Vaccins zijn beschikbaar, maar veehouders mogen ze niet gebruiken
Katleen Bury, federaal volksvertegenwoordiger voor Vlaams Belang en lid van de commissie Volksgezondheid, formuleert de vaststellingen en conclusies van haar partij over overdraagbare dierziektes. Ze pleit er onder meer voor om de keuze om al dan niet te vaccineren bij de veehouder en zijn bedrijfsdierenarts te leggen.

Stel je voor: je hebt 20 jaar geïnvesteerd in de gezondheid van je veestapel. Je vaccineert, je volgt de protocollen, je werkt nauw samen met je bedrijfsdierenarts. Je dieren zijn gezond, je bedrijf draait goed. En dan krijg je van overheidswege de boodschap dat vaccineren niet langer toegelaten is, niet omdat het vaccin niet werkt, maar omdat je land of je regio officieel ziektevrij is verklaard. Enkele maanden later raakt een virus toch je bedrijf binnen. Dieren moeten worden afgevoerd. Het Sanitair Fonds komt tussen in de kosten, maar de psychische schade en de frustratie bij de getroffen veehouders verdwijnen niet met een (gedeeltelijke) economische schadevergoeding. Voor té veel Vlaamse veehouders is dit geen theoretisch scenario, maar realiteit.
Beleid ondermijnt zijn eigen succes
Als federaal parlementslid zie ik van nabij hoe het federale diergezondheidsbeleid wordt vormgegeven door de FOD Volksgezondheid en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV). De grote lijnen worden bepaald door de Europese Animal Health Law van 2016, die sinds april 2021 van toepassing is. De uitvoering gebeurt nationaal, maar de beleidskeuzes zijn in belangrijke mate Europees gestuurd. De voorbije decennia heeft dat beleid belangrijke successen geboekt. Verschillende dierziekten werden teruggedrongen en de gezondheidsstatus van de veestapels verbeterde aanzienlijk. Toch wordt steeds duidelijker dat het huidige model tegen zijn grenzen aanloopt. Het doel blijft immers nog steeds hetzelfde: een ziekte uitroeien door (mogelijks) besmette dieren te ruimen en vaccinatie afbouwen zodra de ziekte voldoende onder controle lijkt. Dat zogenaamde stamping out-principe heeft historisch resultaten opgeleverd, maar werd ontwikkeld in een tijd waarin vaccins minder performant waren, monitoring beperkter was en internationale handelsstromen anders verliepen dan vandaag.
De realiteit van 2026 is een andere. Nieuwe ziekte-uitdagingen dienen zich aan, de mobiliteit van dieren én vectoren neemt toe en de beschikbare vaccintechnologie is sterk geëvolueerd. Het beleid is die evolutie onvoldoende gevolgd, terwijl de maatschappelijke weerstand tegen massale ruimingen wel blijft stijgen.
IBR
Nergens wordt die paradox duidelijker dan bij IBR. Na bijna 30 jaar bestrijding heeft België een uitzonderlijk hoge gezondheidsstatus bereikt. Meer dan 99% van de conventionele rundveebedrijven zijn vandaag officieel IBR-vrij. Dat succes is het resultaat van jarenlange inspanningen door veehouders, dierenartsen en de sector.
Blauwtong
Bij blauwtong ligt het probleem anders, maar de onderliggende vraag is dezelfde. Het blauwtongvirus serotype 3 heeft de voorbije jaren vooral bij schapenhouders zware economische schade veroorzaakt. Sterfte, productieverlies en vruchtbaarheidsproblemen hebben diepe sporen nagelaten op tal van bedrijven. Er zijn verschillende vaccins beschikbaar, maar de optimale strategie verschilt naargelang de diersoort, de regio, de infectiedruk en het tijdstip van vaccineren. Wat werkt voor een schapenbedrijf in West-Vlaanderen, is niet noodzakelijk de beste aanpak voor een rundveehouder in Limburg. Daarom blijft de bedrijfsdierenarts cruciaal. Vaccinatie is geen administratieve oefening, maar een gezondheidsstrategie die afgestemd moet worden op de situatie op het terrein. De recente vaststellingen van blauwtongvirus serotype 3 en 8 in onze buurlanden tonen aan hoe snel nieuwe risico's kunnen opduiken.
