Hoe presteerden de late frietrassen vorig jaar in Vlaanderen?
In 2025 werden op 3 locaties in Vlaanderen rassenproeven aangelegd in het kader van het Programma Landbouwcentrum Aardappelen (LCA). Fontane en Innovator waren de 2 referenties voor de late frietrassen. Er werden 9 nieuwe variëteiten uitgeplant.

De proefvelden werden geplant op 3 april (Tongeren), 17 april (Beitem) en 8 mei (Kruisem). Dit is respresentatief voor de praktijk, aangezien de gemiddelde plantdatum in de praktijk op 10 april lag in 2025. Door de aanhoudende droge weersomstandigheden kon het planten vroeg van start gaan, en dit zonder onderbrekingen. Er werd uitsluitend gebruikgemaakt van groot pootgoed (± 35/50 mm, niet gesneden). De plantafstand in de rij werd op advies van de kweekbedrijven aangepast per ras.
De bemesting gebeurt steeds op basis van een grondontleding in het voorjaar. Er wordt gestreefd naar een stikstofgift die geadviseerd wordt voor het referentieras. In Tongeren en Kruisem kregen alle rassen dezelfde bemesting toegediend (advies Fontane).
Een aantal rassen hebben een beduidend lagere stikstofbehoefte dan Fontane. Daarom werd op het proefveld in Beitem 30 eenheden stikstof minder bemest bij Innovator en Otolia, terwijl de rassen Alanis, Invictus, Karelia, Messi, Montis, Virgil en Sidney zelfs 60 eenheden stikstof minder kregen.
Een correcte stikstofbemesting is noodzakelijk om het nitraatresidu in het najaar onder controle te krijgen, maar ook voor een voldoende hoog onderwatergewicht. Het pootgoed werd om proeftechnische reden niet ontsmet.
Daarnaast werd op 3 locaties (Lennik, Bertem en Poperinge) een demo uitgeplant (1 parallel) met dezelfde rassen. Ook op deze velden werden tijdens het groeiseizoen diverse waarnemingen uitgevoerd (niet opgenomen in dit verslag). De opbrengst en kwaliteit werden daar niet bepaald.
De meeste rassen in de proeven zjin resistent tegen het aardappelcysteaaltje Globodera rostochiensis of tegen Globodera pallida, met uitzondering van Messi. Karelia, Virgil en Sidney beschikken zelfs over een dubbele resistentie tegen beide types Globodera.
Tijdens het groeiseizoen werden de rassen opgevolgd en beoordeeld op diverse gewaskenmerken (opkomst, gewasstand, bloei, afrijping…). Na de oogst werden opbrengst, sortering, onderwatergewicht, drijvers, blauwgevoeligheid, knolkenmerken, kook- en frietkwaliteit bepaald. Knollen werden opengesneden, om ze te controleren op interne gebreken, en uitwendig werd de schilkwaliteit beoordeeld. Alle rassen kenden een voldoende opkomst, namelijk meer dan 90%.
Weersomstandigheden bepalen veel
De winter van 2024-2025 begon nat, maar vanaf februari werd het droger. Maart en april waren zelfs uitzonderlijk droog, vooral in het westen van het land. Door het zonnige, warme weer en de oostenwind droogde de bodem snel op. De proefvelden konden daardoor tijdig geplant worden.
Net zoals februari, maart en april waren ook mei en juni zeer droge en zonnige maanden. Juni was bovendien erg warm. Doordat er af en toe toch wat regen viel, konden de planten zich goed ontwikkelen.
Na een zeer droog en zonnig voorjaar volgde nog een warme, zonnige en zeer droge zomer. Juli startte extreem warm (hittegolf), maar daarna schommelden de temperaturen rond normale waarden. Vooral in het begin en op het einde van de maand viel er neerslag van betekenis. Dit zorgde ervoor dat de opbrengstverwachtingen toch nog gunstig bleven.
In augustus viel er nauwelijks regen en lag de gemiddelde temperatuur iets hoger dan normaal. Half augustus was er opnieuw sprake van een hittegolf.
September werd al snel wisselvalliger, met eindelijk lokaal meer neerslag van betekenis. De oogst van de 3 proeven vonden plaats tussen 8 en 24 september, op het moment dat alle rassen van nature afgerijpt waren.
