Debatteren over de toekomst van onze landbouw
De Bietenclub, een 60 jaar oude agrarische studieclub uit het Meetjesland en uit de grensstreek met Zeeuws-Vlaanderen, organiseerde samen met de Landelijke Gilden en vakgroepen een debatavond over de toekomst van de landbouw.

Deelnemers aan het debat waren Vlaams minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v) en de Nederlander Joris Baecke. Deze laatste is landbouwer in de Nederlandse grensgemeente Hulst, maar ook een belangenbehartiger voor de grensstreek. Daarnaast is hij lid van het Nederlands Centrum voor Mestverwaarding en ook lid van de adviesraad Delta Climate Center. Marc Ballekens trad op als moderator van het debat. Hoewel hij naar eigen zeggen zelf in de regio al 52 toespraken gaf, was hij voor de gelegenheid eens geen spreker, maar moderator.
Het debat was georganiseerd rond diverse thema’s, waaronder het ruimtelijk beleid, beschikbaarheid van grond, landschapsparken en oude hoeves. Moderator Ballekens stelde dat iedereen meer grond wil. “De haven breidt uit met bijhorende industriële expansie. Tegen 2040 zouden er volgens hem 400.000 huizen in Vlaanderen en 800.000 huizen in Nederland bij komen. Hiernaast heeft ook natuur en recreatie behoefte aan grond.” Zijn vraag was dan ook of er nog grond voor landbouwers overblijft?
Grote druk op open ruimte
Minister Brouns erkende onmiddellijk dat de druk op de open ruimte in Vlaanderen zeer groot is. “Die open ruimte is landbouw of natuur. Iedere bijkomende ontwikkeling verhoogt de druk op die ruimte. De nood aan woningbouw en industrieruimte is zelfs nog groter dan voornoemd. We zullen het op een andere manier moeten doen dan vroeger. De open ruimte mag minder aangesneden/versnipperd worden in de toekomst. We zullen het allemaal geconcentreerder moeten gaan doen in de gebieden die al ingenomen zijn. Het verder verharden zal moeten gebeuren in gebieden die goed ontsloten zijn. Waar vandaag al verharding is, gaan we dichter op elkaar wonen. Dat zijn nu eenmaal de ruimtelijke realiteiten waarmee we zullen moeten leren omgaan de komende jaren.”
De minister gaf mee dat wat betreft de keuzes die daar gemaakt worden, ze altijd uitgaan van het principe om die open ruimte maximaal te vrijwaren en in te zetten op de bescherming van de landbouwgrond. Hij verwees naar het einde van de vorige legislatuur, toen er een stevig debat was rond het inzetten van Vlaamse subsidies waarmee natuurverenigingen landbouwgrond kochten voor natuurdoelen. “Je voelt dat dit wringt. Het gewestplan uit de jaren 70 is ingekleurd in zones. Als de overheid dan belastinggeld uitgeeft aan verenigingen om natuurdoelen te realiseren op landbouwgrond – dus een ander bestemming dan aangegeven in het gewestplan – dan schuurt dat, dan wringt dat. Met de regering hebben we daarom afgesproken om landbouwgrond maximaal terug te geven aan de landbouw.”
Minister Brouns gaf aan niet blind te zijn voor de realiteit op het terrein. Hij wil een opening laten voor een zonevreemde functiewijziging in een oud landbouwbedrijf, maar dat kan volgens hem niet gebeuren zonder voorwaarden. “We moeten vermijden dat landbouwgebied woongebied wordt. Nieuwe bewoners op het platteland mogen geen stoorzender worden voor zone-eigen activiteiten.” Tegelijk wil hij ook niet gaan voor een kaalslag op het platteland. De afbraak van stallen en het ontharden van bedrijfsoppervlakken moet volgens hem ook mogelijk zijn.
Voor de minister moet een genuanceerd en geactualiseerd debat gevoerd worden. “Para-agrarische activiteiten kunnen zelfs toenemen, net als innovatie op land- en tuinbouwbedrijven.” Hij verwees in dit kader naar algen- of insectenkweek, nieuwe vormen van landbouw die een plaats kunnen krijgen.
