalveren met diarree kan een snelle effectieve vloeistoftherapie een extra dierenartsenbezoek vermijden en grote economische verliezen voorkomen. Vloeistoftherapie in combinatie met het blijven doorgeven van de melk is cruciaal. Antibiotica zijn meestal niet nodig. Elke orale rehydratatieoplossing (ORS) is anders. Laat je adviseren door je dierenarts om een effectief eerstelijns-protocol op te stellen en veel voorkomende fouten te voorkomen.

Tot slot, wacht niet te lang om de dierenarts erbij te halen als de toestand niet verbetert. Ook voor intraveneuze vloeistoftherapie geldt dat hoe sneller deze ingesteld wordt als ze nodig is, hoe groter het effect.

Jolien Coppens en Bart Pardon, UGent

Meest recent

Meest recent