Ervaringen per proefplaats
In Kruisem, Tongeren en Beitem werden 11 frietrassen geplant. Fontane en Innovator werden als referenties opgenomen, samen met 9 nieuwe variëteiten. In Beitem en Tongeren werd de proef al op 3 en 17 april geplant; in Kruisem was dit pas op 8 mei. Het verschil in plantdatum had geen gevolgen voor de opbrengsten.
De gemiddelde bruto-opbrengst (alle sorteringen én uitval, na aftrek van 15% voor spuitsporen, kopakkers…), van alle frietrassen bij elkaar lag in 2025 op 58 ton/ha. De hoogste opbrengst was terug te vinden in Beitem (63 ton/ha), gevolgd door Tongeren (55 ton/ha) en Kruisem (54 ton/ha). De grofte van de knollen was het grootst in Kruisem en Beitem (91% van de opbrengst in de sortering +50 mm) en fijner in Tongeren (73%). Het knolaantal lag in Beitem een tweetal knollen hoger in vergelijking met Kruisem (niet bepaald in Tongeren).
Terwijl de onderwatergewichten in Beitem en Kruisem hoog lagen (respectievelijk 416 en 410 g/5 kg), bleef het onderwatergewicht in Tongeren steken op een gemiddelde van 385 g/5 kg. Er is vaak een goede correlatie met de blauwgevoeligheid, die doorgaans hoger ligt bij rassen met hogere onderwatergewichten.
Bijna alle rassen op elke locatie scoorden uitstekend op het vlak van de frietkwaliteit. Slechts een enkel ras (Alanis) haalde naast een goede bakkleur eveneens een goede kookkwaliteit. Al blijft deze kwaliteitsparameter voor deze typische frietrassen van ondergeschikt belang, toch blijft het interessant om deze analyse uit te voeren om eventuele dubbeldoelrassen aan het licht te brengen.
Aantasting met schurft vormde nergens een probleem en ook lakschurft (na oogst) was weinig aanwezig. Holle knollen werden niet aangetroffen en ook roest (interne bruinverkleuring) bleef beperkt.
Germi 300 voor tweede jaar in proef
Het roodschillige ras Germi 300 lag voor het tweede jaar op rij in proef. Het ras heeft een hoge tolerantie tegen bladphytophthora. Dankzij zijn lange kiemrust en uitstekende frietkwaliteit zou lange bewaring geen probleem mogen zijn. Opvallend is zijn (zeer) trage opkomst als gevolg van zijn lange kiemrust. Als middenlaat ras start Germi 300 niettemin met afrijpen op hetzelfde tijdstip als vele andere rassen in proef. Dit betekent dus minder groeidagen. Dit ras vormde in 2025 slechts 2,5 stengels per plant, wat beduidend minder is dan het eerste proefjaar. Met 11 knollen per struik vormde het evenveel knollen als het gemiddelde van alle rassen samen. Er werd een plantafstand geadviseerd van 34 cm (vergelijkbaar met Fontane).
Al 2 jaar op rij bleef de opbrengst lager in vergelijking met Fontane, met name -12% in 2025 en -7% in 2024. Enkel in Tongeren (leemgrond) doet Germi 300 het iets beter. Zijn sortering blijft ook duidelijk fijner, met 71% in de sortering +50 mm. Dit ras haalde gemiddelde gezien de laagste opbrengst van alle rassen in proef (samen met Innovator). Er werden wel duidelijk langere knollen gevormd, met een gemiddelde knollengte van 9,8 cm.
Op het vlak van onderwatergewicht haalde dit ras een mooi resultaat, met een gemiddelde van 420 g/5 kg, in combinatie met een blauwgevoeligheid die wel wat hoger ligt dan het gemiddelde. Zijn frietkleur was uitstekend met een enkele heterogene friet, maar Germi 300 is absoluut niet geschikt om te koken. Er was nauwelijks gewone schurft te zien op de schil na de oogst. In een zeer beperkt aantal knollen werden enkele roestvlekjes (interne bruinverkleuring) aangetroffen.
Samengevat zien we na 2 proefjaren een zeer trage opkomst van Germi 300 (lange kiemrust) en een gemiddeld knolaantal per struik. Mede door een korter groeiseizoen haalt Germi 300 een lagere opbrengst (-7% in 2024 en -12% in 2025) met een fijnere sortering. Typisch zijn de langere knollen. Zijn onderwatergewicht ligt gemiddeld tot hoog, met een iets hogere blauwgevoeligheid. Het ras haalt al 2 jaar een zeer goede frietkleur en is niet geschikt om te koken. Zowel de schilkwaliteit als de interne kwaliteit waren zeer goed, met soms een enkele knol met roestvlekjes.