’Fermettetaks’ heeft nooit bestaan
Ballekens wilde van minister Brouns weten hoe het zat met de ‘fermettetaks’. Die heeft wat de minister betreft nooit bestaan, gaf hij aan. “Wel bestaat er sinds 1 januari 2024 een bijdrage die gemeenten vragen wanneer een landbouwbedrijf stopt en een zonevreemde functiewijziging ondergaat. Daar is dus niets nieuws onder de zon. Eenmalig wordt er een belasting geheven op de meerwaarde wanneer een bedrijfswoning wordt omgevormd naar een residentiële woning. Boerenbond en Natuurpunt hebben ideeën om op dit principe meer uniformiteit te brengen.” Die hebben ze geuit in een interview, dat later leidde tot een mediastorm omtrent de ‘fermettetaks’...
Minister Brouns verwees in zijn antwoord nog naar het geurkader dat is aangescherpt. Dit is gedaan net om te vermijden dat ‘nieuwe bewoners op het platteland’ landbouwactiviteiten gaan aanvechten. “Ze moeten een zekere geur kunnen verdragen in landbouwgebied. Daar kraait een haan, rijdt een tractor en is een zeker geur. Uit respect voor de zone-eigen activiteiten is het geurkader aangepast.”
Natuurontwikkeling op vruchtbare landbouwgrond
Ballekens polste ook even bij Joris Baecke hoe aan de Nederlandse zijde van de landsgrens de druk op landbouwgrond wordt ervaren. “In de provincie Zeeland groeit het bevolkingsaantal niet zo hard als in andere Nederlandse provincies. ‘Bewoning’ zet er dus iets minder druk op de beschikbare grond”, weerklonk het antwoord. “Wel is er uitbreidende industrie, en iedere hectare landbouwgrond die bekeken wordt, is er eigenlijk een te veel. De slechte landbouwgrond is op, nu wordt er enkel nog naar goede grond gekeken. Het grote probleem aan de Nederlandse zijde van de grens is de grote druk op landbouwgrond die natuurontwikkeling uitoefent.”
Baecke gaf aan dat Nederland en Vlaanderen tot een heel vruchtbare deltaregio met productieve landbouw behoren. “Het percentage van deze grond is wereldwijd gezien heel klein. Is het dan realistisch om op deze grond grote natuurdoelstellingen op te leggen die stoppen aan de landsgrens? Het lijkt bij ons wel of landbouwgrond op de kaart wit is ingekleurd, als ‘in te vullen voor iets anders’. Dan ben ik blij dat er in Vlaanderen een beschermingskader is voor landbouwgrond.
Wat de bestemming van oude hoeves betreft, kampen we in Nederland met het probleem dat ze ingenomen worden voor criminele activiteiten zoals het opzetten van een drugslabo. Dat is pas zorgelijk! We hebben wel hetzelfde probleem als Vlaanderen: stadsmensen die op het platteland gaan wonen en daar hun eisen stellen”, stelde Baecke.
Landschapspark kan landbouw niet wegduwen
Eén van de 5 landschapsparken die in Vlaanderen ontwikkeld worden, grenst aan de regio waar de debatavond plaatsvond, namelijk de Zwinstreek. Dat maakt landbouwers nerveus, omdat sommige gronden nog niet zijn ingekleurd als herbevestigd agrarisch gebied. Moderator Ballekens wou dan ook van de minister weten of de zorgen van de landbouwers terecht zijn.
Minister Brouns gaf aan de zorgen te begrijpen. Dat heeft volgens hem te maken met hoe zijn voorgangster (n.v.d.r. Zuhal Demir) vanuit Brussel iets wilde opleggen. “Dat moet je nooit doen. Zeker niet als het over het innemen van grond gaat en het afbakenen van grenzen.
De provincie Limburg heeft het enige nationaal park, zonder enige discussie met landbouwers, en dit omdat er 40 jaar lang van onderuit aan gewerkt is. In een nationaal park ligt de focus op natuur. In een landschapspark moet elke functie van het landschap evenwaardig zijn. Die evenwaardigheid is een belangrijk punt. Ik zal er mee over waken vanuit Brussel, dat in een landschapspark alle functies in dat landschap zoals: landbouw, natuur, recreatie, wonen… op een evenwaardige manier behandeld worden. Een landschapspark mag dus niet gebruikt worden als argument om landbouw weg te duwen”, zo stelde minister Brouns duidelijk en krachtdadig.
