Hoe residuen van fytoproducten in het water vermijden?
De Volsog-studienamiddag die op 9 december plaatsvond op het bedrijf van loonsproeier Niels Caignie in het West-Vlaamse Wijtschate stond in het teken van het vermijden van residuen van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlakte- en grondwater. Caignie lichtte ook de stappen toe die je moet zetten bij het inrichten van een vul- en spoelplaats.

Volsog is de vereniging die de belangen van de loonsproeiers behartigt. In zijn openingswoord wees Volsog-voorzitter Freddy Versavel erop dat niet enkel residuen van fytoproducten leiden tot verontreiniging van waterlopen in waterwinningsgebieden. “Ook de voedings- en chemische industrie hebben hier een aandeel in. Zelfs airco’s creëren PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) in de lucht. Toch blijft puntvervuiling een belangrijke bron van contaminatie van het water. Puntvervuiling kan ontstaan door het overlopen van de spuittank of het morsen van producten bij het vullen ervan, door restanten van lege verpakkingen, afsluitdoppen en -ringen die in de grond sijpelen en door het spoelen en reinigen van je spuittoestel”, zei Versavel. Door hun kennis en hun geavanceerde spuitmachines zijn de loonsproeiers het best geplaatst om puntvervuiling en residuproblemen te vermijden.
Residuen van fytoproducten in oppervlaktewater
Volsog-ondervoorzitter Lieven Van Ceunebroeck lichtte de invloed van de landbouw op de water-kwaliteit toe. Zo is het West-Vlaamse Heuvelland gevoelig voor het vervuilen van de waterlopen, omdat er oppervlaktewater uit gewonnen wordt dat gebruikt wordt voor drinkwater. De laatste jaren zijn er steeds meer berichten van residuen van fytoproducten of metabolieten van bepaalde stoffen die daarin verzeilen. “Dankzij meer en steeds scherpere analysemethoden lijkt het dat er steeds meer residuen van herbiciden, metaldehyde (slakkenkorrels), PFAS en triazolen in het oppervlaktewater worden teruggevonden. Het is dan ook wat contradictorisch dat er in de realiteit net steeds minder vervuild wordt”, stelde Van Ceunebroeck meteen.
Hij ging dieper in op de beruchte PFAS. “Die vind je niet alleen in herbiciden, maar ook in kledij, verf, koelsystemen… Op verkoopsniveau zijn de PFAS-houdende moleculen in fytoproducten ‘maar’ goed voor 5%. Het aantal toegelaten fytoproducten met PFAS daalde van 36 in 2024 naar 28 in 2025. De totale jaarlijkse vervuiling met PFAS schat men in België op 8.330 ton, waarvan fyto slechts 82 ton zou innemen. In Europa brainstormt men nu over normen voor TFA (trifluorazijnzuur), de kleinste molecule in PFAS.”
In 2018 werd een nieuwe parameter voor PFAS in drinkwater ingevoerd: 100 ng/l van de 20 belangrijkste PFAS-producten en 500 ng/l PFAS in totaal (ng = nanogram of miljardste van een gram). PFAS, dat met actieve koolstoffilters moeilijk volledig uit het drinkwater kan worden verwijderd, is wijdver-spreid in Europa. Ook andere Europese landen hebben problemen met PFAS in hun drinkwaterproductie.
Triazolen in het oog van de storm
Triazolen vormen een van de hoofdfamilies van het fungicidepalet, die in heel wat akkerbouw- en groenteteelten worden gebruikt. Deze schimmelbestrijders vind je echter ook in nitrificatieremmers, waspoeders, en in de humane en veterinaire geneeskunde. In 2014 waren er in dit fytopakket nog 20 actieve stoffen toegelaten; vandaag de dag zijn dat er nog 13. Van de subcategorie prothioconazole bestaan er de meeste handelsnamen. Uit een uitgebreid onderzoek van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) bleek onlangs dat vooral industriële lozingen aan de basis liggen van de verhoogde concentratie 1,2,4-triazool (een afbraakproduct van schimmelbestrijdingsmiddelen) in het West-Vlaamse drinkwater. Zo bleek het bedrijf IFF België uit Ieper, dat plantaardige eiwitten uit soja maakt, verantwoordelijk voor een van de belangrijkste lozingspunten van de in onze landbouw verboden triazool epoxiconazool.