Vogelgriep
Bij hoogpathogene aviaire influenza (vogelgriep) wordt de discussie nog fundamenteler. Bij aviaire influenza is het verband met een zoönose niet langer fictief. Al tientallen jaren lang bestaat de standaardaanpak uit het (preventief) ruimen van (mogelijks) besmette koppels en het instellen van beschermingszones. Die aanpak brengt echter enorme economische en maatschappelijke kosten met zich mee. Ondertussen tonen onderzoeken van onder meer Wageningen University & Research aan dat preventieve vaccinatie de kans op uitbraken drastisch kan verminderen. Nederland werkt daarom aan een gefaseerde invoering van vaccinatie bij leghennen, ondersteund door aangepaste monitoringssystemen die besmettingen betrouwbaar kunnen detecteren. Ook in België wordt die piste onderzocht. Dat is een positieve evolutie. Maar onderzoek alleen volstaat niet. De sector heeft nood aan duidelijkheid over de richting die het beleid wil uitgaan.
Afrikaanse varkenspest
Afrikaanse varkenspest (AVP) is nooit ver weg. Uit het 2025-jaarverslag van EFSA blijkt dat het aantal AVP-uitbraken bij tamme varkens in de EU vorig jaar met 76% steeg, van 333 naar 585 uitbraken. Bij wilde zwijnen liep het aantal besmettingen op met 44% tot meer dan 11.000 gevallen. Het aantal getroffen EU-lidstaten steeg van 13 naar 14, met Spanje als nieuwkomer. Verontrustend zijn ook twee vastgestelde gevallen van verspreiding over lange afstanden, in Duitsland en in Spanje, waarbij het virus via wilde zwijnen plots opduikt ver buiten de bekende besmettingszones. België is momenteel vrij van AVP, maar de bescherming van de sector rust volledig op bioveiligheidsmaatregelen. Dat volstaat niet als sluitende bescherming wanneer het virus zich abnormaal snel verspreidt en op onverwachte manieren opduikt. Europa moet sterker inzetten op vaccinontwikkeling en -registratie. Wanneer een werkzaam vaccin beschikbaar komt, mag regelgeving niet de voornaamste hinderpaal worden om het in te zetten.
Wat er moet veranderen
De keuze om al dan niet te vaccineren tegen besmettelijke virale dierziekten die geen zoönoses zijn, moet gemaakt worden door de veehouder en zijn bedrijfsdierenarts, binnen een duidelijk wettelijk kader. De overheid bepaalt de randvoorwaarden, organiseert de monitoring en bewaakt de diergezondheid. Maar een overheid die preventieve vaccinatie verbiedt zodra een ziekte onder controle lijkt, dreigt de weerbaarheid van bedrijven net te ondermijnen.
Dat inzicht leeft vandaag ook steeds sterker binnen de veterinaire wereld. De Federation of Veterinarians of Europe (FVE), de koepelorganisatie van Europese dierenartsen, stelt dat de klassieke stamping out-strategie niet langer volstaat als centrale pijler van het diergezondheidsbeleid. Volgens de FVE moeten moderne vaccins veel nadrukkelijker worden ingezet om uitbraken te voorkomen, dierenwelzijn te verbeteren en om de noodzaak van grootschalige ruimingen te beperken.
Die discussie moet in de eerste plaats op Europees niveau worden gevoerd. De krijtlijnen van het diergezondheidsbeleid worden immers bepaald door de Europese Animal Health Law. Vlaams Belang ondersteunt binnen de Patriots for Europe-fractie een evolutie naar een beleid waarin vaccinatie een volwaardig instrument wordt, naast bioveiligheid, monitoring en verantwoord bedrijfsmanagement
Preventie kost geld. Uitbraken, ruimingen en maatschappelijk onbegrip kosten uiteindelijk veel meer. De praktijk toont regelmatig waar de huidige aanpak tekortschiet. Het is tijd dat het beleid volgt.