Nieuwkomer Invictus
Invictus is een nieuwkomer in de proeven. Interessant zijn de resistentie tegen Phytophthora infestans en de lagere stikstofbehoefte. Het ras is ook geschikt voor zandgronden.
Invictus staat bij het kweekbedrijf bekend voor een korte kiemrust. Opvallend in 2025 was dan ook zijn zeer snelle opkomst, met op het einde van het seizoen een gemiddelde afrijping. Dit leverde heel wat groeidagen op. Daarbij vormde dit nieuwe ras een mooi stengelaantal (4,0 per plant) en meer knollen dan Fontane (14 per struik). Daarom mag de plantafstand van Invictus ietsje ruimer, namelijk op 38 cm in de rij.
Invictus haalde in 2025 de hoogste opbrengst van alle rassen in proef (samen met Karelia) en haalde een meeropbrengst van 6% ten opzichte van Fontane. Het aandeel in de sortering +50 mm lag met 86% ook op een zeer gemiddeld niveau. Zijn knollen zijn rondovaal (gemiddelde lengte van 8,0 cm).
Op elk proefperceel haalde Invictus een voldoende hoog onderwatergewicht met een gemiddelde van 411 g/5 kg zonder drijvers, bij dichtheid 1,06. Daarnaast bleef zijn blauwgevoeligheid toch aanzienlijk laag (laagste van alle rassen). Zijn bakcijfer was uitstekend, zijn kookkwaliteit bleef ondermaats (zeer bloemig). Invictus had bij oogst een mooie schilkwaliteit en weinig schurft, geen holle knollen en een enkele knol met interne bruinverkleuring (roest).
Opvallende eigenschappen bij Invictus na het eerste proefjaar zijn: een snelle opkomst, hoge opbrengst, mooie grofte, voldoende hoog onderwatergewicht, lage blauwgevoeligheid en uitstekende frietkwaliteit.
Karelia tweede keer beproefd
Karelia werd in 2025 voor de tweede keer geplant in de rassenproeven met Fontane als referentie. Interessant is zijn zeer brede aaltjesresistentie (G. Rostochiensis én G. Pallida). Zijn stikstofbehoefte zou een stuk lager liggen en zijn plantafstand in de rij mag ruimer (40 cm voor de potermaat 35/50 mm). Karelia kende voor het tweede jaar op rij een zeer vlotte start en begon trager aan zijn afrijping. Er werden 3,5 stengels per plant gevormd en het hoogste aantal knollen (15 per struik). In 2024 lagen deze aantallen nog hoger.
Karelia haalde voor het tweede jaar op rij de hoogste opbrengst van alle rassen in proef (samen met Invictus), met een resultaat dat 6% hoger lag dan de referentie (vergelijkbaar met 2024). Die meeropbrengst werd op elke locatie gezien. Net zoals bij Invictus loont een snelle opkomst in het voorjaar. Zelfs met zijn hogere knolaantal haalde dit nieuwe ras toch een grofte van 89% in de sortering +50 mm (vergelijkbaar met Fontane). Anderzijds waren de knollen heel rond (kortste knollengte: 7,3 cm).
Zijn onderwatergewicht bleef voor het tweede jaar op rij eerder laag, met een gemiddelde van 395 g/5 kg (toch voldoende hoog dankzij droogte). Vermoedelijk reageert dit ras sterk op een hogere stikstofbemesting. Hierdoor bleef zijn blauwgevoeligheid laag, met een index van 106. Zijn frietkwaliteit is over de hele lijn uitstekend zonder suikertoppen of heterogene frieten. Karelia liet geen goede smaak na het koken optekenen. Schurft vormde geen enkel probleem. Intern was vaak vaatbundelverkleuring aanwezig, maar geen holheid of roestvlekjes.
Karelia laat zich zien als een ras met een zeer vlotte opkomst, een hoger stengel- en knolaanal per struik, hoge opbrengst (+6%) met mooie grofte, ronde knollen, lager onderwatergewicht (N-bemesting aanpassen!), uitstekende frietkwaliteit, een mooie schil en wat gevoeliger voor vaatbundelverkleuring (vaatbundel zichtbaar bij opensnijden).

