Grasklaver is een waardig alternatief voor vleesvee
Strenge bemestingsnormen en dure kunstmest doen vleesveehouders stilstaan bij hun graslandbeheer. Waar zuiver grasland een evidentie was, wordt grasklaver nu in heel wat situaties een waardig alternatief. Het Rundveeloket vergelijkt beide.

De fixatie van stikstof uit de lucht door klaver verlaagt de behoefte aan bemesting. Daarnaast heeft grasklaver nog 2 troeven. Deze eiwitrijke mengteelt kan eiwit uit krachtvoer in het rantsoen vervangen en de diepere beworteling van vooral rode klaver maakt de teelt ook klimaatrobuuster.
Graskuil vs grasklaverkuil
Ook met een lagere N-bemesting is grasklaver gemiddeld eiwitrijker dan zuiver gras. Onderzoek van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) bevestigt deze trend (tabel 1).

Het vergelijken van diverse kuilen illustreert gemiddeld een hogere Voeder Eenheid Melk (VEM)-waarde voor graskuilen en meer ruw eiwit en Darm Verteerbaar Eiwit (DVE) voor grasklaverkuilen. De verteerbaarheid (VCos) van grasklaverkuilen ligt ook lager dan die van graskuilen. Ondanks hun lagere verteerbaarheid hebben grasklaverkuilen vergeleken met graskuil een relatief hoog fructo-oligosacchariden (FOS)-gehalte en is het eiwit ook duidelijk bestendiger in de pens (gemiddeld 35% versus 26%).
In de vergelijking van grasklaverkuilen met witte of rode klaver scoren de kuilen met witte klaver gemiddeld hoger in het aandeel ruw eiwit, VEM, DVE en de verteerbaarheid. Het is vooral de blad/stengel-verhouding die de verteerbaarheid bepaalt. Rode klaver heeft op dat vlak meer stengel en minder blad.
Voederwaarde
Net zoals bij zuiver gras wordt de voederwaarde van grasklaver beïnvloed door verschillende factoren, zoals bemesting, oogstmoment, neerslag en zonne-uren. Bij grasklaver spelen zelfs nog extra factoren mee, zoals het aandeel en de soort klaver. De grote variatie tussen verschillende percelen en snedes maakt grasklaver inpassen in het rantsoen soms uitdagend. Om die variatie wat op te vangen, kan je kiezen voor een lasagnekuil.
Eiwit In het voorjaar komt klaver trager op gang dan gras. Grasgroei heeft een voorjaarspiek en een zomerdip, terwijl klavergroei vooral piekt in de zomermaanden. Het ruweiwitgehalte van grasklaver is dan ook vaak wat lager in het voorjaar dan in de zomer en het najaar. Door de tragere klavergroei (N-fixatie ) kan grasklaver in het voorjaar ook minder OEB bevatten dan zuiver gras. Een beperkte N-bemesting in het voorjaar kan hieraan tegemoetkomen.

In de latere snedes zal het ruweiwitgehalte bij grasklaver gewoonlijk toenemen. Dit hoger ruweiwitgehalte resulteert niet enkel in een hogere DVE-waarde, maar vaak ook in een hoger Onbestendige Eiwit Balans (OEB)-gehalte. De DVE-waarde zal vaak trager toenemen bij een hoger aandeel klaver dan de OEB. Houd rekening met de periode van het jaar om de kwaliteit van bijvoorbeeld vers gras en grasklaver in te schatten.
Energie Bij grasklaver is het gehalte aan ruwe celstof hoger en het gehalte aan suikers gewoonlijk lager dan bij Engels raaigras. De verteerbaarheid van grasklaver ligt lager dan bij Engels raaigras, al is dit vooral bij grasklaver met rode klaver het geval door het hoger aandeel stengels. De energiewaarde (VEM) van grasklaver ligt op papier doorgaans ook een stuk lager dan zuiver raaigras. In de praktijk presteren de dieren evenwel vaak beter dan verwacht.
Hoe hoger het aandeel klaver in de grasklaver, hoe lager het aandeel suiker. Zuiver klaver of grasklaver met een zeer hoog aandeel klaver kan dan ook iets moeilijker in te kuilen zijn. Bij lage drogestof (DS)-gehaltes kan dan ook sneller ammoniak gevormd worden. Zeker in het najaar houd je hier best rekening mee en gebruik je beter kuiladditieven om een goede bewaring te verzekeren.
Mineralen Klaver heeft een ander mineralenpatroon dan gras: een hoog calciumgehalte, een hoger magnesiumgehalte en een lager natriumgehalte.
Grasklaver in het rantsoen
Runderen vinden klaver lekker en klaver heeft een hogere passagesnelheid door de pens. Zo kan grasklaver in het rantsoen, afhankelijk van het aandeel klaver, de voederopname verhogen met 5-20%. Een stijging in voederopname zorgt zo voor een hogere opname van energie en eiwit via het ruwvoer. Dit kan het krachtvoederverbruik drukken, en/of de productie verhogen.
Het effect op de voederopname is echter niet altijd even groot en is afhankelijk van onder andere de overige voedermiddelen in het rantsoen en de kwaliteit van de grasklaver. Broei in de grasklaverkuil of een te hoge ammoniakfractie zal de voederopname sowieso drukken, ongeacht het aandeel klaver. Het optimale aandeel klaver dat de ruwvoeropname kan doen stijgen, ligt tussen de 40 en 60%. Het aandeel klaver kan echter sterk variëren doorheen het jaar. Bij een klaveraandeel van meer dan 60% zal de voederopname terug dalen, terwijl het risico op trommelzucht kan toenemen. Voor rantsoenen met veel grasklaver streef je het best ook naar een lager aandeel klaver. Een lasagnekuil waarin meerdere snedes grasklaver gecombineerd worden levert doorgaans een evenwichtiger product waarvan een langere periode contant van kan gevoederd worden.
Grasklaver voor vleesvee
Door de lichaamsbouw en bespiering van BWB-runderen is hun opnamecapaciteit voor ruwvoer lager. De hogere opname van grasklaver is dus een belangrijke meerwaarde. Als de energie-inhoud van de grasklaver(kuil) niet te laag ligt (hoger dan 800 VEM/kg DS), zal een hogere opname ervan vaak voldoende compenseren. Dit gaat gepaard met een hogere opname van eiwit, waardoor andere bronnen van eiwit, zoals eiwitrijk krachtvoer, mogelijk verlaagd kunnen worden.
Afhankelijk van de diercategorie en de specifieke eiwitbehoefte, kan grasklaver een goed voedermiddel zijn voor vleesvee. Vooral dieren die veel eiwit nodig hebben (snelle groeifase of met zogend kalf) hebben baat bij een smakelijk, vlot verteerbaar en eiwitrijk product als grasklaver. Voor andere diercategorieën die minder eiwit nodig hebben (niet-zogende koeien bijvoorbeeld) zijn substantiële hoeveelheden grasklaver net minder geschikt. Een te grote overmaat aan eiwit kan immers een nadelige invloed hebben op de vruchtbaarheid en weerstand van het dier.





