Wat brengt de rassenontwikkeling bij aardappelen?
Tijdens de aardappelstudiedag van Viaverda sprak Peter Geluk, productmanager bij Agrico, over rassenontwikkeling bij aardappelen. “We hebben de evolutie gekend van Bintje naar Fontane. De vraag is wat nu?”

In 1973 werd de Nederlandse coöperatie Agrico opgericht door landbouwers. De basisactiviteiten ervan zijn het ontwikkelen van nieuwe rassen, die vermeerderen en vermarkten. Ondertussen is de coöperatie uitgegroeid tot zo’n 250 medewerkers wereldwijd, 16 dochterondernemingen en tot circa 1.900 leden/landbouwers. “Agrico luistert naar zijn klanten en produceert pootgoed op vraag en aanbod door middel van de telers.”
In het kweekwerk richt Agrico zich op hogere opbrengsten en hoge resistenties tegen aardappelziekte. Daarnaast moeten nieuwe rassen een verbeterde tolerantie tegen droogte en hitte tonen, net als een efficiënter gebruik van mineralen. Nieuwe variëteiten moeten ook een verbeterde bewarings- en verwerkingskwaliteit hebben en ze moeten ook geschikt zijn voor vele specifieke klimaten en grondsoorten.
“Agrico exporteert ondertussen naar meer dan 80 landen, waardoor veel uitdagingen in de aardappelteelt worden tegengekomen”, legde Peter Geluk uit.
Directe en indirecte uitdagingen
Bij de directe uitdagingen noemde hij op de eerste plaats phytophtora, gevolgd door alternaria, vrijlevende aaltjes en de weersomstandigheden. Uitdagingen die je minder snel ziet of de indirecte uitdagingen zijn voor Peter Geluk luizen, rhizoctonia, ritnaalden en aardappelmoeheid. Zeker dit laatste wordt een lastige uitdaging.
Door over te schakelen van het telen van Bintje naar Fontane is op die aardappelmoeheid destijds al efficiënt ingespeeld. Nu wordt echter gezien dat de opbrengsten van Fontane beginnen terug te lopen en dat het ras niet meer is wat het is geweest. “Agrico heeft aan het ras niets gewijzigd”, gaf Peter Geluk aan. “Maar de opkomst van nieuwe of andere aardappelcystenaaltjes zorgt opnieuw voor een toenemend probleem met aardappelmoeheid.”
Hij legt verder uit dat een vatbaar ras al snel meer dan 10% opbrengstdaling kan laten zien als het ten prooi valt aan aardappelcystenaaltjes, nematoden of kortweg aardappelmoeheid genoemd. “Door teeltrotatie en het verbouwen van een ras met resistenties wordt ingespeeld op de problematiek van de aardappelmoeheid.”
Inspelen op aardappelmoeheid
Eens het voorjaar goed is gevorderd en de aardappelen hun bladerdek hebben gevormd, kan je plekken vinden die achterblijven in groei. Als je daar een plant gaat uittrekken en je vindt eieren terug op hun wortels, weet je dat ze ten prooi gevallen zijn aan aardappelcystenaaltjes. De cysten kruipen uit hun eitjes en wanneer ze zich niet kunnen voeden, sterven ze af. Daarom is het belangrijk om rassen met resistentie te telen.
Peter Geluk wees op nieuwe rassen in het aanbod van Agrico zoals Sidney, Armedi en Lugano, die sterke aardappelmoeheidresistenties bezitten. Agrico merkt op dat nieuwe rassen hetzelfde opbrengstpotentieel bezitten als Fontane, met de nieuwe resistentie is er zelfs een hoger potentieel haalbaar. Ze zien echter ook dat wanneer nieuwe rassen met dezelfde teeltechnieken geteeld worden als Fontane (bijvoorbeeld hoge stikstofgiften), het potentieel van het nieuwe ras vaak niet wordt gezien, omdat de teelttechnieken wat afwijken.
Hij adviseerde telers dan ook om te weten wat in hun grond zit. “Als je weet welk cystenaaltje in de bodem zit, kan je erop inspelen door een resistent ras te planten.”
Peter Geluk sloot zijn betoog af met de bemerking dat wanneer er een nieuwe telefoon of tractor wordt geïntroduceerd op de markt, iedereen er als eerste bij is om deze uit te proberen. Hij vroeg zich dan ook af of de aardappelteler bereid is om in te zetten op een nieuw aardappelras?