Montis vergt minder stikstof
Montis werd voor de tweede keer op rij in de rassenproeven opgenomen. Interessant bij Montis zijn zijn lagere stikstofbehoefte en zijn tolerantie voor perioden van droogte en hitte. Daarbij kent dit ras een zeer goede tolerantie tegen Phytophthora infestans.
Montis zou ook geschikt zijn voor lange bewaring. In de proeven zagen we dat zijn opkomst trager verloopt, wat duidt op een langere kiemrust. Omdat Montis een iets vroegrijper ras is in vergelijking met Fontane, startte zijn afrijping ook iets vroeger. Het ras vormde niet al te veel stengels per struik (2,7), maar vooral het aantal knollen per struik blijft laag, met 8 per plant. Geadviseerd wordt om Montis op 34 cm in de rij te planten, net zoals Fontane.
Afhankelijk van de proeflocatie lag de opbrengst hoger of lager in vergelijking met Fontane, met uiteindelijk een gemiddelde van -2% (+2% in 2024). In beide proefjaren werd de beste opbrengst gezien in leemgrond (Tongeren) met een hogere opbrengst in vergelijking met Fontane. Ook zijn grofte bleef zeer gemiddeld, met 86% in de sortering +50 mm. Montis vormde de langste knollen in proef, met een gemiddelde lengte van 9,9 cm.
Daarbij komt dat zijn onderwatergewicht ook een mooi resultaat behaalde van gemiddeld 397 g/5 kg. Zijn blauwgevoeligheid bleef eveneens zeer gemiddeld voor het jaar 2025 (index 153). Zijn frietkleur bleef uitstekend, met wel wat meer heterogene frieten. Zijn smaak na het koken was ondermaats, met zeer bloemige, droge knollen en zwartverkleuring bij afkoeling. Er zat nauwelijks gewone schurft op de knollen, maar wel wat lakschurft. Op het vlak van interne gebreken werden geen holle knollen gevonden, geen interne bruinverkleuring (roest), maar op één proefplaats wel wat meer vaatbundelverkleuring.
Tijdens de 2 proefjaren werden heel wat eigenschappen, gekend bij het kweekbedrijf, bevestigd: een tragere opkomst (langere kiemrust), een snellere afrijping (iets vroegere rijptijd) en een lager stengelaantal, maar vooral minder knollen per struik. Op vele vlakken scoort Montis zeer gemiddeld in vergelijking met Fontane, zoals voor opbrengst, grofte, onderwatergewicht en blauwgevoeligheid.
Geelvlezige Otolia
Otolia was in 2025 al toe aan zijn derde proefjaar. Volgens het kweekbedrijf is het ras sterk tegen phytophthora, heeft het een zeer goede kiemrust en een lagere stikstofbehoefte.
Dit geelvlezige ras kende in de proeven een gemiddelde snelheid in opkomst, alsook in afrijping. Het ras had een kleiner aantal stengels per plant (2,6) en slechts 10 knollen per plant. Toch adviseert het kweekbedrijf om de grote potermaat van dit ras uit te planten op 40 cm in de rij.
Op elk van de 3 locaties bleef de totale opbrengst lager in vergelijking met Fontane, met een gemiddelde van -6% (-4% in 2024 en – 11% in 2023). Een mooie 88% van zijn opbrengst behoorde tot de sortering +50 mm. Met zijn ovale knolvorm (8,2 cm) was de knollengte langer dan bij Fontane.
Op het vlak van onderwatergewicht haalde dit ras met 388 g/5 kg een laag resultaat (pas op met te hoge N-bemesting!). Dit zorgde voor een lagere blauwgevoeligheidsindex. Ondanks zijn lager onderwatergewicht haalde Otolia toch een zeer goede bakkleur op de 3 locaties, met slechts sporadisch een heterogene friet (op perceel met laagste onderwatergewicht) en geen suikertoppen. Otolia vormde mooi ogende knollen zonder holheid of andere interne gebreken.
Na 3 proefjaren bleek dat Otolia een mooi groeiverloop kende, met een laag tot gemiddeld knolaantal. Elk jaar bleef zijn opbrengst onder die van Fontane, maar met een mooiere grofte en langere knollen dan de referentie. Zijn onderwatergewicht bleef aan de lage kant, met soms enkele drijvers. Toch was zijn frietkwaliteit zeer goed. Er werden knollen gevormd met een mooie uitwendige en inwendige kwaliteit.

Viril was nieuwkomer in Fontane-segment
Virgil was een nieuwkomer in 2025 en behoort tot het Fontane-segment. Dit ras heeft een lage stikstofbehoefte.