Van Ceunebroeck waarschuwde ervoor om zomaar een of andere triazool- en/of PFAS-molecule voor gebruik in een teelt te schrappen, omdat resistentievorming dan sneller kan gaan. “Verder valt het op dat er jaarrond overschrijdingen zijn aan de meetpunten van natuurgebied De Blankaart, vooral dan tussen mei en september. Hopelijk kan Europa sneller middelen toelaten, zodat er werkzame alternatieven voor triazolen en/of PFAS op de markt kunnen komen”, stelde hij. Hij riep de verwerkende industrie op om rekening te houden met de technische kant. “Er zijn nu al diepvriesfabrieken die geen tebuconazoolresiduen meer willen in de wortelteelt, maar de telers moeten dan wel duurdere fungiciden gebruiken. Krijgen ze daarvoor een compensatie in hun contract?” vroeg hij zich af. Hij riep telers en loonsproeiers op om maximaal in te zetten op het vermijden van drift en puntvervuiling.
Gewasbeschermingsmiddelen uit water houden
Pascal Braekman, sectoradviseur bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, riep de loon-sproeiers en telers op om gewasbeschermingsmiddelen via IPM-maatregelen (geïntegreerde teelt) zoveel mogelijk uit het water te houden. Om aan de algemene milieunormen te voldoen werd een monitoringnetwerk met meetpunten op oppervlakte- en grondwater in heel Vlaanderen ontwikkeld. Vooral milieukwaliteitsnormen worden daar afgetoetst. “De laatste jaren is hier zeker een verbetering merkbaar”, stelde Braekman.
De top 5 van actieve stoffen met het hoogste aantal overschrijdingen werd in de jaren 2021-2023 vooral gevormd door herbiciden: flufenacet (tot juli 2026 erkend), diflufenican, chloorprofam (niet meer erkend sinds 2020), aclonifen en metazachloor.
Een andere kwaliteitsnorm is de voorspelde concentratie van residuen (PNEC), waarbij we helemaal geen effect zien. Die ligt lager ligt dan de maximale acceptabele concentratie (MAC). “In de periode 2021-2023 zagen we wat meer overschrijdingen, vooral in de meest landbouwintensieve regio’s”, aldus Braekman. Imidacloprid springt hier naar voor. “Dit insecticide is in de landbouw niet meer erkend sinds 2018 – tenzij als noodtoelating voor zaaizaadontsmetting – maar het is nog wel toegelaten in luizenbandjes voor katten en honden. Door contact met water leidt dat wellicht tot uit-spoeling en overschrijdingen.”

Samenwerken aan waterkwaliteit werkt
Braekman beklemtoonde dat samenwerken aan de waterkwaliteit werkt. “Zo verdubbelden de staalnames in het gebied van de Bollaertbeek en Kleine Kemmelbeek (West-Vlaamse Heuvelland) door-heen de jaren, terwijl het aantal waargenomen residuen van gewasbeschermingsmiddelen licht daalde en de normoverschrijdingen fors daalden tot bijna 0. Geen enkel residu terugvinden in water is onmogelijk. Ook de Europese geharmoniseerde risico-indicator HRI 1 (harmonised risk indicator) – die toelaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in land- en tuinbouw en het risico verbonden aan dat gebruik te evalueren ten opzichte van een referentieperiode (het gemiddelde van 2011, 2012 en 2013) – daalt sinds 2019 elk jaar fors. Zo verwezenlijkte de Vlaamse landbouw in 2023 al de doelstelling van de Green Deal om het gebruik of het risico van gewasbeschermingsmiddelen met 50% te reduceren. Daarbij zijn vooral toxische stoffen vervangen door minder toxische stoffen.”