“Als er zorgen over landschapsparken zijn, dan is dat te wijten aan mijn voorgangster. Snel, snel op enkele jaren tijd vanuit Brussel iets doorduwen, natuurlijk denkt de boer dan dat natuur de bovenhand krijgt. Het evenwicht is voor mij net belangrijk.”
Ballekens maakte de bemerking richting de minister dat de landbouw hier een dominante aanwezige is in het landschapspark. “Als we evenwaardig naast elkaar moeten leven met alle functies, gaat de landbouw dan toch geen beperkingen opgelegd worden?”
Minister Brouns: “Voor elke functie spreken we bepaalde doelen af. Ik vind het belangrijk dat we tot een gedragen verhaal komen. Als landbouw een dominante factor is, zal daar respect voor moeten zijn, wat niet wil zeggen dat andere functies geen ruimte en kansen krijgen. Nogmaals: we moeten dat met respect en evenwicht doen. We moeten ons ‘vanuit Brussel’ hier niet te veel komen moeien. Dat moet van onderuit gebeuren op het terrein. Dan zal dat wel lukken. Dat is ook een proces dat tijd vraagt en dat geven we.”
Joris Baecke: “Ik heb het gevoel dat aan onze kant van de grens wel bereidheid is om te luisteren naar de grieven vanuit de landbouw, om naar de verschillende belangen te kijken in het gebied en zeker naar hoe ze elkaar kunnen versterken. Ik heb ook het gevoel dat recreatie en natuur de landbouw niet te zwaar gaan beperken. Een betere watervoorziening organiseren in het grenspark brengt iedere sector iets op. Als je kan afspreken dat de functies elkaar niet bedreigen, dan kan je naar een samenwerking gaan die positieve elementen voor iedereen biedt.”
Zorgen om MAP-meetpunten
In het Meetjesland kampen ze met een MAP-meetpunt dat beïnvloed wordt door een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Moderator Ballekens wou dan ook van minister Brouns weten of dit meetpunt niet herbekeken kan worden.
De minister heeft de ambitie om tegen het voorjaar van 2027 alle 700 MAP-meetpunten in Vlaanderen geëvalueerd te hebben. “Als je landbouw verant-woordelijk stelt voor de impact op water, dan moet de landbouw ook aanwijsbaar zijn. En als het andere bronnen zijn die impact hebben op waterlopen naar vervuiling toe, bijvoorbeeld gezinnen, dan moet dat natuurlijk ook wel objectief in kaart worden gebracht. Dan moet dat MAP-meetpunt eventueel verlegd of verplaatst worden, dat spreekt voor zich. Het MAP-meetpunt moet doen waarvoor het bedoeld is, het moet de relatie met de landbouw in kaart brengen. Zo kan de waterkwaliteit verbeteren. Als er andere vervuilingsbronnen zijn, dan moeten die natuurlijk in kaart worden gebracht.”

Joris Baecke gaf aan dat het Nederlandse systeem iets anders in elkaar zit: “We hebben ook veel meetpunten, en op basis hiervan wordt alles ‘modelmatig’ geanalyseerd en berekend. Zo komen we tot een actieve bijdrage vanuit de landbouw aan de nitraatproblematiek, maar ook aan een historische bijdrage die nu nog nagerekend wordt. De Nederlandse aanpak is heel moeilijk uit te leggen, is oneerlijk en motiveert de landbouwers niet om de situatie aan te pakken.”
Hij hoopt in de toekomst in Nederland naar ‘doelsturing’ te gaan. Hierbij wordt de bemestingsproblematiek op niveau van individueel bedrijf en perceel bekeken. Ze hopen hiermee ‘ruimte om (dierlijk) te bemesten’ terug te verdienen.