Op de proefvelden startte zijn opkomst vlot en kende voor de rest ook een gemiddelde afrijping. Virgil vormde een mooie 3,4 stengels per struik, met bijbehorend 13 knollen per plant. Er werd geadviseerd om dit nieuwe ras op 34 cm in de rij te planten (vergelijkbaar met Fontane).
Op elk van de locaties schommelde de opbrengst van Virgil rond die van Fontane, met een gemiddelde van +3%. Dit nieuwe ras had 82% van zijn opbrengst in de sortering +50 mm, wat beperkt lager ligt dan de referentie. Ook zijn knollengte was redelijk vergelijkbaar met Fontane (8,1 cm) en is als rond-ovaal te bestempelen.
Het onderwatergewicht lag telkens voldoende hoog, met een gemiddelde van 396 g/5 kg. Dit is wat lager in vergelijking met veel andere rassen in proef. Drijvers werden niet gevonden. Zijn lagere hoeveelheid droge stof zorgde voor een lagere blauwgevoeligheid (index 91) en zijn frietkwaliteit bleef uitstekend. Op één locatie werden enkele heterogene frieten aangetroffen. Virgil lijkt niet geschikt om te koken. Virgil lijkt weinig last te hebben van uitwendige of inwendige gebreken.
De eerste indruk van het ras Virgil is dat dit een zeer ‘gemiddeld’ ras is op heel wat vlakken, zoals stengels en knollen per struik (iets hoger), opbrengst +3%, grofte 82% en knollengte (8,1 cm). Zijn onderwatergewicht bleef lager zonder negatieve gevolgen voor de frietkleur.
Alanis uit Innovator-segment
Alanis werd voor de derde keer in de rassenproeven opgenomen en behoort tot het Innovatorsegment. Interessant is dat Alanis een lagere stikstofbemesting nodig heeft en een zeer goede tolerantie heeft tegen Phytophthora infestans. Zijn opkomst verliep in 2025 op een gemiddelde snelheid en zijn afrijping startte later in vergelijking met Innovator. Dit ras vormt minder stengels per struik (2,7) en vormde dit jaar slechts 9 knollen per struik. Er wordt eenzelfde plantafstand geadviseerd als bij de referentie.
Alanis haalde een opbrengst van toch wel +16% ten opzichte van Innovator (en +3% ten opzichte van Fontane). Met een sortering van 91% in de +50 mm scoorde Alanis het hoogst van alle rassen. Zijn knollen waren net iets minder lang (9,2 cm) in vergelijking met de referentie.
Zijn onderwatergewicht behaalde een mooi gemiddelde van 400 g/5 kg, met telkens hogere cijfers in vergelijking met Innovator. Zijn blauwgevoeligheid ligt op een index van 168, wat een beetje hoger is dan het gemiddelde in deze proeven. Zijn frietkwaliteit was zeer goed. Alanis lijkt ook interessant als kookaardappel, want dit ras haalde voor het tweede jaar op rij de hoogste score. Op elke locatie werd een (zeer) goede smaak vastgesteld, met weinig zwartverkleuring bij het afkoelen. Alanis lijkt dus mogelijk een dubbeldoelras te zijn (enigste in proef). Zijn schilkwaliteit was prima. Er werden nauwelijks interne gebreken opgemerkt.
Tijdens de 3 proefjaren verliep zijn opkomst de ene keer al sneller dan het andere jaar, met telkens een tragere afrijping. Alanis vormt meestal minder stengels en beduidend minder knollen per struik (± 9). Zijn opbrengst is vergelijkbaar met of hoger dan die van Innovator, met een gemiddeld tot hoog aandeel in de sortering +50 mm. Dit ras vormt net iets kortere knollen. Het onderwatergewicht van Alanis ligt steeds hoger in vergelijking met Innovator. Zijn frietkleur is zeer goed met ook een (zeer) goede smaak na het koken.
Witvlezige Messi
Messi is een witvlezig ras dat behoort tot het Innovator-segment. Het werd in 2025 voor de derde keer in de proeven opgenomen. Deze variëteit zou een heel lage stikstofbemesting vragen en toch zeer vlot grof worden. Pas wel op, want Messi heeft géén resistentie tegen aardappelcystenaaltjes.