Problemen bij drinkwaterproductie
Volgens Braekman is het probleem vooreerst dat de normen verstrengen. “Dat is een politieke beslissing, ingegeven door maatschappelijke druk vanuit een bepaalde hoek, waarmee we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan. Daarnaast moeten we in Vlaanderen heel veel doen op een beperkte oppervlakte. Daar botsen we op limieten, ook in de drinkwatervoorziening.”
Tot 60% van onze drinkwaterproductie komt uit oppervlaktewaterwinning. In West-Vlaanderen gaat het vooral om de Blankaart, de Zillebekeekse vijver en de Dikkebusvijver. “Vooral bentazon, metaldehyde en 1,2,4-triazolen vormen een probleem. Jammer is dat de residuen van metobromuron – waarmee aardappeltelers een waardige vervanger voor het middel Linuron kregen – stegen, want zo komt er druk op deze actieve stof.”
Wijzigingen binnen IPM
Braekman overliep ook enkele aandachtspunten binnen IPM. “Drift is gemiddeld slechts voor 5% verantwoordelijk voor gewasbeschermingsmiddelen die we in oppervlaktewater terugvinden. Minstens 50% komt door puntvervuiling, zo’n 30% door afspoeling via erosie of drainage.” Hij adviseerde ook om de Fyteauscan in te vullen, een onlinetool waarmee je de oorzaken van puntvervuiling op je bedrijf kan ontdekken.
Sinds 1 januari moet elk keuringsplichtig spuittoestel in België uitgerust zijn met minstens 75% driftreductie. Technieken zoals een verlaagde spuitboom en kortere dopafstanden zijn intussen opgenomen als driftreducerende technieken. In Vlaanderen werd enkele jaren geleden het traject uitgezet om naar 90% driftreductie te gaan; de hoogste graad die er technisch en wettelijk gezien mogelijk is. Dat heeft diverse redenen. Zo zijn er steeds meer handelsproducten die 90% als norm vooropstellen, zeker als je het combineert met de bufferzone ten opzichte van oppervlaktewater die eraan gekoppeld wordt. Een andere reden is dat het maatschappelijk draagvlak voor bespuitingen op het platteland – waarbij spuitnevel soms kan overwaaien naar een tuin – verkleint, waardoor landbouwers minder geneigd zijn om te spuiten.
Nog een verplichting sinds begin dit jaar is de eis om een schoonwatertank op je spuitmachine te hebben. Er zijn uitzonderingen, maar dan moet er een aftappunt zijn waar je proper water kan nemen om ter plaatse te kunnen spoelen. Verder moet je spuittoestellen overdekt stallen op dagen waarop je ze niet gebruikt. Zo vermijd je dat neergeslagen spuitnevels op je machines kunnen afspoelen. Met deze maatregelen valt zeker nog winst te halen.
Braekman herinnerde aan de IPM-vereisten waar-aan iedereen moet voldoen. Zo moet je onder meer gewasbeschermingsmiddelen toepassen volgens hun etiket (combinatie van teelt, gewas, ziekte, plaag of onkruid, dosis, frequentie van het gebruik…), met een erkende techniek en in de beste klimatologische omstandigheden. Verder moeten spuittoestellen gekeurd zijn, moet een aanzuigslang uitgerust zijn met een terugslagklep en moet je de contaminatie van een aanzuigslang trachten te minimaliseren. Daarnaast moet je je toestel volledig reinigen op het veld of op een verharde opper-vlakte die voorzien is van de nodige opvang, en moet je die verwerken op een aangepaste wijze (met een biofilter, fytobak of fysio-chemische verwerking). Om bodemerosie te vermijden, kan je maatregelen nemen bij zeer hoge en hoge erosiegevoelige percelen, door bijvoorbeeld niet te ploegen of door een grasbufferstrook aan te leggen.