Door de moderator werd gewezen op het kunst-mestregister in Vlaanderen en op de gigantische rompslomp die dat teweegbrengt. “Waar zit de administratieve vereenvoudiging”
Minister Brouns gaf aan te weten dat er veel administratieve lasten op de schouders van de landbouwers ligt. “Het mestactieplan (MAP 7) is het resultaat van overleg en onderhandelingen tussen landbouw- en milieu-organisaties. Het leeuwenaandeel van die bijkomende maatregelen, zoals het kunstmestregister, hebben ze samen afgesproken. Dat er samen tot afspraken wordt gekomen is voor ons, de politiek, heel belangrijk. Die afspraken moeten we dan ook in stand houden.”
Met gewasbescherming tegen een muur
Het volgende hoofdstuk tijdens de debatavond was gewasbescherming en water. Ballekens stelde heel duidelijk dat de landbouw momenteel niet kan zonder klassieke gewasbescherming. “Riskeren we met de uitfasering van middelen, zonder dat er nieuwe producten op de markt komen, niet blind op een muur af te rijden?”
Brouns: “Dat klopt. Haal je ze weg, dan hebben we een paar keer de planeet nodig om de bevolking te voeden. We zitten met gewasbescherming in een maatschappelijk gevoelig debat. Oordeelkundig en duurzaam gebruik is dan ook nodig. Landbouwers begrijpen dat en gaan erin mee. Om hen te ondersteunen zetten we in op precisielandbouw en op vul- en spoelplaatsen. Dat helpt enorm om de risico’s op uitspoeling zo laag mogelijk te houden.” Voor hem is het nog een onbeantwoorde vraag of die vul- en spoelplaatsen op ieder individueel bedrijf aanwezig moeten zijn of dat er daar samenwerkingen mogelijk zijn om de kosten te drukken.
De minister gaf te kennen dat voor hem het uitfaseren van middelen pas kan als er alternatieven zijn. “Het is ook teelt- en stofspecifiek. Zijn er alternatieven, dan kan een middel verdwijnen, maar wat mij betreft gaan we niet onze eigen voedselproductie droogleggen.”
Joris Baecke is blij met deze Vlaamse visie en hoopt dat het aanstekelijk werkt bij zijn Nederlandse collega’s. “Als alles uitzichtloos zomaar wordt afgeschaft, dan hebben we een gigantisch probleem, net in een gebied dat een van de productiefste landbouwregio’s ter wereld is. Je vraagt je soms toch af waarover maken ze zich druk. We boeren nu al zoveel schoner dan 30 jaar geleden.”
Omgaan met landbouwers
Tot slot werd nog eens de administratieve vereenvoudiging aangesneden. Ballekens vroeg minister Brouns op de man af, of de overheid niet beter bij de boer zelf zou komen bemesten, bespuiten en het papierwerk doen? “De boer heeft er geen overzicht meer over en de landbouwconsulenten weten het zelf niet meer.”
Brouns: “De administratie is er om de veelheid aan regels en wetten te overwaken, maar ze moeten dat doen op een klantvriendelijke manier met begrip voor ‘het recht op vergissen’. Ik verneem dat de slinger helemaal is doorgeslagen, maar we moeten het pragmatisch aanpakken. Ik ga er immers van uit dat de meeste mensen deugen, dus ook de landbouwers. Wat mij betreft kunnen we verder met minder regels en administratie, maar daar bots je op een zekere argwaan bij politieke collega’s. De allergrootste uitdaging voor politiek en ambtenaren is uitgaan van meer vertrouwen. Waar de landbouwer een algemeen wantrouwen ten opzichte van zijn sector merkt.”
Joris Baecke voegde er fijntjes aan toe dat de administraties vroeger bevolkt werden door boerenzonen of -dochters of op zijn minst door mensen die voeling hadden met de sector. “Vandaag wordt de dienst uitgemaakt door bestuurskundigen en juristen. Dat is een heel verschil met vroeger.”
“Er moet een mentaliteitswijziging komen in hoe met landbouwers wordt omgegaan”, gaf minister Brouns krachtdadig aan op het einde van de debatavond. “Een Vlaamse ambtenaar zou 1 absolute basiscompetentie moeten hebben, dat is oplossingsgericht denken en handelen.”
“Dat mag via het leidingwater van de Brusselse kantoren tot bij de ambtenaren komen”, grapte hij nog. Die ziet hij liever veel meer achter hun bureau uit komen om poolshoogte te gaan nemen in het veld.