Op de proefvelden verliep zijn opkomst eerder traag dit jaar en zijn afrijping kende een gemiddeld verloop ten opzichte van de andere rassen (trager dan Innovator). Hij vormde in dit derde proefjaar 11 knollen per struik met 3,6 stengels. De geadviseerde plantafstand ligt op 32 cm in de rij.
De opbrengst van Messi was wisselend over de proeflocaties heen: op 2 locaties werd eenzelfde opbrengst behaald als Innovator, terwijl in de leemgrond zijn opbrengst heel wat hoger lag. Gemiddeld over de 3 locaties heen werd een meeropbrengst van +9% genoteerd ten opzichte van Innovator. Messi had een iets fijnere sortering in vergelijking met de referentie, namelijk 85% in de sortering +50 mm. Zijn knollengte was dit jaar aanzienlijk korter dan die van Innovator.
Qua onderwatergewicht scoorde Messi dit jaar beduidend hoger dan Innovator, met een gemiddelde van 414 g/5 kg. Hier ging wel een zeer hoge blauwgevoeligheid mee gepaard (index 238), meteen de hoogste score van alle rassen. Net zoals de voorbije proefjaren was zijn frietkwaliteit het minst goed, met een index van 2,5 (grens van goed – zeer goed) met enkele bruine frieten en meerdere heterogene frieten. Daarnaast is de smaak na het koken wel nog goed te noemen (vergelijkbaar met 2024). Er werd niet veel schurft vastgesteld. Ook interne gebreken waren nauwelijks aanwezig.
Na 3 jaar in proef kunnen we voorzichtig besluiten dat Messi een gelijkaardig aantal knollen en stengels per struik vormt als Innovator. Zijn opkomst verloopt overwegend vlot, met een gemiddelde afrijping (trager dan Innovator). Met uitzondering van 2025, bleek Messi gevoeliger te zijn voor misvormde knollen. Zijn opbrengst schommelt nogal over de jaren en proefvelden heen, met uiteindelijk met alle resultaten bij elkaar gerekend toch een meeropbrengst van zo’n 5% met vergelijkbare grofte. Zijn onderwatergewicht ligt doorgaans hoger dan dat van Innovator, maar dit gaat wel gepaard met een grote blauwgevoeligheid. In 2 van de 3 proefjaren werd een goede kookkwaliteit vastgesteld.

Sidney met dubbele resistentie
Sidney werd voor het tweede jaar op rij in de rassenproeven geplant in het segment van Innovator. Interessant is zijn dubbele resistent tegen de aardappelcystenaaltjes Globodera rostochiensis (1,4) en Globodera pallida (3). Zijn plantafstand mag dezelfde blijven als die van Innovator (34 cm in de rij). Sidney kende in de rassenproeven een vlotte opkomst, met een afrijping die vergelijkbaar was met veel andere rassen en trager dan Innovator. Er werden 3,0 stengels per struik gevormd met 12 knollen. Dit knolaantal is iets hoger in vergelijking met Innovator.
Voor het tweede jaar op rij lag zijn totale opbrengst beduidend hoger in vergelijking met Innovator: +18% in 2025 en +7% in 2024. Hiermee scoort Sidney het hoogst van alle rassen uit het Innovator-segment. De grofte van Sidney was met 86% in de sortering +50 mm vergelijkbaar met de referentie en de andere rassen in proef. Sidney vormde mooie ovaal-langwerpige knollen, met een gemiddelde lengte van 8,7 cm. In tegenstelling tot het eerste proefjaar is dit wel korter dan bij Innovator.
Zijn onderwatergewicht ligt een beetje hoger dan bij Innovator, namelijk op een gemiddelde van 396 g/5kg, terwijl anderzijds zijn blauwgevoeligheid wat lager ligt (index 135). Zijn frietkwaliteit was uitstekend, met een enkele heterogene friet. Hiermee is Sidney een echt frietras dat niet zo geschikt is om te koken. Met nauwelijks (lak)schurft op de schil, geen holle knollen, een enkele roestvlek of vaatbundelverkleuring scoort Sidney eveneens zeer goed voor uitwendige en inwendige kwaliteit.
Na 2 proefjaren lijkt Sidney een veelbelovend ras te zijn in het Innovator-segment: een mooi knolaantal, een hoge opbrengst met gemiddelde grofte, knollengte vergelijkbaar of iets korter dan Innovator, goed onderwatergewicht, lagere blauwgevoeligheid, een uitstekende frietkleur en nauwelijks interne gebreken.