Beschermingszones langs oppervlaktewater
Wat de beschermingszones langs oppervlaktewater betreft, zijn er 2 insteken. De eerste is dat je moet weten of het perceel dat je wil behandelen in gebiedstype 0 of 1 dan wel in 2 of 3 ligt. De tweede is dat het gewas dat je wil behandelen een nitraat-of niet-nitraatgevoelige teelt is. Zit je in gebiedstype 2 of 3 met een hoofdteelt die nitraatgevoelig is, dan is de regel dat je langs VHA-waterlopen (blauw aangeduid op de verzamelaanvraag) een beschermingsstrook van 5 m moet respecteren. Op die strook mag je dus geen gewasbeschermingsmiddelen toepassen of mag je niet bemesten. Dat geldt ook voor alle percelen grenzend aan VHA-waterlopen in groene bestemmingen (valleien, vengebieden). Zit je in gebiedstype 2 of 3 met een niet-nitraatgevoelige teelt, dan bedraagt de beschermingsstrook 3 m. Zit je in gebiedstype 0 of 1 met een nitraatgevoelige teelt, dan is de beschermingsstrook ook 3 m. Bij de paarse (of niet-VHA-)waterlopen is de standaard minimum 1 m teeltvrije zone.
De federale wetgeving spreekt niet over blauwe of paarse waterlopen, maar over oppervlaktewater. Als je neerwaarts spuit, moet je 1 m fytovrij houden. Spuit je niet-neerwaarts, dan is dat 3 m.
Doordacht ontworpen vul- en spoelplaats
Loonsproeier Niels Caignie (33) studeerde autotechnieken en haalde een bachelor in de Landbouw. Samen met zijn echtgenote Susie Casteele runt hij in Wijtschate een loonwerkbedrijf met wat akkerbouwteelten (aardappelen, uien en pompoenen). Zijn passie is loonsproeien. In 2017 nam hij de klanten en machines van zijn vaders vertrouwde loonsproeier De Leersnijder uit Hollebeke over. Niels sproeit vrijwel alle akkerbouw- en groenteteelten. “In het voorjaar starten we in gras en vlas. Daarna volgen tarwe, gerst, bieten, maïs en aard-appelen, en in de zomer spruiten, bloem- en savooikool. Zowat de helft van West-Vlaanderen ligt in mijn werkingsgebied, van Reninge tot Moeskroen”, vertelt hij.
In 2022 bouwde Niels een nieuwe loods, waarbij hij efficiëntie centraal plaatste. “De omstandigheden om gewassen te sproeien, zijn niet altijd gunstig. Dankzij een ruime en goed georganiseerde loods kan ik snel schakelen en vlot werken als het weer gunstig is”, verduidelijkt hij.
Niels hechtte veel belang aan een vul- en spoelplaats in de loods. Inagro adviseerde hem bij de uitwerking ervan. Dat leverde een doordacht ontworpen locatie op met specifieke functies – van het vullen van het spuittoestel tot het aflaten en opvangen van reinigingswater – vlak bij zijn fytolokaal. Zuivering van restwater gebeurt in een fytobak met aarde, compost, boomschors en stro. Niels vermijdt zo niet alleen puntvervuiling, hij bespaart ook de kost van ophaling en verwerking van restwater. De investeringen in een vul- en spoelplaats (4500 euro) en zuivering (14.000 euro voor de fytobak) waren niet min. “Maar ik wil een pionier zijn en het goed doen. Ik heb als loonsproeier ook een voorbeeldfunctie als het op sproeien aankomt”, zegt Niels. “Gelukkig kon ik rekenen op een Leader-subsidie van 6.500 euro. Dat was een welgekomen duw in de rug.”





