De moestuin zaaiklaar maken
Een goede moestuin is het resultaat van het jaar na jaar bewerken en verbeteren van de bodem. De grond in de moestuin zal na enkele jaren niet meer dezelfde zijn als de grond in de rest van de tuin. De grond wordt donkerder, kruimeliger en rijker aan bodemleven. In tegenstelling tot de siertuin, waarin de beplanting vaak aangepast wordt aan de eigenschappen van de bodem, gaan we in de moestuin proberen om de eigenschappen van de grond aan te passen aan de gewassen die we er willen telen. Zo kunnen we meer verschillende gewassen telen en zal de opbrengst groter zijn

Het ideale moment om de grond naar onze hand te zetten, is tijdens de voorbereiding van de grond op het nieuwe zaai- en plantseizoen. Van oudsher gebeurde dit door de grond jaar na jaar om te spitten en door hem te verrijken met stalmest, die zorgde voor de nodige stikstof (N) en humus.
Wat betekent ‘zaaiklaar’?
Een zaaiklaar perceel is meer dan een mooi vlak oppervlak. Het betekent dat de bovenste bodemlaag fijn verkruimeld is, voldoende lucht bevat en goed aansluit rond het zaad. De ondergrond moet los genoeg zijn, zodat wortels zich ongehinderd kunnen ontwikkelen. Het is vooral belangrijk om het juiste moment te kiezen. Bewerk de bodem nooit wanneer hij nog te nat is. De grond moet kruimelig uit elkaar vallen wanneer men er licht in knijpt. Wie te vroeg begint, riskeert de structuur van de bodem voor lange tijd om zeep te helpen. En hier hebben tuiniers op lichte gronden een voorsprong. In een nat voorjaar kunnen zij al enkele weken vroeger aan de slag dan de tuiniers op zwaardere gronden.
Bodemtype als uitgangspunt
Voor we een schop in de grond steken, moeten we weten met welk bodemtype we te maken hebben. Dit wordt bepaald door de onderlinge verhouding tussen de kleideeltjes (zeer fijne korreltjes), de leemdeeltjes en de zanddeeltjes (grove korrels). De deeltjes die het meest in onze bodem voorkomen, bepalen met welk type bodem we te maken hebben. Zo spreken we van zandgronden (lichte grond), zand-leemgrond (bevat ongeveer evenveel leem als zand), leemgronden en kleigronden (zware grond). Ieder type grond heeft zijn specifieke voor- en nadelen, maar voor alle duidelijkheid: geen enkele Belgische grondsoort is ongeschikt om groenten in te kweken.
Zand-, leem- of kleigrond
Zandgronden – lichte gronden – zijn gemakkelijk te bewerken en warmen snel op in het voorjaar. Ze laten water echter snel door, waardoor voedingsstoffen kunnen uitspoelen en gewassen bij droog weer sneller lijden onder watertekort.
Kleigronden – zware gronden – houden water en voedingsstoffen beter vast en zijn vaak zeer vruchtbaar. Ze warmen trager op en zijn in natte omstandigheden moeilijk te bewerken. Worden ze bewerkt wanneer ze nog te nat zijn, dan ontstaat structuurbederf door samendrukking.
Leem- en zand-leemgronden combineren de voordelen van beide en worden vaak als ideaal beschouwd voor groenteteelt.
Een eenvoudige test geeft snel duidelijkheid: blijft er natte grond aan uw schoenen kleven en kunt u er gemakkelijk een stevige bal van maken, dan overheerst klei. Valt vochtige grond uiteen en is hij nauwelijks kneedbaar, dan is het een zandbodem.
Spitten
De klassieke manier om de moestuin voor te bereiden op het nieuwe seizoen is om aan de slag te gaan met de spade en de grond om te spitten. Daarbij wordt de teeltlaag omgekeerd. Het bovenste deel van de grond komt onderaan te liggen en vice versa. Wie start met de aanleg van een nieuwe moestuin op een nog niet eerder voor dit doel gebruikte grond of wie een moestuin heeft waarvan de grond nog flink moet verbeterd worden, kan het best jaarlijks de grond omspitten. Op die manier kan immers vlugger een egale en humusrijke teeltlaag bekomen worden.
Het omspitten kan uiteraard het best worden gedaan in het rustseizoen, als de moestuin omzeggens leeg is. Een zware bodem (kleigronden) wordt het best in het najaar gespit, vlak voordat de vorst invalt. De grote aardkluiten vriezen dan stuk, waardoor de grond een losse structuur krijgt. Na natte winters bestaat de kans dat de zware gronden grotendeels weer dichtgeslempt zijn, het is dan aangeraden om de grond in het voorjaar met een spitvork los te woelen vooraleer het zaaibed fijn te maken. Lichtere gronden (zand- en zand-leemgronden) worden in het vroege voorjaar gespit.
Het grote voordeel van spitten is dat men tijdens het spitten makkelijk een grote hoeveelheid organisch materiaal (stalmest, compost, verteerd bladafval...) kan onderwerken in de grond, waardoor we al na enkele jaren een donkerder gekleurde teeltlaag krijgen door het stijgende gehalte aan humus. Het nadeel van spitten is dat het een arbeidsintensieve bezigheid is, zeker op zware kleigronden. Vaak wordt de hele moestuin in dezelfde periode omgespit, het fijnmaken met de hark of frees gebeurt per gewasgroep, net voor het inzaaien. Een bijkomend aandachtspunt bij spitten is het onkruidbeheer. Door de bodem om te keren worden aanwezige onkruiden wel ondergewerkt, maar tegelijk brengt men oude, diepere zaden opnieuw aan de oppervlakte. Deze kiemen vaak massaal zodra licht en warmte hun werk doen.
Loswoelen
Sedert enkele tientallen jaren wint ecologisch verantwoord tuinieren steeds meer aan belang. Deze wijze van tuinieren beschouwt spitten, tenzij noodzakelijk voor een nieuwe moestuin, als schadelijk voor het biologisch evenwicht van de bodem. Ecologische tuiniers bewerken de grond zonder deze om te keren door hem in het voorjaar los te maken tot op 15 à 20 cm, met behulp van een spitvork of een woelvork (speciaal ontwikkeld voor het losmaken van zwaardere gronden). Bij ecologisch tuinieren wordt de grond in het najaar afgedekt met organisch materiaal (hooi, stro, bladeren) om structuurbederf door regen en wind tijdens de winter te vermijden. De winterbedekking wordt in februari maart weggehaald en afgevoerd naar de compost-hoop, zodat de grond kan opwarmen. Twee à drie weken voor het inzaaien wordt de grond losgewoeld en ingestrooid met goed verteerde compost, die met een tuinhark wordt ondergewerkt in de bovenste 5 tot 10 cm van de grond. In tegenstelling tot spitten wordt de hele moestuin dus niet in 1 keer bewerkt, maar enkel die percelen die kort daarna zullen ingezaaid worden.





